Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin een bewindvoerder/mentor van pgb-budgethouder onrechtmatig handelt jegens zieke zorgverlener. Na ziekmelding stopt na beëindiging pgb de loondoorbetaling via SVB. CAV onderzoekt gevolgen niet, reageert niet op signalen en verzaakt re-integratie- en werkgeversrol namens budgethouder, waardoor zorgverlener zonder inkomen raakt. Vordering tot voorschot op schade en loon tot einde wachttijd wordt toegewezen. CAV wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.| Datum publicatie | 11-05-2026 |
| Zaaknummer | C/16/607911 / KG ZA 26-107 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Meerderjarigenbescherming; Bewind; Tuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid bewindvoerder/curator |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Bewindvoerder van pgb-budgethouder heeft onrechtmatig gehandeld jegens zieke zorgverlener door bij het stopzetten van het pgb en daarna met haar belangen geen rekening te houden. Bewindvoerder moet loondoorbetalingsverplichting voor zijn rekening nemenVolledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607911 / KG ZA 26-107
Vonnis in kort geding van 30 april 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. drs. M.R.A. Rutten,
tegen
de stichting
STICHTING CENTRALE ADMINISTRATIE voor VOORZIENINGEN op het gebied van de GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG (CAV),
gevestigd in Zoetermeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: CAV,
advocaat: mr. K.M. Roos.
1De procedure
De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11;
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij is [eiseres] verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens CAV waren aanwezig mevrouw [A] (werkzaam als mentor bij CAV) en de heer [B] (werkzaam als bestuurssecretaris bij CAV). Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben de vragen van de voorzieningenrechter beantwoord en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat er vandaag vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
[eiseres] is de tante van [C] en zij heeft langere tijd zorg verleend aan [C] . [C] staat onder bewind en mentorschap bij CAV. Voor de zorgverlening werd [eiseres] betaald uit het pgb van [C] . Sinds 21 februari 2024 is [eiseres] arbeidsongeschikt. Tot 1 april 2025 heeft [eiseres] haar loon ontvangen, maar daarna niet meer. In een eerdere kortgedingprocedure is [C] als werkgever van [eiseres] veroordeeld tot doorbetaling van haar loon tijdens ziekte. In deze procedure vordert [eiseres] betaling door CAV van datgene waartoe [C] in het kort geding is veroordeeld en de toekomstige loonbetalingen tijdens haar ziekte op grond van onrechtmatige daad.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiseres] toewijzen en zal CAV veroordelen in de kosten van deze procedure.
3De achtergrond van het geschil
[C] is de neef van [eiseres] . Hij is ernstig beperkt en heeft een indicatie voor Verzorging op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). [C] ontving hiervoor een persoonsgebonden budget (pgb).
Bij beschikking van 7 maart 2016 is het vermogen van [C] onder bewind gesteld. Op 4 augustus 2022 is CAV benoemd als de nieuwe bewindvoerder van [C] . Het mentorschap is ingesteld per 20 juni 2023.
[eiseres] verzorgde [C] sinds 2015. Tussen [eiseres] en CAV als bewindvoerder van [C] is per 1 oktober 2023 opnieuw een zorgovereenkomst/arbeidsovereenkomst tot stand gekomen voor onbepaalde tijd. [eiseres] werkte 36 uur per week tegen een bruto maandloon van € 3.119,68 inclusief vakantiegeld). [eiseres] werd betaald uit het pgb van [C] . De SVB zorgt voor de betaling van het loon uit het pgb. De SVB heeft daarvoor een werkgeversdesk ingericht.
[eiseres] heeft zich op 21 februari 2024 ziek gemeld. Uit de rapportages van de bedrijfsarts blijkt dat er geen sprake was van enige mogelijkheid tot re-integratie.
In de zorgovereenkomst/arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [C] is over ziekte van de zorgverlener het volgende opgenomen:
“Werkt de zorgverlener op vier dagen per week of meer? Dan is er recht op maximaal twee jaar lang loondoorbetaling bij ziekte. De eerste 52 weken worden 100% doorbetaald, de laatste 52 weken 70%.”
CAV heeft de ziekmelding van [eiseres] doorgegeven aan de SVB. De SVB heeft hierop Active Health Group als arbodienst ingeschakeld. Het ziekengeld van [eiseres] werd betaald door de SVB.
Bij beslissing van 16 april 2025 heeft het Zorgkantoor besloten het pgb van [C] per 1 april 2025 te beëindigen.
[eiseres] heeft tot april 2025 haar loon betaald gekregen. Daarna heeft zij geen loon meer ontvangen.
Eén van de redenen van het Zorgkantoor voor de beslissing tot beëindiging van het pgb was dat [C] heeft aangegeven geen zorg meer via het pgb te willen afnemen. Tegen deze reden heeft [C] op 8 mei 2025 bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 27 februari 2026 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van [C] tegen de beëindiging van het pgb ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor schrijft dat de wettelijk vertegenwoordiger van [C] het pgb heeft stopgezet en dat het Zorgkantoor hiervan uit moet gaan.
Bij vonnis in kort geding van 5 december 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank CAV in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [C] als formeel werkgever veroordeeld tot de betaling van het achterstallig en toekomstig loon aan [eiseres] . [C] heeft niet de financiële middelen om de loonvordering aan [eiseres] te betalen.
Op 7 januari 2026 heeft het UWV aan [C] per brief laten weten dat er een loonsanctie wordt opgelegd. Omdat [C] niet voldoet aan de op hem als werkgever rustende re-integratieverplichtingen,is [C] verplicht het loon van [eiseres] door te betalen tot 17 februari 2027, tenzij [C] alsnog de re-integratieverplichtingen nakomt.
4De beoordeling
Het toetsingskader in kort geding
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van deze vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen.
Spoedeisend belang
Een spoedeisend belang is aanwezig als van [eiseres] niet verwacht kan worden dat zij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) afwacht. Dat is hier het geval. [eiseres] ontvangt sinds april 2025 geen loon meer en zij stelt hierdoor in financiële problemen te komen.
Geldvordering in kort geding
[eiseres] vordert in deze kortgedingprocedure betaling door CAV van een geldbedrag aan haar. Bij een geldvordering in kort geding moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn. Om een geldvordering toe te kunnen wijzen is nodig dat [eiseres] de geldvordering voldoende aannemelijk maakt. Ook moet [eiseres] hierbij zoveel spoed hebben dat er een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Tot slot moet de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van [eiseres] en CAV rekening houden met het risico dat het geldbedrag niet meer wordt terugbetaald, welk risico kan bijdragen aan de afwijzing van de vordering.
CAV heeft haar zorgplicht geschonden
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bewindstaak van CAV weliswaar ertoe strekt de (vermogensrechtelijke) belangen van [C] te behartigen en te beschermen, maar dat betekent niet dat zij bij de uitvoering van haar taak als bewindvoerder helemaal voorbij kon gaan aan de belangen van derden, zoals [eiseres] . Als bewindvoerder en wettelijk vertegenwoordiger van [C] nam CAV voor [C] beslissingen, bijvoorbeeld over het voortduren of beëindigen van de zorgovereenkomst. Daarnaast was CAV als bewindvoerder belast met het beheer van het vermogen van [C] . Zij diende zorg te dragen voor de betaling van de financiële verplichtingen van [C] aan [eiseres] . Bij de uitvoering van de taken die CAV als bewindvoerder had, waren ook de belangen van [eiseres] betrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat CAV in dit geval bij de uitoefening van haar bevoegdheden als bewindvoerder jegens [eiseres] zodanig onzorgvuldig met de kenbare belangen van [eiseres] is omgegaan, dat dit als een onrechtmatig handelen jegens [eiseres] in de zin van artikel 6:162 BW is aan te merken. De voorzieningenrechter legt dat hierna uit.
Volgens CAV is er geen verband tussen het stopzetten van het pgb en het stoppen van de betaling van het ziekengeld aan [eiseres] door SVB, maar dat heeft CAV onvoldoende onderbouwd. Het staat vast dat met het stopzetten van het pgb, ook de betaling van het ziekengeld aan [eiseres] is geëindigd. In de brief aan mr. Rutten van 11 maart 2026 schrijft SVB dat het ziekengeld wordt betaald uit een ophoging van het pgb en dat als er geen pgb is er geen ophoging plaatsvindt. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat SVB is gestopt met de betaling van het ziekengeld omdat het pgb van [C] is stopgezet. Daarvan uitgaande was er dus sprake van een concreet en voorzienbaar nadeel.
Uit het dossier is niet gebleken dat CAV na de ziekmelding van [eiseres] zich rekenschap heeft gegeven van de belangen van [eiseres] . Dit had wel verwacht mogen worden van CAV als bewindvoerder. [eiseres] is in februari 2024 ziek geworden en kort daarna is [D] zorg gaan verlenen aan [C] . CAV heeft toen geen zorgovereenkomst gesloten met [D] , waardoor [D] niet is betaald voor de door haar geleverde zorg. Kennelijk is pas in september 2024 door CAV geconstateerd dat [D] de geleverde zorg niet bijhield en heeft CAV (namens [C] ) daarom geweigerd een nieuwe zorgovereenkomst te sluiten met [D] . [C] kon daardoor zijn vervangende zorgverlener niet betalen. CAV heeft niet laten zien wat zij heeft gedaan om goede afspraken te maken met [D] . Vervolgens heeft CAV ingezet op beëindiging van het pgb omdat de controle op de uren teveel tijd in beslag zou nemen. Niet gebleken is dat CAV heeft onderzocht of en in welke mate de stopzetting van het pgb gevolgen zou hebben voor [eiseres] . CAV zou, zo geeft zij zelf aan, verrast zijn geweest door het feit dat [eiseres] niet meer werd betaald door de SVB.
Dat CAV zich ten tijde van het stopzetten van het pgb niet bewust was van de gevolgen die dit zou hebben voor [eiseres] , kan wel zo zijn, maar zij had dit in elk geval moeten onderzoeken. In het verslag van het gesprek op 27 maart 2025 met het Zorgkantoor staat dat het Zorgkantoor zal uitzoeken wat de gevolgen van het stopzetten van het pgb zijn voor de zieke zorgverlener. CAV had zich toen al moeten beseffen dat dit mogelijk gevolgen zou hebben, maar heeft hierover kennelijk geen navraag gedaan bij het Zorgkantoor. In elk geval eind juli 2025 wist CAV dat [eiseres] haar loon niet meer betaald kreeg. Mevrouw [E] , sociaal raadsvrouw bij Stichting U-Centraal, schrijft dat zij toen meermaals heeft gebeld met CAV en de situatie rondom [eiseres] heeft uitgelegd aan CAV. Zij schrijft ook dat het Zorgkantoor in die periode contact heeft gehad met CAV over de reden van de stopzetting van het loon van [eiseres] . CAV wist of had in ieder geval vanaf dat moment moeten begrijpen dat de stopzetting van het pgb gevolgen had voor de loondoorbetaling aan [eiseres] . Niet gebleken is dat CAV op dat moment enige actie heeft ondernomen. CAV heeft niet gereageerd op de vragen van mevrouw [E] of de informatie van het Zorgkantoor. Ook na de sommatie van 1 oktober 2025 van de advocaat van [eiseres] aan CAV als bewindvoerder van [C] om over te gaan tot betaling van het loon, blijft een inhoudelijke reactie van CAV uit. CAV heeft alleen geantwoord dat er onvoldoende middelen zijn om het loon door te betalen en dat er een bezwaar is ingediend tegen de stopzetting van de pgb. Voor de belangen van [eiseres] lijkt CAV geen oog te hebben.
Een ander moment waarop CAV in actie had moeten komen maar dit heeft nagelaten, was na 21 november 2025. CAV is toen door de advocaat van [eiseres] aangeschreven met het verzoek een bedrijfsarts in te schakelen, zodat er een actueel oordeel gegeven kon worden over de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] . [eiseres] had dit nodig voor de aanvraag voor een WIA-uitkering. Op een ontvangstbevestiging na heeft CAV hier niet op gereageerd. Ook op de beslissing van het UWV om een loonsanctie op te leggen aan [C] CAV op geen enkele manier gereageerd.
Pas in deze procedure komt CAV voor het eerst met een inhoudelijke reactie en voert zij aan dat de loondoorbetaling tijdens ziekte en de re-integratie niet tot haar taken behoort, maar bij [C] danwel het SVB behoren. Hiermee miskent CAV haar verplichtingen als bewindvoerder. Het is niet voor niets dat CAV als bewindvoerder de zorg/arbeidsovereenkomst met [eiseres] heeft ondertekend en niet [C] zelf en dat de brief van het UWV aan [C] is gestuurd naar het postbusnummer van CAV. CAV is de wettelijk vertegenwoordiger van [C] - de werkgever van [eiseres] - en moet bij haar handelen ook de belangen van [eiseres] in aanmerking nemen. Ook als CAV ervan overtuigd was dat de loondoorbetalingsverplichting niet op [C] rustte maar bij het SVB lag, had zij niet alle signalen mogen negeren dat dat toch anders lag.
Causaal verband en schade
CAV heeft nagelaten te onderzoeken of het niet sluiten van een nieuwe zorgovereenkomst namens [C] en de uiteindelijke stopzetting van het pgb van [C] gevolgen zou hebben voor [eiseres] . Het behoorde tot de taken van CAV als bewindvoerder ook de belangen van derden voor ogen te houden. [eiseres] heeft er terecht op gewezen dat als CAV zich de belangen van [eiseres] wel had aangetrokken en eerder had gereageerd waardoor de situatie duidelijk was geworden, de arbeidsovereenkomst wellicht beëindigd had kunnen worden in onderling overleg of ontbonden, waarna [eiseres] een uitkering had kunnen aanvragen. Ook heeft CAV niets gedaan om de loonsanctie te voorkomen. Door dit na te laten heeft CAV een situatie laten ontstaan waarin [eiseres] geen enkel inkomen heeft en met een onverhaalbare vordering achterblijft. [C] is weliswaar als werkgever veroordeeld tot betaling van het loon van [eiseres] tijdens haar ziekte, maar [C] beschikt niet over de financiële middelen om deze vordering aan [eiseres] te kunnen betalen. Hij leeft van een Wajong-uitkering en toeslagen, ontvangt geen pgb meer en leeft op het sociaal minimum. CAV heeft er nog op gewezen dat zij ook door [C] is aangesproken. Mocht blijken dat in de door [C] tegen CAV gestarte procedure CAV jegens [C] aansprakelijk is voor de loondoorbetalingverplichting, zal dit er niet toe leiden dat CAV twee keer moet betalen. Als CAV al aan [eiseres] heeft betaald, heeft [eiseres] geen vordering meer op [C] en heeft [C] dus geen schade die hij op CAV zou kunnen verhalen.
Restitutierisico
De voorzieningenrechter ziet in dat er sprake is van een restitutierisico. [eiseres] ontvangt sinds april 2025 geen inkomsten meer, zij verkeert in financiële problemen en zij heeft het geld dat zij in deze procedure vordert nodig om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Echter, bij de afweging van de belangen acht de voorzieningenrechter het restitutierisico van ondergeschikt belang. [eiseres] zit al langdurig zonder inkomsten en opheffing van deze situatie prevaleert boven het belang van CAV bij een mogelijke terugbetaling.
Conclusie
CAV is als bewindvoerder (en mentor) tekort geschoten in haar zorgplicht. Dit levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig handelen op, waardoor [eiseres] schade heeft gelopen. De vorderingen van [eiseres] kunnen daarom worden toegewezen.
[eiseres] vordert bij wijze van voorschot veroordeling van CAV tot schadevergoeding, bestaande uit loondoorbetaling tijdens haar ziekte tot einde wachttijd en de proceskosten van het tegen [C] gevoerde kort geding. Deze vordering wordt toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] stelt in haar dagvaarding een bedrag van € 875,00 te vorderen aan buitengerechtelijke incassokosten. In het petitum van haar dagvaarding ontbreekt deze vordering echter, zodat de voorzieningenrechter dit niet kan toewijzen.
Proceskosten
CAV is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 155,66
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 1.177,00 (1 x tarief € 1.177,00)
- nakosten € 189,00
Totaal € 1.614,66
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter, recht doende in kort geding:
veroordeelt CAV om aan [eiseres] te betalen bij wijze van voorschot:
- een bedrag van € 15.285,46 bruto aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025;
- een bedrag van € 8.735,12 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 november 2025 tot en met februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot het moment van volledige betaling;
- de toekomstige schade in de vorm van het bruto maandloon van € 2.183,46 over de periode van 1 maart 2026 tot het moment waarop de loondoorbetalingsverplichting van [C] eindigt;
- de proceskosten uit het vonnis van 5 december 2025, te weten € 768,-;
veroordeelt CAV in de proceskosten van € 1.614,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CAV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt CAV in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
