Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-04-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1128

Essentie (gemaakt door AI)

Schenkbelasting over €500.000 geschonken door zoons aan vriendin van erflater. In geschil is of vrijstelling geldt wegens voldoening aan een natuurlijke verbintenis art. 1, lid 7, SW en art. 33, aanhef en onder 12°, SW jo. art. 6:3 BW. Hof oordeelt dat geen natuurlijke verbintenis van erflater aannemelijk is en dat geen verplichting op zoons rust of vererft. Zoons ervaren zelf geen dringende morele verplichting; subjectieve kwalificatie in VSO is niet beslissend. Aanslagen blijven in stand.

Datum publicatie12-05-2026
Zaaknummer24/17 en 24/18
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:8170, Bekrachtiging/bevestiging
RechtsgebiedenBestuursrecht; Belastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht; Schenkbelasting/erfbelasting
WetsverwijzingenSuccessiewet 1956 1

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Art. 1, lid 7, SW. Art. 33, aanhef en onder 12°, SW. Art. 6:3 BW. Schenking door zoons na overlijden vader aan vriendin van vader. Geen natuurlijke verbintenis van vader. Niet aannemelijk is dat vader inzake het nakomen van een natuurlijke verbintenis iets van zijn zoons verlangd zou hebben. Geen natuurlijke verbintenis van de zoons. Zij ervaren zelf geen dringende morele verplichting jegens de vriendin. Geen vrijgestelde schenking ex artikel 33, aanhef en onder 12e, SW.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 24/17 en 24/18

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend te [plaats 1] (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 november 2023, nummers BRE 21/5020 en BRE 21/5021 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Naar aanleiding van een namens belanghebbende ingediende aangifte heeft de inspecteur aan belanghebbende met dagtekening 17 december 2020 twee aanslagen schenkbelasting opgelegd ter zake van een tweetal verkrijgingen krachtens schenking op 20 juni 2019.

1.2.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 14 oktober 2021 ongegrond verklaard.

1.3.

De daartegen ingestelde beroepen heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank 9 januari 2024 hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het hof heeft 25 februari 2026 een nader stuk ontvangen van belanghebbende.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede haar gemachtigde [gemachtigde 1] ., tot bijstand vergezeld van [naam 1] en [naam 2] . Namens de inspecteur zijn verschenen en gehoord [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Daarnaast zijn, met toestemming van belanghebbende, drie collega’s van de inspecteur aanwezig in het kader van het volgen van een opleiding.

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“3. Belanghebbende woont in België. Zij heeft een (LAT)relatie gehad met wijlen de

heer [naam 3] , overleden op [datum] 2019 (de overledene).

Belanghebbende en de overledene hebben niet samengewoond.

3.1.

[zoon 1] en [zoon 2] zijn de enige erfgenamen

van de overledene (de zoons).

3.2.

Op 20 juni 2019 heeft belanghebbende met de zoons een

vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin zijn onder meer de volgende bepalingen

opgenomen:

" In aanmerking nemende

(…)

• Dat erflater [rechtbank: de overledene] ten tijde van zijn overlijden reeds gedurende anderhalf jaar een publiek bekende relatie had met verkrijger [rechtbank: belanghebbende].

• Dat [de overledene] voornemens was om bij overlijden op enigerlei wijze in de

verzorging van [belanghebbende] te voorzien, waarbij gedachten uitgingen naar

verzorging in de vorm van huisvesting voor [belanghebbende] en haar kinderen en

maar de voorziening in haar levensonderhoud.

• Dat [de overledene] door zijn overlijden vermelde wens echter niet (in zijn

testament) heeft kunnen concretiseren;

• Dat de geuite voornemens noch maar Belgisch, noch naar Zwitsers recht kunnen

worden aangemerkt als een rechtsgeldige uiterste wilsbeschikking;

• Dat op zoons derhalve juridisch gezien geen enkele verplichting rust uit dien

hoofde;

• Dat zoons desalniettemin in zekere mate gevolg willen geven aan de wensen van [de overledene],

• Dat partijen van mening zijn dat op de zoons een dringende morele verplichting

rust van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon niet afdwingbaar, naar

maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan [belanghebbende]

toekomende prestatie (natuurlijke verbintenis) moet worden aangemerkt.

• ( ... )

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I

Op grond van de op hen rustende dringende morele verplichting zullen de zoons aan

[belanghebbende] doen toekomen een bedrag groot EUR 500.000 (...) welk bedrag

[belanghebbende] bij dezen aanvaardt."

3.3.

Belanghebbende heeft inzake haar verkrijging twee aangiften schenkbelasting

ingediend met elk een bedrag van € 250.000. In deze aangiften heeft belanghebbende een

beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 33, aanhef en onder 12, van de Successiewet

1956 (SW).

3.4.

De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslagen schenkbelasting de

vrijstelling waar belanghebbende een beroep op doet, niet toegepast.

3.5.

Belanghebbende heeft een met de hand geschreven en niet ondertekend stuk

overgelegd, waaruit de volgende tekst is te destilleren:

'Wilsverklaring. [plaats 2] 17 januari 2019 Van [naam 3] . Als ik ben overleden dan schenk ik aan [belanghebbende] Het huis [holding] door overdracht vd aandelen aan haar en bij aanschaf andere auto een bedrag van 45000 Euro 3-5 jaar. 11000 Euro per maand [belanghebbende] '.”

2.2.

Het hof gaat van dezelfde feiten uit aangezien deze niet in geschil zijn tussen partijen.

3Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Evenals voor de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen ten onrechte de vrijstelling op grond van artikel 33, aanhef en onder 12, van de SW niet heeft toegepast. Meer specifiek is in geschil of de beide aan de aanslagen ten grondslag liggende schenkingen zijn vrijgesteld van schenkbelasting omdat deze hebben gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 6:3 Burgerlijk Wetboek (hierna BW).

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen tot nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4Gronden

Standpunten belanghebbende

4.1.1.

Primair heeft belanghebbende gesteld dat er een dringende morele verplichting tijdens het leven van overledene jegens haar is ontstaan tot voorziening in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen. Aan deze natuurlijke verbintenis is door ieder van de beide zoons van overledene gevolg gegeven door aan belanghebbende de twee schenkingen te doen op grond van een tussen belanghebbende met de zoons tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst (zie 3.2 uitspraak rechtbank). Belanghebbende heeft daar – subsidiair – aan toegevoegd dat de beide verkrijgingen hun grond vinden in een dwingende morele verplichting van de beide zoons jegens haar. Daarbij heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat een natuurlijke verbintenis van de overledene kan vererven op zijn zoons.

4.1.2.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde behoefte en van haar relatie met de overledene, naast voormelde door de rechtbank geciteerde stukken, in hoger beroep afschriften van op haar naam gestelde belastingaanslagen van de Belgische Belastingdienst, bankrekeningen, en foto’s ingebracht als bijlagen bij het nader stuk van 25 februari 2026. Tevens is zijdens de belanghebbende een verklaring ingebracht van haar gemachtigde in bezwaar en eerste aanleg (tevens kantoorgenoot van de huidige gemachtigde), [kantoorgenoot] . Daarnaast heeft belanghebbende verklaringen ingebracht van de (vaste) chauffeur van overledene en van twee leden van zijn huispersoneel.

Voorts betwist belanghebbende onder verwijzing naar haar inkomen en bescheiden vermogen, dat, anders dan de inspecteur veronderstelt, de schenkingen nodig zouden zijn om een luxe levensstijl voort te zetten. Zij wijst in dat verband op haar bescheiden loon uit werkzaamheden, op ontvangen uitkeringen in verband met werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, en de omstandigheid dat zij de zorg had voor opgroeiende kinderen.

4.1.3.

Namens belanghebbende is voorts gesteld dat het te complex was en daardoor te veel tijd nam om het testament van overledene aan te passen, waardoor zij uiteindelijk geen erfgenaam of legataris is. Daarbij is erop gewezen dat een notaris in Zwitserland dan geïnformeerd zou moeten worden door een expert in het Belgische recht, omdat verschillende rechtsstelsels – althans zo begrijpt het hof belanghebbende – problemen zouden kunnen veroorzaken; overledene had de Belgische nationaliteit maar woonde in Zwitserland, en had daarnaast in vele andere landen bezittingen. Er was twee jaar gewerkt aan het uit 2017 daterende testament. Verder is gesteld dat de relatie tussen belanghebbende en de overledene (pas) halverwege die periode is ontstaan. Het is dan volgens belanghebbende niet ongewoon dat het even duurt voordat iemand besluit zijn nieuwe partner tot erfgenaam of legataris te benoemen in het testament.

4.1.4.

Ter zake van het handgeschreven niet ondertekende stuk van overledene waarin de verzorgingswens voor belanghebbende is geuit, heeft belanghebbende gesteld dat een dergelijke schriftelijk stuk niet vereist is om een natuurlijke verbintenis aan te nemen. Daarnaast stelt belanghebbende zich, in weerwoord op hetgeen de inspecteur heeft gesteld, op het standpunt dat het voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis niet vereist is dat sprake is van samenwoning of het gezamenlijk hebben van kinderen. Dat belanghebbende niet permanent bij overledene kon zijn had te maken met haar wens om ook bij haar studerende kinderen in [plaats 1] te zijn.

Standpunten inspecteur

4.2.1

De inspecteur heeft primair betwist dat indien al sprake zou zijn van een natuurlijke verbintenis van de overledene jegens belanghebbende zodat zij na zijn overlijden in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien, die verbintenis niet kan vererven. De schenkingen zijn door de zoons van overledene gedaan, en de inspecteur betwist dat er voor de zoons jegens belanghebbende een dwingende morele verplichting bestond tot nakoming van prestaties tot voorziening in belanghebbendes levensonderhoud. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 1982, ECLI:NL:HR: 1982:AC0908, blijkt volgens de inspecteur dat het bestaan van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld vanuit de zoons van de overledene.

4.2.2.

Belanghebbende heeft ook voor de rechtbank gesteld dat de dwingende morele verplichting is ontstaan vanwege de door haar uitzonderlijk verrichte prestatie. De inspecteur betwist echter dat sprake is geweest van een uitzonderlijke prestatie, en eerder sprake is van het omgekeerde: uit vrijgevigheid van overledene vielen belanghebbende gratis bewoning van een van zijn woningen ten deel en betalingen voor levensonderhoud van haarzelf en voor haar kinderen. Volgens de inspecteur mocht belanghebbende er niet van uitgaan dat haar luxueuze levensstijl met overledene werd voorgezet en dat zij daar recht op zou hebben na diens overlijden.

4.2.3.

De inspecteur heeft veel van belanghebbendes stellingen betwist dan wel daarbij vraagtekens geplaatst. Zo is volgens de inspecteur niet duidelijk geworden hoe vaak belanghebbende en de overledene bij elkaar waren: was dat wekelijks, maandelijks? Ook betwist de inspecteur dat belanghebbende niet in staat was in haar levensonderhoud te voorzien, dat zij dat althans niet aannemelijk heeft gemaakt.

Oordeel hof

4.3.1.

Artikel 1, lid 7, van de SW merkt voor de toepassing van die wet onder meer als schenking aan de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 6:3 BW. Artikel 33, aanhef en onder 12°, SW voorziet in een vrijstelling van schenkbelasting ter zake van een schenking die heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis. In artikel 6:3, tweede lid aanhef en onderdeel b BW is bepaald dat een natuurlijke verbintenis bestaat wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

4.3.2.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2931, NJ 2014/440, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“3.7. (…). De verwijzing naar de maatschappelijke opvattingen brengt mee dat de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, geen beslissende betekenis toekomt. Volgens vaste rechtspraak dient bij de beantwoording van de vraag of naar objectieve maatstaven sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, mede acht te worden geslagen op de omstandigheden ten tijde van het verrichten van de prestatie, waaronder de ‘wederzijdse welstand en behoefte van partijen.”

4.3.3.

Met inachtneming van hiervoor is overwogen onder 4.3.1 en 4.3.2 is het hof van oordeel dat de rechtbank met juistheid de bewijslast tussen partijen heeft verdeeld. Dit betekent dat het, gelet op de weerspreking van de inspecteur, aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat hetgeen zij heeft verkregen van de zoons van overledene, strekte tot voldoening van een natuurlijke verbintenis.

Verklaring [kantoorgenoot]

4.3.4.

Tot de gedingstukken behoort een geschift van de hand van [kantoorgenoot] dat in het kopje door hem is aangeduid als getuigenverklaring, en dat hij als gemachtigde in geding in eerste aanleg heeft ingebracht. Het Hof maakt uit die verklaring en uit andere gedingstukken alsmede uit verklaringen ter zitting van belanghebbende en de huidige gemachtigde op dat [kantoorgenoot] jarenlang adviseur en vertrouweling was van de overledene en hij in het voorliggend geding tot het hoger beroep tevens is opgetreden als gemachtigde van belanghebbende. Tevens heeft het hof uit die verklaringen begrepen dat [kantoorgenoot] betrokken is geweest bij de opstelling van de vaststellingsovereenkomst en de zoons daarbij van advies heeft gediend. Gegeven deze verhoudingen van [kantoorgenoot] tot de overledene, zijn zoons en belanghebbende, heeft het hof de verklaring van [kantoorgenoot] buiten beschouwing gelaten. [kantoorgenoot] is door de rechtbank noch door dit hof gehoord als getuige. Overigens zij vermeld dat [kantoorgenoot] ten tijde van deze procedure raadsheer-plaatsvervanger is bij dit hof.

Natuurlijke verbintenis overledene

4.3.5.

Met al hetgeen belanghebbende heeft gesteld en aangevoerd, acht het hof niet aannemelijk geworden dat de door haar verkregen schenkingen zijn gedaan ter nakoming aan een natuurlijke verbintenis vanwege een op overledene rustende dringende morele verplichting. Ook indien aan het handgeschreven – niet ondertekende – briefje de betekenis moet worden toegekend die belanghebbende eraan hecht, dan nog acht het hof het bestaan van een dringende morele verplichting van erflater die tot uitvoering is gekomen, niet aannemelijk geworden; hij heeft er immers zelf geen invulling aan gegeven, noch heeft hij zijn erfgenamen of andere daartoe aangezet. Wat dit laatste betreft is gesteld noch gebleken dat daartoe een opdracht bestond vanuit de nalatenschap. Het hof leest een dergelijke opdracht niet in het handgeschreven briefje, en merkt daarbij op dat het briefje, aldus de verklaring van de gemachtigde ter zitting van het hof, na gedegen onderzoek niet tot de uiterste wil van overledene kon worden gerekend en mitsdien geen betekenis heeft gehad voor de nalatenschap. Weliswaar heeft belanghebbende gesteld dat haar relatie met belanghebbende die tenminste anderhalf jaar lang heeft bestaan, een dringende morele verplichting deed ontstaan, maar gelet op de weerspreking door de inspecteur, acht het hof het ontstaan van die verplichting niet aannemelijk geworden.

Natuurlijke verbintenis zoons

4.3.6.

Als subsidiair standpunt, althans zo begrijpt het hof, acht belanghebbende sprake van het nakomen door de zoons van een op hen rustende dringende morele verplichting, al dan niet daarmee ook invulling gevend aan de wens van hun vader. In dat verband heeft belanghebbende nog gesteld van mening te zijn dat tussen de zoons van overledene en belanghebbende een natuurlijke verbintenis kan bestaan, doordat de natuurlijke verbintenis moreel gezien vererft. Voorts is belanghebbende van mening dat een zelfstandige natuurlijke verbintenis kan rusten op de erfgenamen jegens degene die een belangrijke rol heeft gespeeld in (een deel van) het leven van erflater. Belanghebbende meent dat de gemiddelde Nederlander zich gehouden zou voelen om een bijdrage te leveren aan het levensonderhoud van de LAT-relatie van zijn of haar overleden ouder, zodat op de zoons van overledene ook op die grond een natuurlijke verbintenis rust jegens haar.

4.3.7.

De inspecteur heeft weersproken dat op de zoons een dringende morele verplichting zou rusten die de verplichting met zich bracht jegens belanghebbende een natuurlijke verbintenis na te komen. Daarnaast betwist de inspecteur dat sprake zou zijn van het nakomen van een verplichting uit natuurlijke verbintenis doordat de zoons deze zouden hebben geërfd van de overledene. De inspecteur heeft daarbij gesteld dat in dit verband de

vraag moet worden beantwoord of de gemiddelde Nederlander naar objectieve

maatstaven van mening is dat overledene verplicht is tot de verzorging van belanghebbende, indien hij alle feiten en omstandigheden zou kennen. De verwijzing naar de

maatschappelijke opvattingen brengt mee dat de vraag of sprake is van een

natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, geen beslissende betekenis toekomt.

4.3.8.

Hiervoor onder 4.3.5 is overwogen dat niet aannemelijk is dat overledene inzake het nakomen van een natuurlijke verbintenis ook maar iets van zijn zoons verlangd zou hebben. Het hof wijst daarbij op HR 9 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC0908, waarin is geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de erflater het voornemen heeft gehad om een

rechtshandeling te verrichten overeenkomstig het concepttestament, niet voldoende is om het bestaan aan te nemen van een verplichting van de erfgenamen die enkel berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen.

In het onderhavige geval is niet eens sprake van een concepttestament, maar is zelfs in het geheel niets gedaan waaruit volgt dat overledene wenste dat zijn zoons namens hem een verplichting jegens belanghebbende zouden nakomen. Het hof leidt hieruit af dat het bestaan van een natuurlijke verbintenis in dit geval dan ook alleen moet worden beoordeeld vanuit de zoons van overledene (zie hierna 4.3.10).

4.3.9.

In weerwil van hetgeen daarover in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen, acht het hof niet aannemelijk dat de zoons zich gedrongen zouden hebben gevoeld jegens belanghebbende een natuurlijke verbintenis na te komen. Het hof wijst hierbij op het onder 4.3.2 opgenomen arrest, waaruit volgt dat naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld of sprake is van zodanige verbintenis, en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, geen beslissende betekenis toekomt. Het hof voegt daaraan toe dat dit eveneens geldt indien dat subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, aan het papier is toevertrouwd. De zoons dienen derhalve niet alleen een dringende morele verplichting te ervaren uit piëteit voor hun overleden vader, maar zij moeten deze ook zelf jegens belanghebbende ervaren. Het hof acht dit laatste niet aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende tijdens de zitting van het hof heeft verklaard dat zij gegeven haar leeftijd door de zoons niet als stiefmoeder kon worden gezien. Ook overigens is het hof niet gebleken van een bijzondere relatie van belanghebbende tot de zoons die zou nopen tot het bestaan van een natuurlijke verbintenis; uit in de stukken opgenomen verklaringen volgt eerder dat geen sprake was van een warme band. Of de vaststellingsovereenkomst tot doel had eventuele aanspraken van belanghebbende jegens de erven te beperken kan hierbij in het midden blijven; opvallend is wel dat een bedrag ter grootte van de schenkbelasting niet aan belanghebbende wordt uitgekeerd tot daarover juridisch duidelijkheid bestaat.

Derhalve slaagt ook deze beroepsgrond niet.

4.3.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep van belanghebbende op de vrijstelling van artikel 33, aanhef en onder 12, van de SW ongegrond. Derhalve zijn de verkrijgingen van elk € 250.000, niet vrijgesteld en worden de aanslagen schenkbelasting gehandhaafd.

Tussenconclusie

4.4.

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.

Het hof vindt geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.

Het hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

5Beslissing

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door R.C.H.M. Lips, voorzitter, A.J. Kromhout en P. van der Wal, in tegenwoordigheid van Y. Postema- van der Koogh, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

Y. Postema- van der Koogh R.C.H.M. Lips

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

    Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

    (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

    Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

    de naam en het adres van de indiener;

    de dagtekening;

    een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

    e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733