Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen, waarin het huurrecht van de echtelijke woning aan vrouw is toegewezen na belangenafweging. Doorslaggevend is dat man over alternatieve woonruimten beschikt (huurwoning [adres 2] en woonboot [adres 3]) en vrouw niet. Verdeling huwelijksgemeenschap wordt grotendeels conform overeenstemming vastgesteld; voorhuwelijkse woonboot en motorboot vallen buiten de gemeenschap. Verzoeken partneralimentatie zijn ingetrokken. Verzoek van man om omgangsregeling met de kat wordt niet-ontvankelijk verklaard nu dit geen verzoek in de zin van [[| Datum publicatie | 12-05-2026 |
| Zaaknummer | C/13/760677 / FA RK 24-8397 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Overig; Huisdier in het familierecht; Familieprocesrecht; Nevenvoorzieningen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Geschil met betrekking tot huurrecht echtelijke woning. Het belang van de vrouw bij toewijzing van het huurrecht aan haar is groter dan het belang van de man. Daarbij is doorslaggevend dat de man over voldoende alternatieve woonruimten beschikt. Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap hebben partijen overeenstemming bereikt. De rechtbank wijst het verzoek van de man om een omgangsregeling met de kat vast te stellen af nu dit geen verzoek in de zin van artikel 287 Rv betreft.Volledige uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/760677 / FA RK 24-8397 (echtscheiding)
C/13/780632 / FA RK 25-9802 (verdeling)
Beschikking van 28 april 2026 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. L. Scheffer, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R.G.J. van Ommeren, gevestigd te Amsterdam.
1De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 3 december 2024;
- het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingekomen op 5 maart 2025;
- het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 2 april 2025;
- de gewijzigde verzoeken van de vrouw, ingekomen op 19 maart 2026;
- het verweerschrift van de man op de gewijzigde verzoeken van de vrouw, ingekomen op 27 maart 2026;
- de aanvullende bijlagen van de man, ingekomen op 29 maart 2026.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Engelse taal;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Amsterdam op 28 augustus 2020.
Uit het huwelijk van partijen zijn geen (minderjarige) kinderen geboren.
De vrouw heeft de Nederlandse en Amerikaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 januari 2025 is in het kader van de voorlopige voorzieningen in de zaak met kenmerk C/13/759440 / FA RK 42-7757 het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning gelegen aan het [adres 1] aan de vrouw toegekend met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.
3Het verzoek en het verweer
De vrouw verzoekt – na wijziging en aanvulling – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
b. te bepalen dat de vrouw vanaf de datum van inschrijving van de in deze te wijzen echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de woning (woonboot) aan het [adres 1] ;
c. af te wijzen het verzoek van de man om aan hem het huurrecht van de woning (woonboot) aan de [adres 1] toe te wijzen;
d. te bepalen dat de man vanaf de datum van inschrijving van de in deze te wijzen echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de woning aan de [adres 2] ;
e. te bepalen dat de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen als volgt wordt verdeeld:
- aan de vrouw:
o de inboedel van de echtelijke woning aan het [adres 1] ;
o de kano die bij de echtelijke woning aan het [adres 1] ligt;
o alle persoonlijke bezittingen van de vrouw;
- aan de man:
o de boot, “ [naam 3] ” waarbij de man draagplichtig is en blijft voor alle schulden, kosten en aansprakelijkheden die zijn ontstaan uit, verband houden met of gerelateerd zijn aan de aankoop, het bezit of het gebruik van de boot “ [naam 3] ”, met inbegrip van maar niet beperkt tot het openstaande saldo van de verkoopprijs, alsmede alle overige verplichtingen die voortvloeien uit de koopovereenkomst;
o de man draagplichtig is en blijft voor de Qredits-lening, inclusief alle schulden, kosten en aansprakelijkheden die zijn en/of zullen ontstaan uit, verband houden met of gerelateerd zijn aan de Qredits-lening, met inbegrip van maar niet beperkt tot het openstaande saldo van € 14.740,42;
o de inboedel van de door de man bewoonde woning aan de [adres 2] ;
o de woonboot aan de [adres 3] met de daarin aanwezige inboedel;
o motorboot “ [naam 4] ”;
f. te bepalen dat de man ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 5.699,76 per maand, telkens per eerste van de maand;
g. af te wijzen het verzoek van de man om de vrouw een bijdrage in zijn levensonderhoud te laten betalen;
h. af te wijzen het verzoek van de man om een omgangsregeling ten behoeve van de kat [naam 5] vast te stellen.
De man voert verweer. Hij verzoekt zelfstandig – na wijziging en aanvulling – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
II. het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een maandelijkse onderhoudsbijdrage tot een bedrag van € 5.699,76 af te wijzen;
III. het verzoek van de vrouw om huurder te zijn van de woning gelegen aan het adres [adres 1] af te wijzen;
IV. te bepalen dat de man vanaf de datum van de inschrijving van de in deze procedure te wijzen beschikking de huurder zal zijn van de woning te [adres 1] ;
V. te bepalen dat de vrouw aan de man met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud zal betalen een bedrag dat haar inkomen maximaal toelaat, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
VI. te bepalen dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld, ten behoeve van [naam 5] , waarbij [naam 5] om de week of ieder weekend bij de man verblijft;
VII. te bepalen dat partijen overgaan tot de scheiding en deling van de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
4De beoordeling
De echtscheiding
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding de gewone verblijfplaats van beide partijen was gelegen in Nederland en omdat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding op grond van artikel 3 Brussel II-ter (Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019).
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
Het huurrecht
Huurrecht echtelijke woning
Beide partijen verzoeken het huurrecht van de echtelijke woning gelegen aan het [adres 1] toegekend te krijgen.
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat zij sinds maart 2024 alle lasten van de echtelijke woning alleen voldoet en dat zij in staat is dit te blijven doen. Daarnaast heeft de vrouw geen mogelijkheden om alternatieve woonruimte te betrekken. Immers heeft de vrouw in Amsterdam geen netwerk waarop zij kan terugvallen. De man beschikt daarentegen wel over alternatieve woonruimte. Hij woont namelijk al geruime tijd in de woning gelegen aan de [adres 2] , welke (huur)woning de man gedurende het huwelijk van partijen heeft aangehouden. Verder is de man ook eigenaar van een woonboot gelegen aan de [adres 3] (hierna de woonboot). De vrouw voorziet dat de man het huurrecht van de echtelijke woning slechts toegewezen wenst te krijgen omdat hij de woning als verdienmodel ziet. De man is voornemens de echtelijke woning via Airbnb te verhuren, hetgeen de man ook met de woonboot doet. De verhuurder van het [adres 1] heeft aan de vrouw laten weten dat indien het huurrecht van de woning aan de man wordt toegewezen, hij voornemens is de huurovereenkomst te heroverwegen. Aldus dient het huurrecht van de echtelijke woning met inachtneming van het voorgaande aan de vrouw te worden toegewezen.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. Ter onderbouwing voert de man aan dat het huurrecht van de echtelijke woning aan hem moet worden toegekend omdat hij de echtelijke woning heeft verlaten vanwege intimidatie van de vrouw. Daarbij komt dat de vrouw niet in staat lijkt te zijn de lasten van de echtelijke woning te (blijven) voldoen, gelet op haar verzoek om een bijdrage in haar levensonderhoud. De man kan daarentegen wel de lasten van de echtelijke woning voldoen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat hij voornemens is om een huisgenoot te nemen of één van de twee slaapkamers te verhuren. Verder beschikt de vrouw over alternatieve woonruimte. Volgens de man zal de verhuurder van de [adres 2] namelijk meewerken aan de beschikking. De man wil dat het huurrecht van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend omdat het een fijne plek is, gelegen aan het water en vlakbij zijn deelkantoor en het (stads)centrum waar hij al zijn hele leven in en rondom heeft gewoond. Aldus verzoekt de man zelfstandig dat het huurrecht van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en onder a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 827 lid 1 onder f Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over de verzoeken van partijen met betrekking tot de toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 7:266 lid 1 en 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn echtgenoten automatisch samen huurders van een woning zolang die woning tot hun hoofdverblijf strekt en aldus partijen het grootste gedeelte van de tijd in die woning wonen. Als partijen daarvoor een verzoek indienen, kan de rechter bij het uitspreken van de echtscheiding bepalen wie van de echtgenoten na de scheiding voortaan alleen de huurder van de echtelijke woning zal zijn. Bij die beslissing moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Dat brengt in de regel mee dat ten aanzien van beide echtgenoten belangen van uiteenlopende aard in aanmerking moeten worden genomen. Die belangen kunnen volgens rechtspraak van de Hoge Raad enerzijds van financiële aard zijn, maar anderzijds zijn die belangen vaak ook – in ieder geval ten dele – van immateriële of subjectieve aard, zoals de gehechtheid aan de woonruimte, de mogelijkheid of wenselijkheid dat de kinderen (bij de verzorgende ouder) in de woning kunnen blijven wonen, de afstand van de woning tot familie, school of werk, of aanpassingen die aan de woning verricht zijn met het oog op de werksituatie of lichamelijke gesteldheid van een van de echtgenoten. De afweging van deze en andere omstandigheden is voorbehouden aan de rechter, die de vrijheid moet hebben om, hoewel meerdere argumenten ten gunste van de ene echtgenoot pleiten, toch doorslaggevend gewicht toe te kennen aan een bepaald belang van de andere echtgenoot (zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4202, rov. 3.4.2). De rechter stelt ook vast op welke dag de beslissing ingaat. Op die dag eindigt de huur van de andere echtgenoot. De verhuurder is gebonden aan deze beslissing van de rechter, ook al is de verhuurder geen partij in deze procedure.
De rechtbank stelt voorop dat beide partijen belang hebben bij het verkrijgen van het huurrecht van de echtelijke woning. Daarom zal de rechtbank een belangenafweging maken. Zij overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de vrouw bij toewijzing van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan haar, groter is dan het belang van de man. De rechtbank acht daarbij doorslaggevend dat de man over voldoende alternatieve woonruimten beschikt. Zo woont de man sinds het uiteengaan van partijen in juli 2023 in de door hem tijdens het huwelijk aangehouden (huur)woning gelegen aan de [adres 4] . Daarnaast beschikt de man ook over een woonboot gelegen aan de [adres 3] . Aldus heeft de man twee woningen tot zijn beschikking waar hij zou kunnen wonen. De vrouw daarentegen beschikt niet over alternatieve woonruimte. Hoewel de man tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat de verhuurder van de [adres 2] zal meewerken aan de uitvoering van de beschikking, zal de rechtbank – zoals uit rechtsoverweging 4.2.9 blijkt – geen beslissing nemen ten aanzien van het huurrecht van de woning gelegen aan de [adres 2] . Nu de man zijn stelling verder niet met verificatoire bescheiden heeft onderbouwd, is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat de vrouw eventueel het huurrecht van de woning gelegen aan de [adres 2] kan overnemen. Zodoende concludeert de rechtbank dat de vrouw niet over alternatieve woonruimte beschikt.
In haar belangenafweging betrekt de rechtbank voorts dat de vrouw in Amsterdam geen netwerk heeft waar zij op kan terugvallen, de vrouw al sinds 2018 in de woning verblijft, de dierenarts van [naam 5] – die intensieve medische verzorging nodig heeft – zich dicht bij de echtelijke woning bevindt en dat de vrouw zich in de woning en omgeving veilig voelt.
Het voorgaande in aanmerking nemende acht de rechtbank het minder bezwaarlijk voor de man om de echtelijke woning te verlaten. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen, toewijzen onder afwijzing van het verzoek van de man.
Huurrecht [adres 2]
De vrouw heeft verzocht om het huurrecht van de woning gelegen aan de [adres 2] aan de man toe te kennen.
De rechtbank overweegt dat de man de huurovereenkomst van de woning gelegen aan de [adres 2] al voorafgaand aan het huwelijk van partijen heeft gesloten. Door geen van partijen is gesteld of anderszins de rechtbank gebleken dat deze woning heeft gediend als hoofdverblijf van partijen, zodat de vrouw op grond van artikel 7:266 lid 1 BW geen medehuurder is (geworden). Nu de man al huurder is van deze woning, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw bij gebrek aan belang af.
De partneralimentatie
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun over en weer gedane verzoeken tot het vaststellen van partneralimentatie ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist.
Afwikkeling van de huwelijksgemeenschap
Beide partijen verzoeken de verdeling van de huwelijksgemeenschap te gelasten op een door ieder van hen voorgestelde wijze.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening Huwelijksvermogensstelsels).
De rechtbank gaat voor de bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Voor de bepaling welk verdrag dan wel welke verordening van toepassing is, dient te worden gekeken naar de huwelijksdatum. Omdat het huwelijk van partijen is gesloten ná 29 januari 2019 – namelijk op 28 augustus 2020 – is de Verordening Huwelijksvermogensstelsels van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Niet is gesteld of anderszins de rechtbank gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensregime een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Op grond van artikel 26, eerste lid, onder a van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels wordt het huwelijksvermogensstelsel van partijen beheerst door het Nederlandse recht, nu partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.
Huwelijksvermogensregime
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat partijen zijn gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren op grond van artikel 1:94 lid 2 en lid 7 BW alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de peildatum hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfrechtelijke verkrijgingen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de peildatum zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
Peildatum voor de samenstelling
Als peildatum voor de omvang en samenstelling van de wettelijke beperkte gemeenschap geldt de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend. Het verzoekschrift is op 3 december 2024 ingediend, zodat in beginsel alle goederen die partijen op die datum (de zogenaamde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
Peildatum voor de waardering
De peildatum voor de waardering is de datum waarop de verdeling plaatsvindt, dan wel een datum zo dicht mogelijk gelegen bij dat moment, te weten de datum van de beschikking. De banksaldi en schulden worden gewaardeerd tegen de datum waarop de wettelijke beperkte gemeenschap is ontbonden, te weten 3 december 2024.
Samenstellig van de gemeenschap
Gelet op de hiervoor genoemde datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap van partijen moet voor de verdeling worden gekeken naar de goederen en de schulden die op 3 december 2024 aanwezig waren. Partijen hebben over en weer – de hieronder genoemde – bestanddelen opgevoerd die op de peildatum tot de huwelijksgemeenschap behoorden:
de inboedelgoederen;
de kano;
de persoonlijke bezittingen van de vrouw;
e woonboot gelegen aan de [adres 3] ;
de motorboot [naam 4] ;
de boot “ [naam 3] ” met bijbehorende betalingsverplichtingen;
Bitcoins, aandelen, obligaties en onroerend goed in de Verenigde Staten;
Ad a: de inboedelgoederen
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van de verdeling van de inboedel volledige overeenstemming bereikt. Partijen zijn overeengekomen dat de inboedel van de woning gelegen aan het [adres 1] aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening met de man, en dat de inboedel van de woning gelegen aan de [adres 2] aan de man wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening met de vrouw. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Ad b: de kano gelegen bij het [adres 1]
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van de verdeling van de kano volledige overeenstemming bereikt. Zij zijn overeengekomen dat de kano aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening met de man. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Ad c: de persoonlijke bezittingen van de vrouw
De vrouw verzoekt te bepalen dat haar persoonlijke bezittingen aan haar worden toebedeeld. De man heeft tegen dit verzoek geen verweer gevoerd.
De rechtbank overweegt dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat zij over al haar persoonlijke bezittingen beschikt. Aldus heeft de vrouw geen belang (meer) bij het door haar gedane verzoek. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Ad d en e: de woonboot gelegen aan de [adres 3] en motorboot [naam 4] ;
De vrouw verzoekt te bepalen dat de woonboot gelegen aan de [adres 3] en motorboot [naam 4] aan de man worden toebedeeld, zonder nadere verrekening met de vrouw.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat de man de woonboot gelegen aan de [adres 3] en motorboot [naam 4] voorafgaand aan het huwelijk heeft aangeschaft. Daarmee is voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat deze woonboot en motorboot in het voorhuwelijkse vermogen van de man vallen en aldus niet kunnen worden verdeeld. De verzoeken van de vrouw worden daarom afgewezen.
Ad f: de boot “ [naam 3] ” en bijbehorende betalingsverplichtingen
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van verdeling van de boot “ [naam 3] ” en draagplicht ten aanzien van de bijbehorende betalingsverplichtingen/schuld(en) volledige overeenstemming bereikt. Zij zijn overeengekomen dat (het (toekomstige) eigendomsrecht van) de boot aan de man wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening met de vrouw, en dat de man in de onderlinge verhouding van partijen volledig draagplichtig is voor de betalingsverplichtingen met betrekking tot de boot “ [naam 3] ” alsook de lening bij Qredits International B.V. (met een thans openstaande schuld van € 12.383,-) welke lening oorspronkelijk was afgesloten om de verkoopprijs van de boot “ [naam 3] ” te voldoen. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Ad g: Bitcoins, aandelen, obligaties en onroerend goed in de Verenigde Staten
De man heeft gesteld dat tijdens het huwelijk financiële activa is aangekocht waaronder Bitcoins, aandelen, obligaties en onroerend goed in de Verenigde Staten.
De vrouw voert verweer en heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de door de man genoemde bestanddelen door haar vóórafgaand aan het huwelijk zijn aangeschaft.
De rechtbank overweegt dat nu de man omtrent de Bitcoins, aandelen, obligaties en onroerend goed in de Verenigde Staten geen concrete verzoeken heeft ingediend, de rechtbank hierover geen beslissing kan nemen.
Ten overvloede heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling partijen gewezen op artikel 3:194 lid 2 BW, waaruit volgt dat indien een van de echtgenoten opzettelijk een tot de huwelijksgemeenschap behorend goed verzwijgt, zoekt maakt of verborgen houdt, zijn of haar aandeel in dit goed wordt verbeurd aan de andere echtgenoot.
Omgangsregeling met [naam 5] (de kat)
De man verzoekt – naar de rechtbank begrijpt – dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen hem en de kat [naam 5] , waarbij [naam 5] om de week of ieder weekend bij de man verblijft.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en voert aan dat [naam 5] op hoge leeftijd is en levensbedreigende chronische aandoeningen heeft die specialistische zorg, regelmatige controles en consistentie vereisen. Voor [naam 5] zou een verandering in zijn (medische) routine of omgeving leiden tot een ernstig risico voor zijn leven. Daarbij komt dat de man vanaf het moment dat hij de echtelijke woning heeft verlaten geen interesse heeft getoond in [naam 5] en niet heeft meebetaald aan de hoge dierenartskosten. Aldus dient dit verzoek van de man te worden afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling met [naam 5] betreft geen verzoek in de zin van artikel 827 Rv. Nu er voor het vaststellen van een omgangsregeling met een kat geen rechtsgrond bestaat, kan de man niet in zijn verzoek worden ontvangen.
5De beslissing
De rechtbank:
in de procedure met zaak- en rekestnummer: C/13/760677 / FA RK 24-8397
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op 28 augustus 2020;
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres 1] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met de kat [naam 5] ;
wijst af het meer of anders verzochte.
in de procedure met zaak- en rekestnummer: C/13/780632 / FA RK 25-9802
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast:
- aan de vrouw wordt toebedeeld:
o de inboedel van de woning gelegen aan het [adres 1] , zonder nadere verrekening met de man;
o de kano, zonder nadere verrekening met de man;
- aan de man wordt toebedeeld:
o de inboedel van de woning gelegen aan de [adres 2] ;
o (het (toekomstige) eigendomsrecht van) de boot “ [naam 3] ”;
- stelt vast dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de man in de onderlinge verhouding van partijen volledig draagplichtig is voor de betalingsverplichtingen met betrekking tot de boot “ [naam 3] ” en de lening bij Qredits International B.V.;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 28 april 2026.
1
Tegen deze beschikking kan voor zover er definitief is beslist door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen een termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
