Essentie (gemaakt door AI)
Vervangende toestemming voor erkenning naar Roemeens recht is niet nodig, nu toestemming van moeder daar geen vereiste is (art. 10:95 BW). De erkenning kan bij de burgerlijke stand plaatsvinden. De rechtbank beslist dat na erkenning niet van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaat, omdat moeder niet achter de erkenning staat; dit wordt gelijkgesteld met afzien van gezamenlijk gezag (art. 1:251b lid 2 BW). Moeder krijgt eenhoofdig gezag; voogdij GI eindigt van rechtswege. Onder toezichtstelling wordt toegewezen; raadsonderzoek naar gezamenlijk gezag en omgang| Datum publicatie | 08-05-2026 |
| Zaaknummer | C/10/689261 / FA RK 24-8473 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR ouderlijke verantwoordelijkheid; Kinderen; Gezag; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Erkenning naar Roemeens recht. De rechtbank beantwoordt de vraag of in deze situatie van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaat ontkennend. De in artikel 1:251b lid 2 BW beschreven situatie dat de moeder en de erkenner afzien van gezamenlijk gezag wordt gelijkgesteld aan de situatie waarin de moeder niet achter de erkenning staat.Volledige uitspraak
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/689261 / FA RK 24-8473
Beschikking van 24 april 2026 over vervangende toestemming voor erkenning, het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de meerderjarigheidsverklaring
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
bijgestaan door advocaat mr. M.M. Cizrelioglu te Rotterdam.
In deze zaak zijn belanghebbenden:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
met aanvankelijk als advocaat mr. L.A. Middelkoop te Rotterdam,
op dit moment mr. G.E. van der Pols te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna: de GI,
gevestigd te Rotterdam.
Verder zijn bij de procedure betrokken, aanvankelijk als belanghebbenden en sinds de meerderjarigheid van de vrouw als informanten:
[naam grootvader] en [naam grootmoeder], hierna: de grootouders moederszijde,
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
bijgestaan door advocaat mr. W.R. Arema,
In deze zaak is als bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] (hierna: de minderjarige) opgetreden:
mr. M.C. Bekkering, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.
1De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van deze rechtbank van 23 december 2024, waarbij mr. Bekkering is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;
-
het voorlopig verslag van de bijzondere curator van 25 februari 2025;
-
het bericht van de bijzondere curator van 3 maart 2025;
-
het eindverslag van de bijzondere curator van 14 maart 2025;
-
het bericht van de man van 27 maart 2025;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 7 april 2025;
-
het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek van de man met bijlagen, ingekomen op 19 mei 2025;
-
het bericht van de vrouw met bijlage van 12 januari 2026;
-
het bericht van de vrouw met bijlage van 7 februari 2026;
-
het bericht van de man van 27 maart 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
mr. M. van Eck, bijzondere curator, waarnemend voor mr. Bekkering;
-
de gecertificeerde instelling (hierna: de GI), vertegenwoordigd door [persoon A] en [persoon B] ;
-
de grootvader moederszijde, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon C] .
2De vaststaande feiten
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
De vrouw is de moeder van de minderjarige [minderjarige] , geboren op
[geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .
De man is de biologische vader van de minderjarige.
De minderjarige is niet erkend.
Ten tijde van de geboorte van de minderjarige waren zowel de vrouw als de man nog minderjarig.
Bij beschikking van 6 november 2024 is de minderjarige onder voorlopige voogdij gesteld van de GI voor de duur van drie maanden. Deze beschikking is in stand gelaten bij de beschikking van 18 november 2024.
De vrouw is op 16 oktober 2025 meerderjarig geworden.
De man, de vrouw en de minderjarige hebben de Roemeense nationaliteit.
3De beoordeling
Vervangende toestemming
De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen voor erkenning van de minderjarige.
De bijzondere curator acht een erkenning van de minderjarige door de man in diens belang en adviseert de rechtbank om het verzoek toe te wijzen.
De vrouw en de GI stemmen beiden in met een erkenning van de minderjarige door de man.
Rechtsmacht
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht, omdat de man en de vrouw hun woonplaats in Nederland hebben.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:95 BW wordt de vraag of erkenning door een persoon familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens welk recht de erkenning mogelijk is. Als volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Is erkenning ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Bezit het kind de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens welk recht de erkenning mogelijk is. Is erkenning ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de persoon, die wil erkennen.
Uit het voorgaande volgt dat het Roemeens recht van toepassing is op de erkenning omdat de man de Roemeense nationaliteit heeft. Aangezien ook de vrouw de Roemeense nationaliteit heeft, is het Roemeens recht eveneens van toepassing op de vervangende toestemming voor erkenning.
Het Roemeense familierecht, neergelegd in de ‘Codul Civil’, kent de rechtsfiguur erkenning. Op grond van artikel 416 van de Codul Civil gebeurt de erkenning van een kind door een verklaring afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand dan wel door een notariële akte of door een testament.
In het Roemeense recht is niet de vereiste opgenomen dat de vrouw toestemming verleent voor de erkenning. De man heeft daarom in beginsel geen belang bij zijn verzoek tot vervangende toestemming. Hij kan zich wenden tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam, die op basis van de in artikel 416 onder sub a Codul Civil vermelde verklaring, een akte van erkenning zal opmaken. De rechtbank zal hierna onder 3.3.4 stilstaan bij de gevolgen hiervan voor het gezag.
De rechtbank is ermee bekend dat de toepassing van buitenlands recht op de erkenning soms tot onduidelijkheid leidt en de akte van erkenning om die reden soms ten onrechte niet wordt opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid besproken om voor die situatie voorwaardelijk vervangende toestemming te geven voor de erkenning. De rechtbank zal daar echter niet toe overgaan. Hiervoor is namelijk al geconstateerd dat de erkenning niet wordt beheerst door het Nederlands recht. Daarbij is van belang dat er ook een andere route is om een familierechtelijke betrekking te vestigen en wel via de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. Op grond van artikel 10:97 BW is daarop Roemeens recht van toepassing, welk recht de figuur van gerechtelijke vaststelling ook kent (artikel 424 Codul Civil). Zo’n verzoek kan onder meer worden ingesteld namens de minderjarige (artikel 425 Codul Civil). Een dergelijk verzoek ligt echter niet voor. Bovendien heeft de rechtbank hiervoor al aangegeven dat een dergelijk verzoek niet nodig is, omdat de man gerechtigd is de minderjarige te erkennen.
De rechtbank verzoekt partijen om de rechtbank te informeren of de erkenning heeft plaatsgevonden. Indien dat het geval is, dan kan de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd worden beschouwd.
Meerderjarigheidsverklaring
De vrouw is op 16 oktober 2025 meerderjarig geworden. Zij heeft daarom haar verzoek dat ertoe strekt haar meerderjarig te verklaren ingetrokken. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Gezag, zorg- of omgangsregeling en ondertoezichtstelling
De man verzoekt hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige. Daarnaast verzoekt hij een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze.
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen beide verzoeken en verzoekt haar alleen met het gezag over de minderjarige te belasten.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verzocht de minderjarige onder toezicht te plaatsen zodat de GI betrokken blijft.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Uit de onder 1.1 genoemde berichten van de vrouw en de man van dit jaar volgt dat zij zich hebben verzoend en met de minderjarige in gezinsverband samenwonen. De man heeft als gevolg hiervan zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling ingetrokken. Door de vrouw is een bericht van de GI overgelegd waarin de GI de positieve ontwikkelingen benoemt en zegt in te schatten dat ouders in staat zijn om zelfstandig het gezag uit te voeren. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat de relatie van de vrouw en de man zeer recentelijk is verbroken en dat de vrouw met de minderjarige weer bij haar ouders is ingetrokken. De man en de vrouw hebben ieder een andere visie op die breuk en de mogelijkheden voor herstel. Volgens de man ging het slechts om een ruzie die is bijgelegd maar staat de vrouw onder zware druk van grootouders moederszijde om een voortzetting van de relatie af te wijzen. De vrouw betwist beide stellingen uitdrukkelijk.
Belang
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe de gezagspositie van de man is ná de erkenning. Daarvoor geldt het volgende. Op grond van artikel 16 lid 1 HKV 1996 wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Het hier relevante peilmoment betreft het (toekomstige) moment van erkenning. De gewone verblijfplaats van het kind is in dat geval Nederland. Daarmee is Nederlands recht van toepassing.
Op grond van artikel 1:251b lid 1 BW wordt van rechtswege het gezag aan de rechtshandeling van de erkenning gekoppeld. Anders gezegd: erkenning leidt in beginsel tot gezamenlijk gezag. Dit geldt voor erkenningen vanaf 1 januari 2023. Dit zou betekenen dat de man vanaf de (toekomstige) erkenning met het gezag is belast. De erkenning vindt immers plaats ná 1 januari 2023. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat in deze situatie niet van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaat. Daarbij is van belang dat de wetgever ervan uit is gegaan dat de moeder en de erkenner samen achter het gezamenlijk gezag staan. In artikel 1:251b lid 2 BW zijn immers situaties omschreven waarin het gezamenlijk gezag niet van rechtswege tot stand komt. Daaronder is begrepen de situatie dat de moeder en de erkenner afzien van gezamenlijk gezag. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat in het geval als het onderhavige, waarin de vrouw niet achter de erkenning staat, deze gelijkgesteld kan worden met de situatie dat geen gezamenlijk gezag ontstaat.
Het voorgaande betekent dat er belang is bij het verzoek van de man om gezamenlijk gezag. Ook na de erkenning is hij immers nog niet met het gezag belast.
Rechtsmacht
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter Verordening bevoegd te beslissen op bedoelde verzoeken ten aanzien van de minderjarige.
Toepasselijk recht
De rechtbank past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermings-verdrag van 1996 Nederlands recht toe op bedoelde verzoeken.
Gezag
Ter beoordeling liggen voor het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag en het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag.
Op grond van artikel 1:253b BW verkrijgt de vrouw die op het moment van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag van rechtswege het gezag op het tijdstip dat zij daartoe bevoegd wordt. Dit geldt niet als op dat tijdstip een ander met het gezag is belast. In die situatie kan de tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank verzoeken hem of haar met het gezag over het kind te belasten. Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, als gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
De man kan daarop verzoeken hem op grond van artikel 1:253c BW mede met het gezag te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van artikel 1:253c BW slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Hoewel de man pas na een erkenning van de minderjarige juridisch ouder is in die zin van dit artikel, zal de rechtbank zijn verzoek wel al beoordelen.
De GI stelt nooit zorgen te hebben gehad over de opvoedingssituatie bij de vrouw en meent dat het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van het ouderlijk gezag kan worden toegewezen. De GI heeft haar standpunt over gezamenlijk gezag echter naar aanleiding van de relatiebreuk en de onduidelijkheden hierover gewijzigd. Zij acht dit op het moment niet in het belang van de minderjarige.
De raad adviseert de rechtbank de voogdij van de GI voor nu in stand te laten en een raadsonderzoek te gelasten naar het gezag.
De rechtbank overweegt dat er geen enkele vrees bestaat bij de GI of andere betrokkenen dat de belangen van de minderjarige worden verwaarloosd bij een toekenning van het gezag aan de vrouw. Er is daarom geen aanleiding voor een aanhouding van het verzoek. De rechtbank zal het verzoek toewijzen.
Met een toekenning van het gezag aan de vrouw, wordt de voogdij van de GI op grond van artikel 1:281 onder b BW van rechtswege beëindigd. Hierop is dus geen afzonderlijke beslissing nodig.
Ten aanzien van het gezag van de man, acht de rechtbank zich echter onvoldoende ingelicht. Deze zaak gaat om twee jonge ouders die tijdens hun beider minderjarigheid een kind hebben gekregen. Ze zijn twee maal samen naar het buitenland gegaan en de vrouw heeft beide keren na terugkomst kort in een gesloten instelling verbleven. Volgens de vrouw was sprake van huiselijk geweld hetgeen de man betwist. De rechtbank stelt vast dat de relatie hoe dan ook zeer turbulent is geweest.
De rechtbank zal de raad verzoeken onderzoek te doen naar de mogelijkheden van gezamenlijk gezag. De behandeling zal daarom op dit punt worden aangehouden.
Zorg- of omgangsregeling contactregelingen ondertoezichtstelling
De man heeft zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling bij bericht van 27 maart 2026 ingetrokken maar heeft tijdens de mondelinge behandeling
– geconfronteerd met het standpunt van de vrouw over hun relatie – gevraagd hier alsnog op te beslissen. Gebleken is dat ook de vrouw en de GI van mening zijn dat de omgangsregeling weer aan de orde is. De rechtbank zal bedoeld verzoek daarom behandelen.
Naast de omgangsregeling ligt tevens voor een verzoek om de minderjarige onder toezicht te stellen van de GI. De vrouw heeft dit verzoek mondeling gedaan, nadat de raad aangaf op dit moment niet tot een indiening ervan te zullen overgaan.
Ondertoezichtstelling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 lid 1 BW een minderjarige onder toezicht stellen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
Aangezien de raad niet tot een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat, is de vrouw bevoegd om op grond van artikel 1:255 lid 2 BW een dergelijk verzoek te doen. Het verzoek is dus ontvankelijk.
Zoals hiervoor al kort besproken, hebben de man en de vrouw op jonge leeftijd en in een relatief korte periode veel meegemaakt. Zij hebben ieder een volstrekt andere visie op hun relatie maar die lijkt zich tegelijkertijd, althans tot voor kort, te kenmerken door een dynamiek van aantrekken en afstoten. Dit zorgt voor onduidelijkheid over toekomstverwachtingen en toekomstverwachtingenbij de man zelfs tot verwarring daarover. Dit ziet de rechtbank als een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige. Het zal voor de man en de vrouw, alsook voor de wederzijdse familie(s), de nodige inspanningen kosten om een verstandhouding en daarmee een ouderrelatie tot stand te brengen waarbinnen ruimte is voor overleg over de minderjarige en onbelaste contacten tussen vader en zoon. De verwachting is dat ouders niet in staat zijn de noodzakelijke hulp daarvoor te benutten. Met de vrouw en de GI is de rechtbank van oordeel dat een voortzetting van de huidige betrokkenheid van de GI bij partijen noodzakelijk is om de noodzakelijke verbetering te realiseren.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW, zodat het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen.
Omgangsregeling
De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden aangewezen dat de raad ook ten aanzien van de omgangsregeling onderzoek zal doen. De behandeling zal daarom eveneens op dit punt worden aangehouden.
De man en de vrouw zijn het er tijdens de mondelinge behandeling over eens geworden dat de GI in aanloop van het onderzoek van de raad en voor de duur ervan als voogd en vervolgens als jeugdbescherming een leidende rol zal hebben in het vormgeven van contacten tussen de man en de minderjarige. Zowel de GI als de raad onderschrijven die rol.
Proceskosten
Omdat ten aanzien van het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4De beslissing
De rechtbank:
belast de vrouw met het ouderlijk gezag over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
stelt de minderjarige vanaf heden tot 24 april 2027 onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met daarbij ook de opdracht zoals vermeld onder 3.3.25;
draagt de man op de rechtbank schriftelijk te berichten zodra de erkenning tot stand is gekomen, waarbij de akte van erkenning aan de rechtbank wordt meegezonden waarna de vrouw in de gelegenheid gesteld is schriftelijk binnen twee weken zich uit te laten of de erkenning uit de akte blijkt;
beschouwt – vanaf het moment dat de onder 4.4 bedoelde erkenning heeft plaatsgevonden – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;
en voordat verder wordt beslist:
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek naar of andere bemoeienis over de mogelijkheden van gezamenlijk gezag en de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip;
houdt de behandeling van de zaak ten aanzien van het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling aan tot 1 februari 2027 pro forma;
bepaalt dat partijen niet behoeven te verschijnen op die datum.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. Ligthart, griffier, op 24 april 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
