Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-05-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2787

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep waarin vader verzoekt de uithuisplaatsing van de kinderen niet in een gezinshuis op geheim adres te laten plaatsvinden, maar als netwerkplaatsing bij oma vaderszijde. Het hof wijst dat af. Het overweegt dat het in beginsel niet aan de rechter is om de GI op te dragen binnen welke setting de uithuisplaatsing wordt gerealiseerd; slechts bij bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. Daarnaast bestaan inhoudelijke bedenkingen bij plaatsing bij oma en is eerst nader onderzoek nodig.

Datum publicatie18-05-2026
Zaaknummer200.365.808
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vader wil dat de uithuisplaatsing van de kinderen niet is in een gezinshuis op een geheim adres, maar bij zijn moeder. Het hof wijst dat af en overweegt dat het in principe niet aan de rechter is om aan de gecertificeerde instelling op te dragen binnen welke setting de uitplaatsing van de minderjarigen wordt gerealiseerd en dat een netwerkplaatsing inmiddels niet langer het mindere is van een gezinshuisplaatsing.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.365.808

zaaknummer rechtbank Gelderland 459706

beschikking van 7 mei 2026

over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

in de zaak van

[verzoeker] (de vader)

die verblijft in [verblijfplaats]

advocaat: mr. M.H.A. Dibbits

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming (de raad)

die is gevestigd in Arnhem

als overige belanghebbenden merkt het hof aan:

het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (het LET)

uitvoerend voor de gecertificeerde instelling

Jeugdbescherming Gelderland (de GI)

en

[belanghebbende1] (de moeder)

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. E.J. Coxon

1Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft de beide kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte instelling (gezinshuis). Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn de ouders van de hiervoor genoemde [de minderjarige1] (geboren [in] 2018) en [de minderjarige2] (geboren [in] 2020).

2.2.

De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] . Alleen de moeder heeft het gezag over [de minderjarige2] .

2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 september 2025 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en heeft een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg tot 10 oktober 2025. Het verzoek tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden. Bij beschikking van 26 september 2025 heeft de kinderrechter de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 12 december 2025. De kinderen staan onder toezicht van de GI, wat wordt uitgevoerd door het LET.

3De procedure bij de kinderrechter

3.1.

De raad heeft de kinderrechter op 25 november 2025 verzocht de kinderen voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van die ondertoezichtstelling in een gezinsgerichte voorziening.

3.2.

De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen, in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 5 december 2025 tot 5 december 2026 onder toezicht zijn gesteld van de GI en heeft met ingang van diezelfde datum tot 5 augustus 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis). Iedere verdere beslissing over de (resterende verzochte duur van de) uithuisplaatsing is aangehouden tot een nog nader te bepalen zitting in juli 2026. Daarbij is bepaald dat het LET uiterlijk twee weken voor die nog te bepalen zitting de kinderrechter, de (advocaat van) moeder, de vader en de raad schriftelijk informeert over de stand van zaken en de resultaten van een onderzoek door het LET dan wel de raad. Verder heeft de kinderrechter bepaald dat de raad uiterlijk een week voor de nog te bepalen zitting de kinderrechter, de (advocaat van) moeder, de vader en het LET schriftelijk informeert of en in hoeverre de raad het resterende verzoek (ten aanzien van de uithuisplaatsing) handhaaft.

3.3.

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 5 december 2025, die hierna ook wordt aangeduid als ‘de bestreden beschikking’.

4De procedure bij het hof

4.1.

De vader is het niet geheel eens met de beslissing van de kinderrechter van 5 december 2025 en komt daarvan in hoger beroep. Hij verzet zich niet tegen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing als zodanig, maar wil dat de kinderen bij zijn moeder (oma vaderszijde) worden geplaatst in plaats van in een gezinshuis.

4.2.

De moeder is eens met het verzoek van de vader en verzoekt het hof om diens verzoek toe te wijzen.

4.3.

De raad en het LET willen dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.

4.4.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift van de vader op 5 maart 2026 met productie 1 en bijlages A tot en met F

  • het verweerschrift van de moeder met een bijlage

  • de brief van de raad van 17 maart 2026 waarin de raad mededeelt op de zitting mondeling verweer te zullen voeren

  • een journaalbericht van mr. Dibbits van 20 maart 2026 met bijlage G en productie 2

  • een journaalbericht van mr. Dibbits van 3 april 2026 met bijlage B (proces-verbaal)

  • een journaalbericht van mr. Dibbits van 9 april 2026 met een brief

4.5.

De zitting bij het hof was op 10 april 2026. Aanwezig waren:

  • de vader met zijn advocaat

  • twee vertegenwoordigers van de raad voor de kinderbescherming (de raad)

  • twee vertegenwoordigers van het LET

  • de moeder met haar advocaat

  • tijdens de zitting is met toestemming van alle aanwezigen de moeder van de vader toegelaten.

5Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?

5.1.

De kinderrechter kan een machtiging geven om de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen 1. De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken 2.

Hoe oordeelt het hof?

5.2.

Het verzoek van de vader strekt er enkel toe om de kinderen niet in een gezinshuis te plaatsen, maar bij zijn moeder. Dat heet een netwerkplaatsing. Dat werpt de vraag op of het hof daar over kan oordelen. De raad heeft immers verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening te verlenen, niet om een pleeggezinplaatsing/netwerkplaatsing. Namens de vader is ter zitting gewezen op twee uitspraken van dit hof, waaruit zou volgen dat de rechter kan beslissen over enkel de plaatsing als de uithuisplaatsing op zichzelf niet wordt bestreden.

5.3.

Het hof overweegt dat de wet hierover geen specifieke bepaling bevat. Uit de rechtspraak komt een beeld naar voren dat de rechter wel enige speelruime heeft, maar wel is gebonden aan het verzoek. Zo lijkt er ruimte te zijn om bijvoorbeeld een machtiging in een voorziening voor pleegzorg te beperken tot een specifiek pleeggezin, maar meer in het algemeen geldt dat het in principe niet de taak van de rechter is om aan de gecertificeerde instelling op te dragen binnen welke setting de uithuisplaatsing van de minderjarige wordt gerealiseerd, behoudens mogelijk bijzondere omstandigheden. Ten aanzien van de aangehaalde jurisprudentie overweegt het hof dat sinds 2025 binnen de rechtspraak geldt dat de netwerkplaatsing het mindere is van de pleegzorgplaatsing en niet meer van de gezinshuisplaatsing.

5.4

Gelet op het vorenstaande zal het hof niet bepalen dat de kinderen ergens anders moeten worden geplaatst dan door de raad is verzocht. Zelfs al zou het hof daarover wel zou hebben kunnen oordelen, dan zou het verzoek ook niet zijn toegewezen. Zo zijn er van de zijde van de raad en het LET bedenkingen bij plaatsing van de kinderen bij oma vaderszijde. Hoewel de kinderen een heel goede band met oma hebben, hebben de raad en het LET hun twijfels over de weerstand die oma kan bieden tegen haar zoon, zeker als hij weer op vrije voeten is. Er hebben diverse incidenten plaatsgevonden tussen de vader en zijn moeder, waarbij de vader zijn moeder onder meer heeft bedreigd met een gaspistool. Voordat een plaatsing bij oma kan worden overwogen, zal er eerst onderzoek moeten worden gedaan, waarbij met name zal moeten worden gekeken naar de weerstand die oma haar zoon kan bieden. Bovendien woont oma in [land1] , wat complicerend werkt ten aanzien van al dan niet grensoverschrijdende bevoegdheden van het LET en de raad.

5.5

Door de moeder is nog aangevoerd dat volgens haar informatie [de minderjarige2] niet naar school gaat. Het LET heeft als reactie daarop verklaard dat de administratie van de leerplichtambtenaar – waar moeder haar informatie vandaan heeft – nog niet geheel op orde is wat waarschijnlijk zijn oorzaak heeft in het feit dat de kinderen op een geheime locatie verblijven. Het LET heeft ter zitting benadrukt dat beide kinderen naar school gaan. Verder heeft de moeder een foto overgelegd waarop het lijkt alsof [de minderjarige2] een rode plek bij zijn oog heeft. Volgens de ouders worden de kinderen in het gezinshuis mishandeld. Het al dan niet terechte signaal van de moeder is onder de aandacht van de raad en het LET.

Proceskosten

5.6

Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten). Het gaat hier om een familierechtelijke aangelegenheid, waarin de hoofdregel is dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Er zijn geen omstandigheden gebleken of gesteld om van die hoofdregel af te wijken.

6De beslissing

Het hof:

6.1.

wijst het verzoek van de vader af;

6.2.

compenseert de proceskosten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, S. Kuijpers en

C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733