Essentie (gemaakt door AI)
Beschikking waarin, na zorgmeldingen, ziekenhuisopname en bekentenissen van moeder, ernstige en stelselmatige mishandeling en verwaarlozing van kind 2 worden aangenomen. Ter waarborging van veiligheid, waarheidsvinding en medische/forensische besluitvorming wordt het gezag van beide ouders over kind 2 en van moeder over kind 1 geschorst, en wordt GI met voorlopige voogdij over kind 2 belast. De rechter acht ingrijpende maatregelen noodzakelijk en proportioneel gelet op het ontbreken van beschermende factoren en de ernst van het letsel.| Datum publicatie | 13-05-2026 |
| Zaaknummer | C/18/256321 / FA RK 26-3081 en C/18/256269 / JE RK 26-853 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Groningen |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Gezagsbeëindigende maatregel 1:266 BW/schorsing gezag |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Spoedmaatregelen bij aanwijzingen van zeer ernstige, georganiseerde, kindermishandeling. De combinatie van (i) de aanwijzingen dat door de moeder gedurende langere tijd stelselmatig ernstig geweld tegen haar eigen kind is gebruikt, (ii) de aanwijzingen dat haar kind als gevolg van dit geweld ingrijpende, levensbedreigende, schade heeft geleden, en (iii) het ontbreken van enige zichtbare beschermende factoren in het netwerk, maakt dat ingrijpende kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen, waarbij schorsing van het gezag mede noodzakelijk is om zonder belemmering en zonder vertraging alle voor de minderjarige noodzakelijke beslissingen te kunnen nemen, waaronder het (doen) verrichten van aanvullend forensisch medisch onderzoek, diagnostiek en behandeling.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Groningen
Zaaknummers: C/18/256321 / FA RK 26-3081 en C/18/256269 / JE RK 26-853
Beschikking van 13 mei 2026 over de schorsing van het gezag en de voorlopige voogdij
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Noord Nederland, locatie Groningen,
die hierna 'de Raad' wordt genoemd,
over
[kind 1] ,
die is geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
en die hierna ' [kind 1] ' wordt genoemd,
[kind 2] ,
die is geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
en die hierna ' [kind 2] ' wordt genoemd.
De rechtbank wijst als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna 'de moeder' wordt genoemd,
advocaat: mr. K.B. Spoelstra, die kantoor houdt in Groningen,
[de vader] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna 'de vader' wordt genoemd,
advocaat: mr. O.M.M. Philips, die kantoor houdt in Groningen,
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
die is gevestigd in Amsterdam,
en die hierna 'de GI' wordt genoemd.
1Het (verdere) verloop van de procedure
Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van deze rechtbank van 4 mei 2026;
-
de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2026.
Op 11 mei 2026 heeft de (kinder)rechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de ouders, hun advocaten, [namen vertegenwoordigers] , die de Raad vertegenwoordigen, en [namen vertegenwoordigers] , die de GI vertegenwoordigen.
Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.
2De feiten
De (kinder)rechter stelt op grond van wat tijdens de mondelinge behandeling op 11 mei 2026 door de moeder aan de (kinder)rechter is verteld, nadere feiten vast, in aanvulling op de in de tussenbeschikkingen van 4 en 7 mei 2026 vastgestelde feiten.
Op 5 februari 2025 is bij Veilig Thuis Groningen (VTG) een anonieme melding binnengekomen over de woonsituatie bij de vader en [kind 1] . Op 3 maart 2025 is wederom een melding gedaan naar aanleiding van een incident met fysieke agressie tussen de vader en [kind 1] , alsmede een melding van de zedenpolitie over seksueel misbruik van [kind 1] door zijn (ex-)stiefmoeder.
In maart 2025 heeft de moeder het contact tussen [kind 2] en de vader stopgezet vanwege door haar geuite zorgen over de vader: de moeder beschuldigde de vader van misbruik van [kind 2] . Sindsdien heeft [kind 2] nagenoeg geen contact meer gehad met de vader. De moeder heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling op 11 mei 2026 verklaard dat die beschuldigingen onjuist waren en uitsluitend zijn gedaan in opdracht van haar vriendin [voorletter vriendin] ., die niet meer wilde dat [kind 2] nog contact had met de vader.
In de loop van 2025 zijn door de basisschool van [kind 2] zorgen geuit over haar lichamelijke toestand en welzijn. De school observeerde dat [kind 2] vaak vermoeid en koud was, weinig energie had, niet tot spelen kwam en regelmatig aangaf honger te hebben, waarvoor school aanvullend eten verstrekte. Tevens werd gerapporteerd dat [kind 2] minder praatte en soms tijdens schooltijd in slaap viel, in tegenstelling tot het voorgaande schooljaar.
De moeder heeft met [kind 2] herhaaldelijk de huisarts bezocht, onder meer wegens een blaasontsteking, huidproblemen, zogeheten “wintervoeten”, algehele malaise en overige moeilijk te duiden klachten. Ondanks deze medische consulten bleven de zorgen bij school bestaan.
In november 2025 heeft de school een melding bij VTG gedaan, omdat [kind 2] met een snee in haar hoofd op school verscheen en verklaarde dat zij door haar moeder met een bezemsteel op haar hoofd was geslagen.
In december 2025 heeft vriendin [voorletter vriendin] . aan de hulpverlening gemeld dat het slecht ging met de moeder en dat de moeder verdovende middelen gebruikte. Over een daarop volgend huisbezoek heeft de hulpverlening gerapporteerd dat sprake was van achterstallig onderhoud in de woning van de moeder en dat haar tuin vol rommel stond. De hulpverlening noteerde daarbij ook dat de moeder in huis en in aanwezigheid van [kind 2] rookte. Vanuit VTG is eerder benoemd dat de moeder met [kind 2] in een vervuilde woning leefde.
Op 6 februari 2026 heeft de school opnieuw contact opgenomen met de huisarts (of de moeder verzocht dit te doen), omdat [kind 2] op school heftig had gebraakt. De huisarts stelde daarbij geen acute ernstige somatische afwijkingen vast. De moeder herkende de door school geschetste ernst van de zorgen niet.
Op 7 februari 2026 heeft de moeder in de avond de ambulance gebeld, omdat [kind 2] bleef overgeven en haar bewustzijn verloor. De ambulance trof [kind 2] aan in een vervuilde woning en heeft een melding bij VTG gedaan. [kind 2] werd opgenomen in het ziekenhuis, waar artsen haar toestand omschreven als ernstig ziek, onverzorgd, ondervoed en uitgedroogd. Zij werd op de intensive care opgenomen, beademd en in kunstmatige coma gebracht in verband met respiratoire en circulatoire insufficiëntie en een diepe septische shock. De medische stukken vermelden onder meer ondervoeding, cardiorespiratoire insufficiëntie en biochemische ontregeling.
Aansluitend op de ziekenhuisopname is, in het vrijwillig kader, een ouderkindopname van de moeder en [kind 2] in een ouderkindhuis gerealiseerd. Dit verblijf was gericht op intensieve begeleiding en ouderschapsdiagnostiek, mede met het oog op het opgroeiperspectief van [kind 2] .
In dezelfde periode heeft VTG meerdere forse meldingen over beide kinderen ontvangen. Deze meldingen zagen onder andere op zorgen omtrent zeden, middelengebruik, hygiëne, de mate van toezicht, het pedagogisch klimaat, justitieel contact en onduidelijkheden over de fysieke gezondheid van [kind 2] . Conclusie was dat met spoed hulpverlening nodig was in beide thuissituaties. De opgestelde veiligheidsvoorwaarden werden overgedragen aan het Centrum voor Jeugd en Gezin van de gemeente.
Op 16 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in een procedure tussen de ouders van [kind 1] en [kind 2] over de verdeling van de zorg en opvoedingstaken. Tijdens de mondelinge behandeling zijn ernstige zorgen opgekomen over de ontwikkeling en het welzijn van [kind 1] en [kind 2] . De Raad heeft daarom tijdens die zitting om een voorlopige ondertoezichtstelling van beide kinderen verzocht. De kinderrechter heeft dit verzoek ter zitting toegewezen en [kind 1] en [kind 2] per direct voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. In de beschikking is onder meer overwogen dat er langdurig sprake is van ernstige zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van beide kinderen en dat onmiddellijke regie op de hulpverlening noodzakelijk wordt geacht.
Tijdens het traject in het ouderkindhuis heeft het team geobserveerd dat de door VTG en andere instanties geschetste zorgen over de leefomgeving en het ouderschap van de moeder werden bevestigd. Bij een huisbezoek aan de woning van de moeder werd een mate van vervuiling aangetroffen die de eerder gebruikte kwalificatie “achterstallig onderhoud” naar het oordeel van het team oversteeg. Op de locatie bleek dat de moeder in belangrijke mate afhankelijk was van opvoedondersteuners voor de dagelijkse en medische zorg aan [kind 2] en dat zij veelvuldig contact onderhield met haar vriendin [voorletter vriendin] ., terwijl haar aandacht voor [kind 2] beperkt was.
In april 2026 is [kind 2] opnieuw, gedurende vier nachten, in het ziekenhuis opgenomen vanwege moeilijk te verklaren medische klachten. In dezelfde periode werd geconstateerd dat [kind 2] ernstige gebitsproblemen heeft (meerdere cariëslaesies), ontlastingsproblemen ondervindt, wonden op haar billen heeft en een luier draagt. De huisarts heeft de ontlastingsproblemen geduid als psychisch bepaald. In het ouder-kind-huis weigerde [kind 2] zich door haar moeder te laten verzorgen en vroeg zij expliciet aan de opvoedondersteuners om haar te verzorgen. Zij uitte ambivalente gevoelens ten opzichte van de moeder en gaf aan voor altijd in het ouderkindhuis te willen blijven wonen, waarbij zij verschillende opvoedondersteuners vroeg of zij haar “mama” wilden zijn.
In de loop van het traject bij het ouder-kind-huis werd door de medewerkers geconstateerd dat vriendin [voorletter vriendin] . aanzienlijke invloed op de moeder uitoefende, haar opdrachten gaf en haar onder druk zette, onder andere om video en geluidsopnames te maken. Vriendin [voorletter vriendin] . heeft vervolgens (via het emailadres van de moeder) meerdere foto’s en filmpjes van [kind 2] en van medewerkers van het ouderkindhuis aan het ouder-kind-huis toegezonden, gepaard gaande met dreigende uitlatingen over het “opentrekken van een beerput” als de moeder het contact verbrak.
Op of omstreeks 30 april 2026 heeft de moeder tegenover medewerkers van het ouder-kind-huis verklaard dat sprake is geweest van ernstige kindermishandeling van [kind 2] . De moeder heeft aan de (kinder)rechter verteld dat zij is gaan praten over wat er met [kind 2] is gebeurd, omdat het haar duidelijk werd dat er video- en geluidopnames van de mishandeling beschikbaar kwamen en dat zij "er niet alleen voor wilde opdraaien". De verklaringen over wat er met [kind 2] is gebeurd, heeft zij vervolgens ook tegenover de (kinder)rechter afgelegd. Volgens de moeder heeft [kind 2] gedurende langere tijd stelselmatig fysiek en psychisch geweld ondergaan, waarbij vriendin [voorletter vriendin] . een centrale en aansturende rol zou hebben gespeeld.
De moeder heeft aan de (kinder)rechter verteld dat [kind 2] door haar en/of onder toezicht van vriendin [voorletter vriendin] . werd opgesloten in een kelder en daar met kabelbinders aan leidingen werd vastgemaakt. Aanvankelijk zou dit met één arm zijn gebeurd, later met beide armen, waarbij de buis zich volgens de moeder op zodanige hoogte bevond dat [kind 2] niet kon zitten. Daarnaast heeft de moeder aan de (kinder)rechter verteld dat [kind 2] regelmatig werd geslagen en geschopt en dat daarbij ook voorwerpen werden gebruikt, waaronder een bezemsteel. Volgens haar is [kind 2] daarbij ook tegen het hoofd geslagen, waardoor bloedingen ontstonden.
Verder heeft de moeder aan de (kinder)rechter verteld dat [kind 2] als straf eten werd onthouden en op vernederende wijze werd behandeld. Zo zou [kind 2] meerdere borden Brinta hebben moeten eten voorafgaand aan een kerstdiner op school, uit angst dat zij tijdens dat diner vanwege haar ondervoeding zou gaan “bunkeren”. Toen [kind 2] daarvan moest overgeven, heeft zij van de moeder en/of onder druk van vriendin [voorletter vriendin] . haar braaksel van de grond hebben moeten opeten. De moeder heeft aan de (kinder)rechter verteld dat [kind 2] daarna, zonder zich te mogen verschonen, naar het kerstdiner is gegaan. Ook zou [kind 2] geregeld voor straf langdurig onder een koude douche hebben moeten staan, soms naakt en soms met kleding aan. Volgens de moeder gebeurde dit soms zo lang dat zij zich daar zorgen over maakte. Zij heeft aan de (kinder)rechter verteld dat dit ook is gebeurd voorafgaand aan [kind 2] ’s ziekenhuisopname en dat zij op dat moment dacht dat [kind 2] dood zou gaan.
De moeder heeft tegenover de hulpverlening en de (kinder)rechter erkend dat deze gedragingen naar haar eigen oordeel moeten worden aangemerkt als kindermishandeling. Zij heeft verklaard dat zij hulp had willen zoeken, maar dit niet durfde omdat zij zich ernstig bedreigd en onder druk gezet voelde door vriendin [voorletter vriendin] . Volgens de moeder bepaalde vriendin [voorletter vriendin] . in belangrijke mate wat er met [kind 2] gebeurde en werd zij gedwongen aan de mishandelingen mee te werken. Ook zou zij onder druk zijn gezet om beeldmateriaal van de mishandelingen te maken.
Tegelijkertijd heeft de moeder verteld dat zij zich niet volledig aan de invloed van vriendin [voorletter vriendin] . kon onttrekken en dat zij [kind 2] onvoldoende heeft kunnen beschermen. De moeder heeft ook verteld dat zij dat in bepaalde situaties wel heeft geprobeerd. In dat verband heeft zij voorbeelden genoemd van situaties waarin zij opdrachten van vriendin [voorletter vriendin] . niet of slechts gedeeltelijk uitvoerde. Zo heeft zij verklaard dat zij heeft geweigerd een oor van [kind 2] af te knippen, nadat vriendin [voorletter vriendin] . dat zou hebben opgedragen omdat [kind 2] volgens haar “flaporen” had zoals haar vader. Ook heeft de moeder verklaard dat zij weigerde de vingers van [kind 2] te breken toen zij daartoe opdracht kreeg.
Volgens de moeder hadden dergelijke weigeringen voor haarzelf “consequenties”. Zij heeft verklaard dat zij zichzelf dan pijn moest doen, bijvoorbeeld door haar eigen haar af te branden, hetgeen zij naar eigen zeggen ook daadwerkelijk heeft gedaan. Daarnaast zou zij opdrachten hebben gekregen om vernielingen te plegen, waaronder het lek steken van autobanden van de vader, wat volgens haar eveneens is gebeurd.
Als verzachtende omstandigheid heeft de moeder verklaard dat zij [kind 2] , wanneer zij daartoe gelegenheid zag, heimelijk eten gaf vanwege haar ondervoede toestand.
Gelet op de ernst en aard van de uitingen van de moeder, de omvang en duur van de eerder geschetste zorgen, de medische voorgeschiedenis van [kind 2] en de geobserveerde opvoedsituatie, is door de betrokken hulpverleners een spoedrapportage opgesteld ten behoeve van overdracht aan de daartoe bevoegde instanties, waaronder de (kinder)rechter en de politie.
Op 4 en 7 mei 2026 zijn met spoed kinderbeschermingsmaatregelen genomen die ertoe hebben geleid dat [kind 2] uit huis kon worden geplaatst en uiteindelijk ook dat het gezag van beide ouders over [kind 2] en van de moeder over [kind 1] is geschorst.
3De beoordeling
De kinderrechter overweegt in aanvulling op wat is overwogen in de tussenbeschikkingen van 4 en 7 mei 2026, als volgt.
Uit de overgelegde stukken en verklaringen volgt dat [kind 2] gedurende langere tijd heeft verkeerd in een toestand van ernstige ondervoeding, uitdroging en lichamelijke verwaarlozing, mede door het structureel onthouden van voldoende en passende voeding en vocht, en door langdurige opsluiting in een kelder met beperkte toegang tot basiszorg. [kind 2] is daarnaast blootgesteld geweest aan mensonterende voedings‑ en strafpraktijken, waaronder het gedwongen opeten van grote hoeveelheden voedsel, het (opnieuw) moeten opeten van braaksel en het ondergaan van koude douches, waardoor haar reeds verzwakte lichaam extra is belast.
In deze context is [kind 2] uiteindelijk in het ziekenhuis opgenomen met wat wel een "acute buik" wordt genoemd, een septische shock en een ernstige biochemische ontregeling, waarvoor door de behandelend artsen een darmperforatie dan wel een vergelijkbare buikcatastrofe als diagnose is overwogen, zonder dat bij operatie een duidelijke bron is gevonden. De (kinder)rechter stelt vast dat een sluitende medische diagnose in de stukken vooralsnog ontbreekt.
Gegeven de hiervoor geschetste langdurige en ernstige ondervoeding, uitdroging en lichamelijke verwaarlozing, in combinatie met de extreme en belastende eet‑ en strafpraktijken, acht de (kinder)rechter het evenwel zeer aannemelijk dat de door de artsen geconstateerde ernstige lichamelijke ontregeling, inclusief de
"acute buik" en de vermoedelijke darmperforatie, in belangrijke mate het gevolg is van dit patroon van mishandeling en verwaarlozing. Het gevonden klinische beeld past bij ernstige schade door chronische ondervoeding en lichamelijke uitputting in combinatie met een acute ontregeling van buik en circulatie. Dat vindt ook zijn bevestiging in wat de moeder aan de (kinder)rechter heeft verteld over wat er aan de ziekenhuisopname vooraf is gegaan.
De (kinder)rechter komt op grond hiervan tot het oordeel dat bij [kind 2] sprake is van een zeer ernstige en langdurige ontwikkelingsbedreiging, die haar lichamelijke integriteit en gezondheid rechtstreeks in gevaar heeft gebracht. Deze ontwikkelingsbedreiging is naar het oordeel van de (kinder)rechter zodanig ernstig en structureel, en de aan [kind 2] toegebrachte schade zodanig ingrijpend, dat ingrijpende kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn om [kind 2] nu en in de toekomst te beschermen tegen hernieuwd gevaar.
Gelet op de ernst van de mishandeling, de noodzaak om de feitelijke toedracht nader te laten onderzoeken en de omstandigheid dat de ouders in het recente verleden niet in staat zijn gebleken de veiligheid van [kind 2] te waarborgen, acht de (kinder)rechter het op dit moment nog noodzakelijk en proportioneel dat het gezag van de ouders over [kind 2] wordt geschorst.
Deze schorsing van het gezag is ook vereist om te borgen dat de GI en de medisch‑forensische deskundigen zonder belemmering en zonder vertraging alle voor [kind 2] noodzakelijke beslissingen kunnen nemen, waaronder het (doen) verrichten van aanvullend forensisch medisch onderzoek, diagnostiek en behandeling. Alleen indien de beslissingsbevoegdheid tijdelijk bij de GI wordt gelegd, kan worden voorkomen dat toestemming van de ouder(s) wordt onthouden of vertraagd, en kan de veiligheid van [kind 2] , alsmede de waarheidsvinding omtrent de aard en omvang van het haar toegebrachte letsel, in voldoende mate worden gewaarborgd.
Ten aanzien van de vader moet worden overwogen dat de beslissing om ook zijn gezag te schorsen vooral wordt ingegeven door het risico dat de vader wordt overvraagd bij het nemen van gezagsbeslissingen, gelet op de ernst van de feiten en verdenkingen.
Het behoeft geen nadere toelichting dat onder de hiervoor uiteengezette omstandigheden de moeder op dit moment ook geen gezag kan uitoefenen over [kind 1] . De (kinder)rechter schorst daarom ook het gezag van de moeder over [kind 1] .
Over het verdere verloop van de procedure(s) geeft de (kinder)rechter de navolgende informatie:
Ten aanzien van [kind 2]
-
De schorsing van beide ouders in het gezag leidt tot een voorlopige voogdijmaatregel die maximaal drie maanden kan duren. De schorsing is ingegaan op 7 mei 2026 en eindigt daarom, voor zover die niet eerder door de (kinder)rechter wordt beëindigd, op 7 augustus 2026. Wanneer de Raad meent dat de schorsing langer moet duren, dient hij voor 7 augustus 2026 een definitieve voorziening in het gezag te verzoeken.
-
Wanneer dat verzoek niet wordt gedaan en de (kinder)rechter de schorsing niet eerder beëindigt, eindigt de schorsing van rechtswege op 7 augustus 2026. Als ook nadien kinderbeschermingsmaatregelen moeten worden genomen, dient voor die tijd de definitieve ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing te worden verzocht.
Ten aanzien van [kind 1]
-
De schorsing van de moeder in het gezag betekent dat de vader op dit moment alleen het gezag over [kind 1] uitoefent. De uitoefening van zijn gezag wordt beperkt door de voorlopige ondertoezichtstelling van [kind 1] , die eindigt op 16 juni 2026.
-
Wanneer ook na 16 juni 2026 een kinderbeschermingsmaatregel nodig is, dient voor het einde van deze termijn een daarop gericht verzoek te worden gedaan.
Ten aanzien van de volgende mondelinge behandeling
- Tijdens de mondelinge behandeling op 11 mei 2026 is besproken dat nog veel onduidelijk is, er nader onderzoek moet worden gedaan naar wat de kinderen nu precies is overkomen en er bovendien ook een strafrechtelijk onderzoek loopt. Beide ouders zijn het ook niet volledig eens met wat in de tot zover beschreven stukken wordt gezegd over hun rol en in het bijzonder hun medewerking aan de onderzoeken die worden gedaan of nog zullen worden gedaan. Daarom is afgesproken dat de (kinder)rechter regie blijft voeren op de te nemen maatregelen. Er is een nieuwe datum en tijd gepland voor een volgende mondelinge behandeling.
4De beslissing
De (kinder)rechter:
schorst de moeder in het gezag over [kind 1] en beide ouders in het gezag over [kind 2] ;
bepaalt dat de schorsing voor zover die niet eerder door de (kinder)rechter wordt beëindigd, ook na 7 augustus 2026 doorloopt, wanneer voor die datum bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend. De schorsing loopt dan door totdat op dit verzoek tot beëindiging van het gezag is beslist;
belast de GI met de voorlopige voogdij over [kind 2] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Bernard, griffier.
Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
