Essentie (gemaakt door AI)
Kortgeding waarin de man teruggeleiding van de minderjarigen naar Nederland en voorlopige toevertrouwing vordert, met dwangsom en sterke arm. De voorzieningenrechter toetst rechtsmacht naar analogie van IPR en Brussel II-ter en stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen sinds januari 2025 op Curaçao ligt. Uitzonderingen van Brussel II-ter (art. 8–10) zijn niet van toepassing; van ongeoorloofde overbrenging is geen sprake. De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd.| Datum publicatie | 11-05-2026 |
| Zaaknummer | C/10/716243 / KG ZA 26-239 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; Kinderen; Familieprocesrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kortgedingrechter in Nederland niet bevoegd omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen op Curaçao is gelegen.Volledige uitspraak
Team Familie
Zaaknummer: C/10/716243 / KG ZA 26-239
Vonnis in kort geding van 24 april 2026
in de zaak van
[naam man] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,
tegen
[naam vrouw] ,
wonende op [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
niet verschenen.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 18 maart 2026;
- de berichten van de man van 1 april 2026 en 9 april 2026 met aanvullende producties.
De zaak is behandeld op 10 april 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat en mr. M. van der Sluis;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .
De vrouw is niet verschenen.
2De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] .
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] .
Partijen zijn beiden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2024 is aan de vrouw vervangende toestemming tot verhuizing met de minderjarigen naar Curaçao verleend, alsmede vervangende toestemming tot inschrijving van de minderjarigen op een lagere school aldaar. Verder is de onderling tussen partijen overeengekomen regeling over het contact tussen de man en de minderjarigen opgenomen in de beschikking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Bij beschikking van 21 mei 2025 van het gerechtshof Den Haag, voor zover hier van belang, is het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing met de minderjarigen naar Curaçao alsnog afgewezen. Daarbij is bepaald dat de vrouw uiterlijk tot de aanvang van het nieuwe schooljaar, dat aanvangt op 1 september 2025, de gelegenheid heeft met de minderjarigen terug te verhuizen naar Rotterdam.
Bij beschikking van 17 oktober 2025 van de rechtbank Rotterdam is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw in Nederland zal zijn. Tevens is opgenomen de onderlinge regeling die partijen over de zorgregeling hebben getroffen.
Tussen partijen loopt een procedure over de minderjarigen bij het gerecht in eerste aanleg van Curaçao. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. De uitspraak wordt op korte termijn verwacht.
3Het geschil
De man vordert, zoals de voorzieningenrechter begrijpt:
-
primair: de vrouw te bevelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledige uitvoering te geven aan de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 21 mei 2025, inhoudende dat zij met de minderjarigen terugkeert naar Nederland en zich met de minderjarigen vestigt in Nederland;
-
subsidiair: de vrouw te bevelen om, indien zij niet zelf met de minderjarigen naar Nederland terugkeert binnen de in het voorgaande lid genoemde termijn, de minderjarigen onmiddellijk aan de man af te geven, althans aan hem ter beschikking te stellen, teneinde de man in staat te stellen de minderjarigen naar Nederland terug te geleiden;
-
te bepalen dat de minderjarigen, na terugkeer in Nederland, voorlopig aan de man worden toevertrouwd, althans dat de man gerechtigd is de feitelijke verzorging en opvoeding van de minderjarigen op zich te nemen, in afwachting van de uitkomst van een eventuele bodemprocedure omtrent de definitieve vaststelling of wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarigen;
-
te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 25.000,- voor iedere dag, althans gedeelte van een dag, dat zij nalaat geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de onder 1 en/of 2 genoemde veroordelingen, zulks tot het moment waarop zij volledig aan het vonnis heeft voldaan;
-
te bepalen dat dit vonnis zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer kan worden gelegd;
-
de vrouw te veroordelen in de (werkelijke) kosten van deze procedure.
4De beoordeling
Stukken van gedaagde
Er is voorafgaande aan de mondelinge behandeling uitgebreid gecorrespondeerd met de gedaagde. Zij is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, noch is er namens haar een advocaat verschenen, dus zij is niet in de procedure verschenen. De voorzieningenrechter zal daarom geen acht slaan op de door gedaagde ingediende stukken.
Bevoegdheid
Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is weliswaar in Curaçao van toepassing, maar regelt de verhouding tussen (delen van) het Koninkrijk en derde landen, niet de verhouding tussen de koninkrijksdelen.
Op grond van artikel 38 lid 3 Statuut voor het Koninkrijk kunnen bij rijkswet regels worden gesteld omtrent privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard, indien omtrent deze regels overeenstemming tussen de regeringen van de betrokken landen bestaat. Een regeling bij rijkswet van de rechterlijke bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard is echter tot op heden niet tot stand gebracht. Bij gebreke van een dergelijke regeling dient de rechter zijn bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard te bepalen door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij hetgeen, naar het inzicht van de wetgever van het desbetreffende deel van het Koninkrijk, ter zake geldt op het nauw verwante terrein van het internationaal privaatrecht (Hoge Raad 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063).
Bij de beoordeling van zowel de rechtsmacht als bij de beoordeling van het toepasselijke recht moet aangesloten worden bij de dichtstbijzijnde regel van internationaal privaatrecht. Daartoe zal moeten worden nagegaan of er op het bewuste onderwerp een verdrag is gesloten dat van toepassing is voor het bewuste gebied binnen het Koninkrijk en voor analoge toepassing in aanmerking komt, en, zo nee, of er mogelijk een verordening is die analogisch kan worden toegepast. Indien dat niet het geval is zal bezien moeten worden in hoeverre de interne wetgeving analogisch kan worden toegepast.
Zoals wordt bevestigd in artikel 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hebben verdragen en EU-verordeningen voorrang ten opzichte van het nationale recht.
Met betrekking tot de internationale bevoegdheid op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid geldt in Nederland de Verordening (EU) Nr 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel IIter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van artikel 8 tot en met 10 van de Verordening. Op grond van artikel 18 toetst de rechter zijn bevoegdheid ambtshalve.
Zoals de Hoge Raad in zijn beschikking van 17 juni 2011 (ECLI:NL:HR:BQ4833) oordeelde, is het conflictenrechtelijke begrip “de gewone verblijfplaats van het kind” een feitelijk begrip waaraan inhoud wordt gegeven door de omstandigheden van het concrete geval.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vrouw met vervangende toestemming van de Nederlandse rechter met de minderjarigen naar Curaçao is verhuisd en sindsdien – dus ook ten tijde van het aanhangig maken van dit geding – aldaar verblijft. De rechtbank heeft in de beschikking van 19 december 2024 geoordeeld dat de verhuizing zorgvuldig was voorbereid en goed doordacht.
Daarbij heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.4.5 de volgende omstandigheden in aanmerking genomen. Partijen hadden al geruime tijd plannen om naar Curaçao te verhuizen. Zo hebben partijen de woonsituatie op Curaçao onderzocht, is met makelaars op Curaçao intensief contact geweest, zijn biedingen voor woningen gedaan en zijn de minderjarigen ingeschreven op een school aldaar. Deze inspanningen hebben partijen nog gezamenlijk geleverd voordat zij uit elkaar gingen.
Na de verhuizing is daadwerkelijk sprake geweest van vestiging. Sinds de verhuizing is het centrum van het leven van de minderjarigen op Curaçao: dat is het adres waar zij wonen en ingeschreven staan, daar gaan zij naar school en nemen zij deel aan het maatschappelijk verkeer. Dat betekent dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen sinds januari 2025 op Curaçao ligt.
De latere beschikkingen van het gerechtshof Den Haag en de rechtbank Rotterdam doen daar niet aan af. Het gerechtshof heeft weliswaar de verhuistoestemming vernietigd, maar dat laat onverlet dat de vrouw destijds rechtmatig met de kinderen naar Curaçao is verhuisd; van ongeoorloofde overbrenging is dus geen sprake. Die vernietiging brengt ook niet zonder meer mee dat Curaçao daardoor niet langer als gewone verblijfplaats van de minderjarigen kon gelden. Dit volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 28 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW9225).
Voor zover de man heeft beoogd te betogen dat de beschikkingen van het hof en de rechtbank alleen bevoegd kunnen zijn gegeven als er sprake was van een gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland en dat daaruit volgt dat de gewone verblijfplaats dus niet is verplaatst naar Curaçao, faalt dit betoog. De in die gedingen betrokken bevoegdheidsvragen worden beantwoord naar het moment waarop de gedingen werden ingeleid en toen was de gewone verblijfplaats nog in Nederland. Een tussentijdse verhuizing, alsook het instellen van hoger beroep, brengt geen wijziging in die bevoegdheid.
De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat hij geen bevoegdheid kan ontlenen aan de gewone verblijfplaats van de minderjarigen, omdat die niet in Nederland is gelegen.
De voorzieningenrechter dient voorts te toetsen of de uitzonderingen op de hoofdregel zoals genoemd in de artikelen 8 tot en met 10 van Brussel II-ter van toepassing zijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit niet het geval is.
Artikel 8 Brussel II-ter ziet op een tijdelijk behoud van bevoegdheid met betrekking tot omgangsrechten en artikel 10 ziet op forumkeuze. Beide situaties zijn hier niet van toepassing.
Artikel 9 Brussel II-ter regelt de bevoegdheid in gevallen van ongeoorloofde overbrenging naar, of niet-terugkeer van een kind uit, een ander land. De verhuizing van de minderjarigen naar Curaçao is rechtmatig (geoorloofd) geweest, zodat ook deze uitzondering hier niet aan de orde is. Er is ook geen sprake van een niet-terugkeer in de zin van dat artikel, omdat dit de situatie betreft dat een kind niet terugkeert naar de gewone verblijfplaats en die is sinds januari 2025 op Curaçao.
De slotsom is dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de man. De voorzieningenrechter zal zich onbevoegd verklaren.
Omdat de voorzieningenrechter zich ambtshalve onbevoegd verklaart is er geen belang bij beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
