Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep waarin het verzoek van man tot vervangende toestemming voor erkenning van beide kinderen wordt afgewezen wegens zwaarwegende bezwaren en het belang van de kinderen, mede gezien reëel risico op eergerelateerd geweld en behoefte aan rust en veiligheid. Bezwaren van de vijftienjarige wegen zwaar. Man is niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot ouderlijk gezag. Omgang met beide kinderen wordt ontzegd op gronden art. 1:377a lid 3 sub c BW en art. 1:377a lid 3 sub d BW. Verzoek informatie-/consultatieregeling wordt afgewezen. art. 1:204 BW, [[art.| Datum publicatie | 11-05-2026 |
| Zaaknummer | 200.361.052/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Erkenning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
verzoek vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen afgewezen vanwege zwaarwegende bezwaren en/of belangen van de kinderen. Risico op eergerelateerd geweld. Man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot ouderlijk gezag. Verzoeken t.a.v. omgangsregeling en informatie- consultatieregeling afgewezen. Toetsing (intended) family life. Artikelen: 1:204 BW, 1:253c lid 1 BW, 1:377a BW, 1:377b BW.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.052/01
zaaknummer rechtbank: C/15/346196 / FA RK 22-5568
beschikking van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak van
[de man] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans verblijvende bij [X] Zorg, locatie [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. S.O. Zengin te Den Haag,
en
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
niet in de procedure verschenen.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , geboren [in] 2011, hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , geboren [in] 2021, hierna: [minderjarige 2] ;
- mr. L.M. Wagemaker, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de bijzondere curator).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
De zaak gaat over de verzoeken van de man om vervangende toestemming om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk: de kinderen) te mogen erkennen, om samen met de moeder het ouderlijk gezag over de kinderen uit te oefenen en om een omgangsregeling, dan wel een informatie-/consultatieregeling vast te stellen.
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de rechtbank) heeft bij beschikking van 4 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) – kortgezegd – de voornoemde verzoeken van de man afgewezen en de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek over het gezag.
De man is het daar niet mee eens en wil in hoger beroep dat zijn verzoeken alsnog worden toegewezen.
2De procedure in hoger beroep
De man is op 31 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 4 augustus 2025.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 17 juli 2025;
- op 6 maart 2026 een verslag van de bijzondere curator van 4 maart 2026;
- op 27 maart 2026 een bericht van de man, met als bijlage productie 15.
Het hof heeft [minderjarige 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
De zitting heeft op 30 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en door meneer J. Zulaiman, een tolk in de taal Koerdisch Arabisch. Tevens was er een stagiair van het kantoor van mr. Zengin aanwezig;
- de bijzondere curator;
- de raad, vertegenwoordigd door meneer R. Bark.
De moeder is, ondanks behoorlijk te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen en heeft zich niet laten vertegenwoordigen door een advocaat.
3De feiten
De moeder heeft twee zoons, namelijk:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2021 te [plaats A] .
De moeder en de kinderen wonen thans op een geheim adres.
De nationaliteit van de man is volgens de Basisregistratie Personen (BRP) onbekend. Hij heeft vermoedelijk de Irakese nationaliteit. De man heeft sinds 9 augustus 2015 een asielvergunning voor onbepaalde tijd.
De moeder en de kinderen hebben sinds 14 februari 2024 de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2021 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming [plaats A] (GI [jeugdbescherming] ), tot 28 januari 2022. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2022 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI [jeugdbescherming] tot
27 januari 2023, welke bij beschikking van 24 januari 2023 door de rechtbank is verlengd tot 27 januari 2024.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2023 is mr. J. Oversluizen, kantoorhoudende te Rotterdam, op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemd tot bijzondere curator van de kinderen.
Bij beschikking van de rechtbank van 15 december 2023 is de taak van bijzondere curator Oversluizen beëindigd en is mr. L.M. Wagemaker, advocaat te Westwoud, gemeente Drechterland, benoemd tot (opvolgend) bijzondere curator voor de kinderen.
Bij beschikking van de rechtbank van 28 mei 2024 is de raad verzocht om een onderzoek te doen naar en rapport en advies uit te brengen over de vraag of erkenning van de kinderen door de man in het belang van de kinderen kan worden geacht, en zo ja, welke gezagssituatie het meest in het belang van de kinderen is. Ook is de raad verzocht onderzoek te doen naar de vraag of een omgangsregeling tussen de man en de kinderen en/of een informatieregeling in het belang van de kinderen kan worden geacht en zo ja, welke omgangsregeling (duur/frequentie) en/of informatieregeling in dat geval in het belang van de kinderen is.
De raad heeft op 24 december 2024 een rapport uitgebracht en geadviseerd om de verzoeken van de man af te wijzen. De raad heeft, na consultatie van het Landelijke Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC), geconcludeerd dat erkenning van de kinderen door de man niet in hun belang is. Er bestaat een reëel risico op eergerelateerd geweld, gelet op de Jezidische cultuur waartoe de man en de moeder behoren. Erkenning van de kinderen brengt het risico mee dat de kinderen door de man van de moeder worden afgenomen. Om de veiligheid te waarborgen dient de verblijfplaats van de moeder en de kinderen voor de man geheim te blijven. De afwijzing van het verzoek van de man om de kinderen te erkennen heeft als gevolg dat hij niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot het verkrijgen van het ouderlijk gezag over de kinderen. Ook indien de man toestemming krijgt om de kinderen te erkennen, acht de raad gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen. Er kan, gelet op de bestaande onveiligheid voor de moeder, van haar niet worden verwacht dat zij overleg voert met de man over aangelegenheden ter zake de opvoeding en verzorging van de kinderen.
Verder is de raad in zijn rapport van mening dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang, omdat er geen sprake is (geweest) van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de kinderen. Een omgangsregeling zou voorts ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen en dit is in strijd met hun zwaarwegende belangen. Het is volgens de raad op dit moment niet mogelijk om toe te werken naar onbelast contact tussen de man en de kinderen. Tot slot dient het vaststellen van een informatie-/consultatieregeling buiten beschouwing te blijven, nu het belang van de kinderen gelet op het voorgaande dit vereist.
4De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om de kinderen te erkennen, en om een omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen, afgewezen. De man is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek om hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen.
De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. het hoger beroep van de man gegrond te verklaren;
II. de bestreden beschikking te vernietigen;
III. zijn verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming om de kinderen te erkennen toe te wijzen;
IV. zijn verzoek om hem mede te belasten met het ouderlijk gezag, zodat hij vanaf heden met de moeder het gezamenlijk gezag zal uitoefenen, toe te wijzen, en
V. zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen toe te wijzen.
Subsidiair:
VI. het hoger beroep van de man gegrond te verklaren;
VII. de bestreden beschikking te vernietigen;
VIII. zijn verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming om de kinderen te erkennen toe te wijzen;
IX. zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen toe te wijzen;
X. zijn verzoek tot het vaststellen van een informatie-/ consultatieregeling toe te wijzen
5De motivering van de beslissing
Het standpunt van de man
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek heeft afgewezen om vervangende toestemming te verlenen om de kinderen te erkennen. Het wordt niet betwist dat de man de verwekker is van de kinderen en het is dan ook van belang dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke werkelijkheid. De belangen van de moeder en de kinderen zullen niet in het geding komen door de erkenning. De man betwist dat er, vanwege de Jezidische gemeenschap waartoe de man en de moeder behoren, een risico bestaat op eergerelateerd geweld. Zo zijn er geen concrete feiten of omstandigheden waaruit dit zou blijken. De man ontkent niet dat er momenten zijn geweest waarop hij gewelddadig was in de relatie met de moeder en hij betreurt dit ten zeerste. Sindsdien heeft hij echter een positieve ontwikkeling doorgemaakt, zo heeft hij reeds tien maanden geen alcohol gedronken en is hij in behandeling voor zijn agressieproblematiek.
Verder stelt de man dat hij ontvankelijk is in zijn verzoek tot verkrijging van het gezag en dat het uitgangspunt van de wet, te weten gezamenlijk gezag, gevolgd dient te worden. Toen de ouders samenwoonden namen zij feitelijk gezamenlijk alle gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] . Indien het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen, heeft de man – gelet op het bestaan van (intended) family life – recht op informatieverschaffing van de moeder over de kinderen.
Ten aanzien van de omgang wordt er niet voldaan aan één van de ontzeggingsgronden waarop een verzoek tot omgang kan worden afgewezen. Omgang is in beginsel in het belang van de kinderen en zoals de rechtbank terecht vaststelde is er sprake van (intended) family life tussen de man de kinderen. De omgang dient dan ook zo snel mogelijk opgestart te worden met een opbouwregeling die passend is bij de behoeften van de kinderen. De man betreurt het ten zeerste dat hij de kinderen op dit moment niet ziet en hij wil graag een rol hebben in het leven van de kinderen.
De visie van de bijzondere curator
De bijzondere curator heeft in haar verslag van 4 maart 2026 gepersisteerd bij haar advies in eerste aanleg en adviseert het hof om de verzoeken van de man af te wijzen. De bijzondere curator heeft op 19 februari 2026 met de kinderen gesproken. [minderjarige 1] geeft aan dat het goed met hem gaat, hij zit in de derde klas en denkt aan een toekomst in de ICT. [minderjarige 1] heeft geen positieve herinneringen aan de man, zo was hij vroeger vaak dronken thuis. [minderjarige 2] gaat sinds kort naar de basisschool. Hij kan niet antwoorden op de vraag of hij weet wie zijn vader is.
Ter zitting in hoger beroep heeft de bijzondere curator aangevuld dat – hoewel de moeder en de kinderen op dit moment rust ervaren – de angst om eerwraak en agressie van de man nog de boventoon voert binnen het gezin. Het is daarom van belang dat in de belangenafweging die het hof in deze zaak moet maken de rust en veiligheid van de kinderen prevaleert.
Het advies van de raad
De raad heeft ter zitting in hoger beroep gepersisteerd bij de adviezen in het raadsrapport van 24 december 2024. Het LEC was betrokken bij het onderzoek van de raad en op basis van de achtergrond van de ouders is er volgens het LEC kans op eergerelateerd geweld, niet alleen vanuit (de familie van) de man maar ook vanuit de familie van de moeder. In het verleden was er sprake van huiselijk geweld van de man naar de moeder en de man heeft de buurman bedreigd met een mes. De raad heeft in 2021 een jeugdbeschermingsonderzoek gedaan in verband met het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen. [minderjarige 1] heeft toen al aangegeven dat hij angsten had voor de man. [minderjarige 2] heeft de man nooit gekend, maar hij is opgegroeid in een gevoel van onrust en onveiligheid vanwege de angst van de moeder voor de man. [minderjarige 2] kan zich pas veilig voelen als de moeder zich veilig voelt en daar is op dit moment geen sprake van. Over het onderzoek door het LEC wijst de raad er ter zitting nog op dat bij dit onderzoek is ingegaan op de concrete situatie van de moeder en de man en dat het advies van het LEC specifiek betrekking heeft op de concrete en individuele situatie waarin de moeder zich ten tijde van het onderzoek bevond.
De beoordeling door het hof
Vervangende toestemming tot erkenning
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:204 BW volgt dat een persoon die het kind wil erkennen, daarvoor schriftelijke toestemming van de moeder nodig heeft als het kind jonger is dan zestien jaar. Als het kind tussen de twaalf en zestien jaar oud is, dient bovendien het kind zelf ook schriftelijk toestemming te geven voor de erkenning. Indien de moeder en/of het kind geen toestemming geven kan de toestemming van de moeder door die van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Een voorwaarde is dat de man de verwekker is van het kind.
Bij de toepassing van deze bepaling dienen de belangen van de betrokkenen te worden afgewogen, waarbij het belang van de persoon die het kind wil erkennen moet worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en de kinderen bij niet-erkenning.
Dat de man de verwekker is van de kinderen, wordt niet betwist en is – ten aanzien van [minderjarige 2] - door middel van een DNA-test bevestigd.
Het hof overweegt als volgt. Uit het raadsrapport van 24 december 2024 blijkt dat de man en de moeder in december 2009 conform het Jezidisch geloof zijn getrouwd. De man en de moeder zijn in Nederland nooit voor de wet getrouwd. De moeder is in 2010 van Irak naar Nederland gevlucht en in 2011 zijn de man en de moeder gaan samenwonen in [plaats C] . [in] 2011 is [minderjarige 1] geboren. Uit het raadsrapport is op te maken dat er sprake was van een complexe gezinssituatie. Begin oktober 2021 is aan de man een huisverbod opgelegd tot 13 oktober 2021, na een spoedonderzoek van het Crisis Interventie Team en Veilig Thuis [plaats A] vanwege het mishandelen van de moeder door de man. Eind oktober 2021 waren er grote zorgen bij de raad om de kinderen, vanwege de zorgelijke verhalen van de moeder over wat er tussen de man en de moeder in de thuissituatie is gebeurd. Van 30 oktober 2021 tot en met 12 november 2021 is de man gedetineerd geweest vanwege het bedreigen van een buurman met een mes. [in] 2021 is [minderjarige 2] geboren. Kort na de geboorte van [minderjarige 2] zijn de moeder en de kinderen opgevangen bij [XX] , een opvangvoorziening die veiligheid en bescherming biedt bij geweld in afhankelijkheidsrelaties. Daarna zijn de moeder en de kinderen overgeplaatst naar de opvangvoorziening [XXX] , op een afdeling voor mensen die slachtoffer kunnen zijn van eergerelateerd geweld. Hierbij was sprake van ‘code rood’, wat inhoudt dat de moeder en de kinderen niet naar buiten of naar huis mochten. Van 28 oktober 2021 tot 27 januari 2024 stonden de kinderen onder toezicht. De raad heeft vanwege de ondertoezichtstelling een jeugdbeschermingsonderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat de opvoedomgeving van de kinderen onvoldoende tegemoetkwam aan wat de kinderen nodig hadden. Vanuit de jeugdbescherming moest zicht komen op de veiligheid van de moeder en de kinderen, en op hun woonperspectief. In het verslag van 8 mei 2024 van de voorgaande bijzondere curator is te lezen dat de moeder om veiligheidsredenen met de kinderen op een geheim adres verblijft. De (voorgaand) bijzondere curator gaf aan dat bij de man sprake leek te zijn van psychische en alcoholproblematiek en dat vanwege zijn (toenmalig) verblijf in Duitsland de ingezette hulpverlening en het reclasseringstraject niet van de grond kwamen.
Het hof overweegt dat de bevindingen van het LEC in het raadsrapport geen algemene beschouwing behelzen, zoals de man stelt. De raad heeft ter zitting aangegeven dat het LEC een uitgebreid veiligheidsonderzoek heeft gedaan en aan de hand van vragenlijsten is nagegaan in hoeverre binnen deze gezins- en familieverhoudingen een risico bestaat op eergerelateerd geweld. Op basis van concrete feiten en omstandigheden in het dossier heeft het LEC geconcludeerd dat er sprake is van een zeer onveilige situatie vanwege het risico op eerwraak, gelet op de afkomst van de man en de moeder. De moeder heeft volgens de Jezidi gebruiken de familie-eer geschonden van zowel de familie van de man als haar eigen familie, door van de man te scheiden en de kinderen niet aan hem af te staan. Hierdoor is volgens het LEC een permanent gevaar voor de moeder en de kinderen ontstaan. De man heeft niet kunnen uitleggen waarom dit, in afwijking van de culturele gebruiken, bij zijn familie anders zou zijn, aldus het LEC.
De moeder is niet in deze procedure verschenen en zij heeft zich niet laten bijstaan door een advocaat. De raad heeft in het kader van voornoemd onderzoek in oktober 2024 contact gehad met de moeder. De moeder gaf aan dat zij veel angst voelt voor de man. Hij is volgens de moeder een gevaar voor de moeder, de kinderen en voor zichzelf. De moeder vreest dat het door de erkenning voor de man makkelijker voor hem zal worden om de kinderen mee te nemen naar familie in Duitsland of Irak. Ook met haar eigen familie heeft de moeder geen contact uit angst voor eergerelateerd geweld vanwege haar scheiding van de man.
Het hof acht op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat er bij de moeder sprake is van reële angst voor de man ten gevolge van de geschetste gebeurtenissen en de voor de moeder permanent aanwezige dreiging van eergerelateerd geweld. Gezien de ernstige incidenten in het verleden tussen de man en de moeder beschouwt het hof de angst van de moeder niet slechts als emotionele weerstand tegen erkenning door de man.
Omdat [minderjarige 1] inmiddels vijftien jaar oud is, dient ook hij – naast de moeder – schriftelijk toestemming te verlenen voor de erkenning. [minderjarige 1] heeft bij beide bijzondere curatoren aangegeven ernstige bezwaren te hebben tegen zijn erkenning door de man. Ingevolge artikel 1:204 BW kan de toestemming van [minderjarige 1] worden vervangen, waarbij het hof een afweging maakt tussen de belangen van de man bij erkenning enerzijds, en anderzijds de belangen van de moeder en de kinderen bij een ongestoorde verhouding met elkaar.
Het hof is van oordeel dat het belang van [minderjarige 1] bij niet-erkenning zwaarder weegt dan het belang van de man bij erkenning. [minderjarige 1] heeft in zijn gesprek met de bijzondere curator op
19 februari 2026 aangegeven dat hij geen fijne of mooie herinneringen heeft aan de man. Hij heeft geen nieuwsgierigheid naar het leren kennen van de man en hij wil dat de man hem met rust laat. [minderjarige 1] heeft inmiddels geen angst meer voor de man en hij heeft de man losgelaten zodat hij verder kan met zijn leven. [minderjarige 1] wil rust en hij ervaart de procedures die de man voert over de erkenning, het gezag en de omgang als belastend.
Het hof acht deze bezwaren zo zwaarwegend dat erkenning achterwege dient te blijven, te meer omdat aan de mening van [minderjarige 1] veel waarde moet worden gehecht gelet op zijn leeftijd. Gelet hierop is niet voldaan aan de vereisten voor het verlenen van vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 BW. Het verzoek van de man om [minderjarige 1] te erkennen wordt afgewezen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigd.
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt het hof als volgt. [minderjarige 2] is geboren in de periode waarin de relatie tussen de moeder en de man is beëindigd. Voor de moeder en [minderjarige 1] was dit een onveilige periode. De aanloop naar de relatiebreuk is gepaard gegaan met huiselijk geweld. Hoewel [minderjarige 2] in die periode nog niet geboren was, geldt ook voor hem dat hij vanaf het prilste begin van zijn leven te kampen heeft gehad met bovengemiddelde gevoelens van angst en onrust. Ook [minderjarige 2] heeft extra behoefte aan rust en aan een zo veilig mogelijke omgeving waarin hij kan opgroeien.
Het hof acht het, net zoals de raad en de bijzondere curator, van belang dat de huidige situatie waarin de kinderen rust ervaren niet wordt verstoord. Het belang van [minderjarige 2] loopt parallel met het belang van de moeder, nu de gedragingen van de man en de angst van de moeder als gevolg daarvan ook invloed hebben op [minderjarige 2] en zijn opvoedingsklimaat. Om de situatie voor [minderjarige 2] stabiel te houden, heeft hij een moeder nodig die evenwichtig in het leven staat. In de gegeven omstandigheden acht het hof de kans onaanvaardbaar groot dat de moeder ten gevolge van de erkenning door de man van [minderjarige 2] in een zodanige onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren, dat zij daardoor niet in staat is om [minderjarige 2] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft. Dit schaadt het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de kinderen. Het hof acht het ook een reëel risico dat [minderjarige 2] na erkenning zal worden belemmerd in zijn evenwichtige sociaalpsychologische ontwikkeling. De psychische onrust die de erkenning bij de moeder veroorzaakt, zal zijn weerslag hebben op [minderjarige 2] . De druk en de spanningen in de opvoedomgeving van de kinderen zijn schadelijk voor hen. Hierbij dient het belang van [minderjarige 2] bij een stabiele en veilige opvoedomgeving zwaarder te wegen dan het belang van de man bij erkenning. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat zowel de bijzondere curator(en) als de raad erkenning op dit moment niet in het belang van [minderjarige 2] achten. Verder laat het hof meewegen dat het bekend is dat de man de verwekker is van [minderjarige 2] . Het is dan ook niet zo dat [minderjarige 2] in het ongewisse wordt gelaten over zijn biologische afstamming, wat een negatieve invloed op zijn identiteitsontwikkeling als gevolg kan hebben.
Voorgaande betekent dat het hof ook het verzoek van de man ten aanzien van de erkenning van [minderjarige 2] afwijst. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking in zoverre.
Het gezag
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:253c, lid 1, BW volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind (waarmee in dit geval wordt bedoeld de juridische vader van het kind) die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. In lid twee is bepaald dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Nu het hof het verzoek van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen te verlenen afwijst, kan de man niet beschouwd worden als de tot het gezag bevoegde (juridisch) ouder in de zin van artikel 1:253c, lid 1, BW. Dit betekent dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om hem te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen.
Omgang
Het wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter kan op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Uit het derde lid van dit artikel volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Het recht op omgang komt in beginsel toe aan de juridisch ouder en aan degene die in een nauwe of persoonlijke betrekking tot het kind staat. Nu de man niet de juridisch vader is van de kinderen, dient te worden beoordeeld of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de kinderen, het zogeheten ‘family life’.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat tussen de man en [minderjarige 1] family life bestaat. Onweersproken is gesteld dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1] , [minderjarige 1] is geboren uit een relatie van enige duur tussen de moeder en de man en de man en de moeder hebben na de geboorte van [minderjarige 1] enige tijd in gezinsverband samengewoond. Het hof concludeert dat er in ieder geval in de periode tot het definitief beëindigen van de relatie tussen de moeder en de man een nauwe persoonlijke betrekking – family life – is ontstaan tussen de man en [minderjarige 1] , en dat deze sindsdien niet is opgehouden te bestaan.
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt het hof dat de man [minderjarige 2] nooit heeft ontmoet noch contact met hem heeft gehad. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. EHRM 21 december 2010, nr. 20578/07, NJ 2011, 508, Anayo tegen Duitsland) kan ook in gevallen waarin geen feitelijk contact met het kind heeft plaatsgevonden, sprake zijn van family life indien de man het voornemen had om invulling te geven aan het gezinsleven en hij daartoe stappen wilde ondernemen, maar daarin is belemmerd door omstandigheden die niet (volledig) aan hem zijn toe te rekenen. In dat geval kan worden gesproken van ‘intended family life’.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat tussen de man en [minderjarige 2] sprake is van intended family life. De man heeft herhaaldelijk aangegeven dat hij [minderjarige 2] wil erkennen, een omgangsregeling met hem wil en hij heeft hiertoe juridische stappen gezet. De man heeft meermaals uitgesproken dat hij een rol wil spelen in het leven van [minderjarige 2] . Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk dat de wens van de man om [minderjarige 2] te leren kennen serieus, diep en bestendig is.
Het voorgaande betekent dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , op grond van het bestaan van (intended) family life tussen hen.
Ten aanzien van [minderjarige 1] overweegt het hof als volgt. Het laatste contact tussen [minderjarige 1] en de man dateert van juni 2022, toen zij onder begeleiding met elkaar gebeld hebben. [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de bijzondere curator in februari 2026 aangegeven dat hij dit als een onprettig gesprek heeft ervaren. [minderjarige 1] geeft aan absoluut geen behoefte te hebben aan (video)contact met de man. Volgens de bijzondere curator is de weerstand van [minderjarige 1] tegen contact met de man ontstaan door het niet hebben van fijne herinneringen aan de man en door de angst van de moeder voor eerwraak vanuit de man. Het hof is gebleken dat [minderjarige 1] consistent is in zijn mening, zo heeft hij de afgelopen jaren bij meerdere instanties (zoals de raad en de twee bijzondere curatoren) herhaaldelijk en gemotiveerd zijn weerstand uitgesproken tegen contact met de man.
Het hof is van oordeel dat, mede gelet op zijn leeftijd, aan de mening van [minderjarige 1] zwaarwegend belang gehecht moet worden. Omdat [minderjarige 1] ernstige bezwaren tegen omgang met de man heeft geuit, ontzegt het hof aan de man het recht op omgang met [minderjarige 1] op grond van artikel 1:377a, lid 3, sub c, BW. Dit betekent dat het verzoek van de man om omgang met [minderjarige 1] wordt afgewezen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigd.
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt het hof als volgt. De man zit inmiddels niet meer gedetineerd en verblijft – op vrijwillige basis – sinds acht maanden bij [X] Zorg, locatie [plaats A] , een hulpverleningsinstantie die gespecialiseerde zorg en hulp biedt aan mensen met psychiatrische problemen. De man stelt dat hij sinds 10 maanden geen alcohol meer drinkt en dat hij medicatie gebruikt vanwege psychiatrische problematiek.
Met de raad acht het hof het positief dat de man inmiddels bij [X] verblijft en dat hij geen alcohol meer drinkt. De man werkt op dit moment aan zichzelf en dit is te prijzen. De wens van de man om [minderjarige 2] te ontmoeten is ook invoelbaar. Desondanks hebben de raad en de bijzondere curator ter zitting in hoger beroep aangegeven een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 2] op dit moment niet in het belang van [minderjarige 2] te achten. Volgens de raad toont de man nog onvoldoende probleeminzicht en hij dient een extra stap te zetten om het vertrouwen terug te krijgen, gelet op de gebeurtenissen in het verleden. Volgens de bijzondere curator kunnen de kinderen worden gezien als een eenheid, en [minderjarige 1] voelt zich verantwoordelijk voor en betrokken bij het welzijn van [minderjarige 2] . Een omgangsregeling van [minderjarige 2] met de man zal voor onrust en een sterk gevoel van onveiligheid binnen het gezin zorgen, zowel bij de moeder als bij [minderjarige 1] en daarmee ook bij [minderjarige 2] .
Het hof volgt de mening van de raad dat de man vooralsnog onvoldoende inzicht heeft in al hetgeen is gebeurd tussen partijen in het verleden en welke invloed dit nog steeds heeft op het welbevinden en de ontwikkeling van de kinderen en de moeder. Zo heeft de man ter zitting in hoger beroep gesteld dat hij nooit ruzie heeft gehad met de moeder en dat hij in het verleden, toen zij samenwoonden, nooit boos is geweest op de moeder of de kinderen. De man geeft aan dat de moeder geen reden heeft om bang voor hem te zijn. Over het laatste videobelmoment tussen [minderjarige 1] en de man geeft de man aan dat dit gesprek heel goed verliep, uitstekend zelfs.
Het voorgaande komt niet overeen met de in rechtsoverweging 5.6 geschetste geschiedenis van de relatie van partijen. Bovendien heeft de man in zijn beroepschrift niet ontkend dat hij gewelddadig is geweest in de relatie met de moeder. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de angst van de moeder voor hem niet langer terecht is. Hij is niet in staat de angsten die bij de moeder en de kinderen thans nog aanwezig zijn te erkennen. Het hof neemt daarbij mee dat de angst van de moeder voor de man van zodanige aard is dat daarmee ook [minderjarige 2] wordt getroffen, omdat de spanningen van de moeder die een omgangsregeling veroorzaken ook door [minderjarige 2] te voelen zullen zijn. Ook indien het eerste jaar alleen videocontact plaatsvindt, zoals de man voorstelt, kan dit zorgen voor onrust, spanningen en disbalans binnen het gezin van de moeder met de kinderen. Dit is in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige 2] .
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met betrekking tot [minderjarige 2] sprake is van de ontzeggingsgrond voor omgang als bedoeld in artikel 1:377a, lid 3, sub d, BW. Het hof wijst het verzoek van de man tot omgang met [minderjarige 2] af en bekrachtigt de bestreden beschikking in zoverre.
Informatie-/ consultatieregeling
Het wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. In het tweede lid van voornoemd artikel is opgenomen dat indien het belang van het kind dit vereist, de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve kan bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
De man voert aan dat de rechtbank niet heeft beslist op zijn verzoek tot het vaststellen van een informatie-/consultatieregeling. Het hof stelt vast dat dit verzoek niet expliciet is opgenomen in de overwegingen van de rechtbank, noch in het dictum. Voor zover sprake is van een omissie, dient het hoger beroep ertoe om dit te herstellen.
Vooropgesteld wordt dat de wet in artikel 1:377b BW alleen een recht op informatie en consultatie toekent aan de (niet met het gezag belaste) ouder. Met ouder in de zin van dit artikel wordt bedoeld degene die de juridische ouder van het kind is. Omdat de man geen vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen krijgt, is hij geen ouder in de zin van artikel 1:377b BW. Uit de rechtspraak blijkt evenwel dat ook anderen dan de (niet met het gezag belaste) ouder recht kunnen hebben op informatie over het kind. Hierbij is voor wat betreft de ontvankelijkheid van het verzoek vereist dat de persoon die daarop aanspraak maakt in een relatie tot het kind staat die is aan te merken als ‘(intended) family life’ in de zin van artikel
8 EVRM. Omdat het hof in rechtsoverweging 5.15 heeft geoordeeld dat er sprake is van (intended) family life tussen de man en de kinderen, is de man ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een informatie- en consultatieregeling.
Een consultatieregeling tussen ouders is een regeling waarbij de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, verplicht is de andere ouder te betrekken bij belangrijke beslissingen over het kind. Consultatie is meer dan alleen informeren; de ene ouder dient de andere ouder te raadplegen vóór een (belangrijke) beslissing wordt genomen.
Het hof overweegt dat het vaststellen van een rechtstreekse consultatieregeling in de huidige omstandigheden is uitgesloten. Er is geen vorm van communicatie tussen de moeder en de man en zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.16 en 5.18 overwogen is het recht op omgang van de man met de kinderen ontzegd. Dit heeft als gevolg dat er voorlopig geen omgang zal plaatsvinden tussen de man en de kinderen. In het kader van een consultatieregeling dient de verzoekende persoon een inschatting te kunnen maken van de behoeften van de kinderen en hierover het gesprek te kunnen aangaan met de andere ouder. Het hof stelt vast dat aan deze voorwaarden voor het vaststellen van een consultatieregeling niet is voldaan. Ook zal het verplichten van de moeder om de man te consulteren ten aanzien van te nemen beslissingen over de kinderen bij de moeder tot veel spanning leiden, hetgeen de kinderen niet ten goede zal komen. Het hof acht dan ook op dit moment het vaststellen van een consultatieregeling niet in het belang van de kinderen en wijst het verzoek van de man af.
Ten aanzien van het verzoek tot een informatieregeling overweegt het hof als volgt. De moeder woont op een geheime locatie en elke vorm van contact met de man roept bij haar de angst op dat de man de locatie van haar verblijfplaats met de kinderen kan achterhalen. Ter zitting is het voorstel van de advocaat van de man besproken om de informatieregeling via een derde te laten verlopen, bijvoorbeeld de advocaat van de man. Los van de vraag of de moeder zich hiertegen zal verzetten, acht het hof dit voorstel niet in het belang van de kinderen. [minderjarige 1] heeft bij de bijzondere curator aangegeven dat hij niet wenst dat de man informatie of foto’s van hem ontvangt. [minderjarige 1] zou dit als onprettig en naar ervaren. De man heeft eerder, volgens [minderjarige 1] , geprobeerd om via [minderjarige 1] informatie te verkrijgen over de verblijfplaats van de moeder en de kinderen. De man betwist dit. Wat hier verder ook van zij, het vaststellen van een informatieregeling zal – ook indien de regeling via een derde verloopt – voor dusdanig veel spanning en angst bij de moeder zorgen dat dit niet in het belang van de kinderen is. Ook hierbij geldt dat de man zal moeten aantonen dat zijn gedrag wezenlijk is veranderd en dat hij daadwerkelijk inzicht heeft in en erkenning kan geven voor hetgeen hij bij de moeder en de kinderen heeft veroorzaakt, alvorens het aan hem verstrekken van informatie over de kinderen kan worden overwogen. Het vaststellen van een informatieregeling zou bovendien betekenen dat de moeder wordt verplicht te handelen tegen de uitdrukkelijke wens van [minderjarige 1] , waardoor de verhouding tussen beiden onder druk kan komen te staan. De kinderen groeien op bij de moeder en zijn van haar afhankelijk. Het is dan ook van groot belang dat de gemoedstoestand van de moeder stabiel is en dat zij niet permanent in angst leeft voor de mogelijkheid dat de man via de informatieregeling de verblijfplaats van haar en de kinderen kan achterhalen. Het belang van de kinderen bij stabiliteit en rust weegt zwaarder dan het door de man gestelde belang bij een informatieregeling. Het hof zal daarom het verzoek van de man tot het vaststellen van een informatieregeling afwijzen.
Einde taak bijzondere curator
Tot slot stelt het hof vast dat de bijzondere curator haar taak heeft voltooid. Het hof zal de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd beschouwen.
6De beslissing
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot verkrijging van het gezag over de kinderen;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.F.E. Geerlings, F. Kleefmann en M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 28 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
