Gerechtshof Amsterdam 12-05-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1311

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep inzake gezag, omgang en informatie over een 5‑jarige. Verzoek van vader tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen wegens ontbreken van minimale basis voor samenwerking, langdurig contactverlies en spanningen/angst bij moeder, waardoor klem‑/verlorencriterium wordt gevreesd. Verzoek omgangsregeling wordt afgewezen gelet op tekort aan draagvlak bij kind en prille traumatherapie; eerst herstel en beoordeling belemmeringen. Informatieregeling wordt vastgesteld met maandelijkse updates en kwartaalfoto’s, op straffe van een dwangsom.

Datum publicatie19-05-2026
Zaaknummer200.359.787/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen; informatieregeling.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.359.787/01

zaaknummer rechtbank: C/15/351184 / FA RK 24-1758

beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. R. Smit te Noord-Scharwoude,

en

[de moeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. B. Schoonewil te Velsen-Zuid.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

Het hof heeft daarnaast als informant aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,

hierna: de raad.

1De zaak in het kort

1.1

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (5 jaar) en de omgangs- en informatieregeling tussen de vader en haar.

1.2

De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), heeft het verzoek van de vader om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] , afgewezen. Ook het verzoek van de vader om een omgangs- en informatieregeling vast te stellen, is afgewezen.

De vader is het daarmee niet eens en wil dat zijn verzoeken alsnog worden toegewezen en ook dat er een regeling komt over de manier waarop de moeder hem over [minderjarige] informeert. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2De procedure in hoger beroep

2.1

De vader is op 30 september 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).

2.2

De moeder heeft op 17 november 2025 een verweerschrift ingediend.

2.3

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de vader van 7 januari 2026, met bijlagen;

- een bericht van de vader van 20 januari 2026, met bijlage;

- een bericht van de vader van 23 januari 2026, met bijlage;

- een bericht van de moeder van 26 januari 2026, met bijlage.

2.4

De zitting heeft op 28 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door twee gezinsmanagers;

- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.

De advocaat van de vader heeft tijdens de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren [in] 2020 in [plaats] .

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij haar.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 3 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers voor de duur van één jaar, te weten tot 3 juni 2026.

4De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het inleidende verzoek van de vader om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] , afgewezen. Ook is het inleidende verzoek van de vader met betrekking tot de vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:

- hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;

- een door het hof in goede justitie te bepalen omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige] ;

- te bepalen dat de moeder tenminste elke maand een A4-tje met informatie over (de ontwikkeling en het welzijn van) [minderjarige] naar vader dient te sturen en zorg dient te dragen voor het regelmatig toezenden van recente foto's van [minderjarige] , op straffe van een dwangsom van € 250,-.

4.3

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen.

5De motivering van de beslissing

Gezag

Wettelijk kader

5.1

Uit artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt in dat geval dat indien de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De standpunten

5.2

De vader wil dat hij gezamenlijk met de moeder wordt belast met het gezag. De vader erkent dat de communicatie met de moeder verbeterd moet worden, maar benadrukt dat beide ouders hierin moeten samenwerken. De vader gelooft dat hij in staat is om met de moeder samen te werken en afspraken te maken. Hij is bereikbaar en zal gezagsbeslissingen niet blokkeren. Hij wil openlijk over hun dochter [minderjarige] communiceren en gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor haar welzijn, met de nodige hulpverlening indien nodig. De vader vreest dat als de moeder als enige belast blijft met het gezag, zij hem volledig buiten spel zet.

5.3

De moeder wil niet dat de vader mede met het gezag wordt belast. De moeder stelt dat de relatie met de vader zeer turbulent was, met fysieke en emotionele mishandeling. Ze kan daarom op dit moment niet met hem over gezagsbeslissingen praten, omdat dit te veel spanning veroorzaakt, wat zijn weerslag heeft op [minderjarige] . De vader is al bijna twee jaar niet betrokken bij [minderjarige] leven en heeft geen inzicht in haar situatie, wat het onwenselijk maakt hem met het gezamenlijk gezag te belasten.

5.4

De GI heeft ter zitting verklaard dat het, na een onstuimige periode, op dit moment heel goed gaat met [minderjarige] . Ze is goed van start gegaan op school en maakt grote stappen. Ze is vrij in het maken van contact, ze kletst veel en ook de school heeft aangegeven dat zij goed gedijt in de klas en ze veel aanspraak heeft met andere kindjes. Het is goed dat de hulpverlening bij POEK binnenkort van start gaat, om deze positieve ontwikkelingen vast te houden.

Advies van de raad

5.5

De raad heeft geadviseerd om het verzoek van de vader af te wijzen. Op dit moment is gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] gelet op de problematiek tussen de ouders, de angst van de moeder en het gebrek aan communicatie tussen de ouders. [minderjarige] staat dichtbij haar moeder en nu de moeder zodanig grote spanningen ervaart, heeft dat zijn weerslag op [minderjarige] .

Beoordeling door het hof

5.6

Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot enige vorm van communicatie met elkaar en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen.

Het hof is op grond van de stukken en de behandeling tijdens de zitting in hoger beroep van oordeel dat de minimaal noodzakelijke basis voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag over [minderjarige] ontbreekt. De ouders kennen een belast verleden en de verhoudingen tussen hen zijn ernstig verstoord. De ouders hebben in 2023 hun relatie beëindigd en sindsdien heeft de moeder angst voor de vader en geen vertrouwen meer in hem. De vader erkent dat de ouders geen fijne relatie hebben gehad, maar vindt dat de moeder ook een aandeel hierin heeft gehad. Hij weerspreekt de door de moeder gestelde mishandelingen.

Onduidelijk is gebleven wat precies is voorgevallen tussen de ouders. Wel is voldoende aannemelijk geworden dat de moeder angstig is voor de vader en ter behandeling van haar angstklachten traumatherapie zal gaan volgen. Er is al geruime tijd en ook nu geen communicatie tussen de ouders. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat de ouders in de nabije toekomst in staat zijn om op ouderniveau op constructieve wijze met elkaar te overleggen over [minderjarige] . Op 7 juni 2024 heeft de rechtbank de ouders doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod om aan de doelen oudercommunicatie, omgangsbegeleiding, psycho-educatie en blokkades bij ouders te werken. De gemeente Dijk en Waard heeft op 26 augustus 2024 de rechtbank bericht dat de doelen niet zijn behaald -kort gezegd- omdat de moeder haar medewerking niet heeft verleend. De raad heeft toen een onderzoek gestart, wat ertoe heeft geleid dat sinds 3 juni 2025 de GI in het kader van een ondertoezichtstelling bij de ouders en [minderjarige] is betrokken. Ter zitting in hoger beroep bleek dat [minderjarige] in maart 2026, zou starten met therapie bij Kinderpsychologie Praktijk Ouder en Kind (POEK). Deze therapie zal gericht zijn op het verwerken van de trauma’s die zij heeft opgelopen in het verleden.

5.7

Daarnaast is gebleken dat de vader en [minderjarige] elkaar al twee jaar niet meer hebben gezien en dat de vader in de afgelopen jaren niet betrokken is geweest in het leven van [minderjarige] . Daardoor mist de vader het noodzakelijke inzicht om beslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. Indien de vader op dit moment mede met het gezag over [minderjarige] belast zou worden, ontstaat, zo is voldoende aannemelijk geworden, bij de moeder dermate veel spanning en stress dat dit naar verwachting zijn weerslag zal hebben op [minderjarige] . Het hof vreest dat de ontwikkeling van [minderjarige] hierdoor in het gedrang zal komen. Dat is niet in haar belang, zeker niet nu zij aan de start staat van haar behandeltraject. Om dit te voorkomen en de rust voor de moeder en [minderjarige] te behouden, acht het hof het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de moeder op dit moment alleen het gezag over haar blijft uitoefenen. Het hof is van oordeel dat eerst gekeken moet worden of, en zo ja op welke wijze, het contact tussen de vader en [minderjarige] zorgvuldig opgebouwd kan worden (zie ook hierna). Pas daarna kan onderzocht worden welke verdere rol de vader in het leven van [minderjarige] kan spelen.

Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag zal bekrachtigen en het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag zal afwijzen.

Omgang

Wettelijk kader

5.8

Uit artikel 1:377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.

Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft
doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Standpunten

5.9

De vader stelt dat sinds [minderjarige] op 3 juni 2025 onder toezicht is gesteld, er geen vorderingen zijn in het contactherstel tussen hem en [minderjarige] . De vader maakt zich zorgen dat het langdurige gebrek aan contact de drempel voor toekomstig contact alleen maar hoger maakt. Hij maakt zich zorgen over de invloed die de moeder op [minderjarige] heeft. De vader vreest dat [minderjarige] van hem vervreemd raakt door het gedrag van de moeder, wat kan leiden tot ouderverstoting. Het hulpverleningstraject bij POEK moet onmiddellijk worden opgepakt, los van contactherstel.

5.10

De moeder betwist dat zij zich niet meewerkend heeft opgesteld. Ze heeft altijd gehandeld in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft angst voor haar vader, mede door de spanningen tussen de ouders. De moeder heeft geprobeerd het contact tussen [minderjarige] en de vader te begeleiden, maar stopte dit omdat het te veel onrust bij [minderjarige] veroorzaakte. Sindsdien gaat het langzaam beter met [minderjarige] , hoewel ze nog steeds bang is voor haar vader. Pas na de traumatherapie die [minderjarige] gaat volgen kan de GI beoordelen of contactherstel tussen [minderjarige] en de vader mogelijk is, aldus de moeder.

5.11

De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat contactherstel tussen de vader en [minderjarige] onderdeel zal uitmaken van de therapie bij POEK. Wanneer er iets verandert voor [minderjarige] , bestaat de kans dat zij een terugval krijgt. Daarmee moet dus voorzichtig worden omgegaan. De GI voert de regie over het traject bij POEK en heeft daarnaast regelmatig contact met [minderjarige] en de moeder. De GI heeft eenmaal met [minderjarige] gesproken over haar vader, maar dit bleek een lastig en beladen onderwerp. [minderjarige] had moeite om hierover te praten.

Advies van de raad

5.12

De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Het is op dit moment nog onduidelijk waarom [minderjarige] geen omgang wenst met haar vader. Wel acht de raad het positief dat voor [minderjarige] reeds hulpverlening is ingezet bij POEK. Deze ontwikkeling bevindt zich echter nog in een zeer pril stadium, waardoor deze zaak zich nog in een startfase bevindt. Het advies van POEK moet afgewacht worden. Op basis van dat advies zal het vervolgens aan de GI, dan wel aan de moeder, zijn om de eventueel geadviseerde vervolgstappen te zetten.

Beoordeling door het hof

5.13

Als uitgangspunt geldt dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Het is voor een kind van groot belang om beide ouders te kennen en een goede band met hen te onderhouden. Het kan echter ook voorkomen dat een situatie ontstaat waarin het in strijd komt met zwaarwegende belangen van het kind om een (verdere) poging te doen tot omgang of contactherstel. Dat is in deze zaak het geval. Het hof zal het verzoek om een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader vast te stellen dan ook afwijzen. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

5.14

Het hof is van oordeel dat bij [minderjarige] op dit moment te weinig draagvlak aanwezig is voor omgang met de vader. [minderjarige] is getuige geweest van de turbulente relatie van haar ouders. [minderjarige] heeft sinds de beëindiging van de relatie van de ouders bij de moeder gewoond en sindsdien heeft niet tot nauwelijks omgang of ander contact tussen [minderjarige] en de vader plaatsgevonden. [minderjarige] heeft een lastige start gehad op de peuterspeelzaal en de laatste jaren veel signalen van angst en stress laten zien. Sinds de overgang naar de basisschool lukte het [minderjarige] niet om volledig onderwijs te volgen. Hoewel de GI en de moeder tijdens de zitting hebben verklaard dat het op dit moment, naar omstandigheden, goed gaat met [minderjarige] , is dit een prille ontwikkeling. De traumatherapie bij POEK bevindt zich nog in de startfase. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij de komende tijd de ruimte krijgen om onbelemmerd te werken aan traumaherstel en haar weerbaarheid, zonder dat nu al gestreefd wordt naar het starten van omgang. Het hof acht het noodzakelijk in deze zaak dat POEK zich, naast de traumatherapie, ook richt op (het wegnemen van) de eventuele belemmeringen die mogelijk een rol spelen bij het contact en de omgang tussen de vader en [minderjarige] , waarbij centraal staat of en op welke wijze deze belemmeringen kunnen worden verminderd. Na deze periode zou wederom gekeken kunnen worden hoe de ontwikkeling van [minderjarige] verloopt en hoe veel ruimte er ontstaat om toe te werken naar contactherstel.

5.15

Ook bij de moeder bestaat op dit moment onvoldoende draagvlak om enige vorm van (minimaal) contact met de vader te kunnen dragen. Gezien het beeld dat de moeder van de vader heeft, acht het hof het evenmin aannemelijk dat de moeder op korte termijn in staat zal zijn [minderjarige] te begeleiden en ondersteunen bij de omgang met de vader. De moeder informeert de vader niet meer over [minderjarige] . De moeder kampt ook met traumaklachten, waarvoor zij op zoek gaat naar hulp. Zij dient de ruimte te krijgen om hieraan te werken. Het hof verwacht van de moeder dat zij die periode ook daadwerkelijk daarvoor benut, in het belang van [minderjarige] , zodat zij mogelijk in de toekomst emotionele toestemming kan geven aan [minderjarige] om toe te werken naar contactherstel met de vader.

Gelet op het bovenstaande zal het hof het verzoek van de vader ten aanzien van de omgang dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

Informatieregeling

5.16

Op grond van artikel 1:377b, eerste lid, BW is de met het gezag belaste ouder gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. De vader verzoekt om vaststelling van een informatieregeling. De moeder voert daartegen verweer.

5.17

Het hof overweegt als volgt. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] wenselijk dat de moeder de vader eenmaal per maand schriftelijk of per e-mail informeert over gewichtige aangelegenheden van [minderjarige] , zoals de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] en over belangrijke zaken die haar betreffen, waaronder in ieder geval haar schoolgang, vrijetijdsbezigheden, gezondheid en medische zaken. Ook dient de moeder de vader eenmaal per kwartaal een recente foto van [minderjarige] sturen. Hierdoor kan de vader op de hoogte blijven van de ontwikkeling en leefwereld van [minderjarige] en kan hij beter bij haar aansluiten mocht op enig moment alsnog contactherstel plaatsvinden. Hetgeen de moeder heeft aangevoerd is onvoldoende om een informatieregeling niet vast te stellen. Aan de zijde van de moeder geldt verder dat een enkele zin dat het met [minderjarige] goed gaat, niet volstaat. Het is aan de moeder om hierin haar verantwoordelijkheid te nemen. Indien dit niet lukt is het raadzaam om - zolang de ondertoezichtstelling loopt - hulp in te roepen van de GI, om te ondersteunen in het sturen van relevante informatie naar de vader. De GI heeft tijdens de zitting verklaard hiertoe bereid te zijn. De vader dient zijn e-mailgegevens of adresgegevens te delen met de moeder zodat zij aan haar verplichting kan voldoen.

Dwangsom

5.18

De vader heeft verzocht om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de informatieregeling door de moeder. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij verwacht dat de moeder niet zal meewerken aan sturen van (relevante) informatie.

5.19

Het hof zal het verzoek van de vader toewijzen. Het hof overweegt daartoe dat het, zeker nu het verzoek van de vader om omgang met [minderjarige] wordt afgewezen, van belang is dat de moeder haar verplichtingen richting de vader nakomt. Dat de moeder voorwaarden wenst te verbinden aan deze verplichting en de angsten van haar en [minderjarige] aangrijpt om de vader wellicht niet volledig te informeren en in het verleden deze maandelijkse verplichting ook niet altijd is nagekomen, maakt dat het hof een dwangsom in dit geval geboden acht. Het hof zal een dwangsom aan de moeder opleggen van € 250,- voor iedere keer dat de moeder niet voldoet aan de informatieregeling, met een maximum van € 5.000,-.

6De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep met betrekking tot het gezag en de omgang;

bepaalt dat de moeder de vader eenmaal per maand, uiterlijk op de laatste dag van die maand, schriftelijk of per e-mail informeert over gewichtige aangelegenheden van [minderjarige] , zoals de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] en over belangrijke zaken die haar betreffen, waaronder in ieder geval haar schoolgang, vrijetijdsbezigheden, gezondheid en medische zaken. Ook dient de moeder de vader eenmaal per kwartaal een recente foto van [minderjarige] sturen;

bepaalt dat de moeder bij niet nakoming van deze informatieregeling een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere keer dat de moeder daaraan niet voldoet, met een maximum van € 5.000,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.V.T. de Bie en mr. M.C. Braak, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733