Rechtbank Limburg 18-03-2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2495

Essentie (gemaakt door AI)

Uitgestelde opeisbaarheid legitieme portie. Erflater onterft dochter en bepaalt dat de vordering eerst opeisbaar is bij overlijden van partner/levensgezel. De rechtbank oordeelt dat erflater daartoe bevoegd is op grond van art. 4:82 BW, maar slechts voor zover de vordering ten laste van partner komt. De in het testament beoogde (quasi‑)wettelijke verdeling is niet mogelijk en sorteert geen effect. Verhouding met verblijvensbeding uit samenlevingsovereenkomst is beslissend; partijen mogen zich hierover uitlaten. Verdere beslissing aangehouden.

Datum publicatie08-05-2026
ZaaknummerC/03/345710 / HA ZA 25-418
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsRoermond
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Opeisen en innen legitieme portie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Uitgestelde opeisbaarheid legitieme portie. De in het testament van toepassing verklaarde wettelijke verdeling is niet mogelijk. Verhouding met verblijvensbeding in samenlevingsovereenkomst.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/345710 / HA ZA 25-418

Vonnis van 18 maart 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. J. van Berk,

tegen

[gedaagde] , pro se en in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van

[erflater] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. I. Kroezen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 19;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;

- de akte eiswijziging en overlegging producties 20 tot en met 24;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, ter gelegenheid waarvan aan de zijde van [eiseres] spreekaantekeningen zijn overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

[eiseres] is de dochter van [erflater] (hierna te noemen erflater). [gedaagde] is de partner van erflater. [gedaagde] is niet de moeder van [eiseres] . [gedaagde] en erflater hebben samen een dochter, te weten [naam] .

2.2.

Erflater en [gedaagde] hebben op 25 januari 2002 een samenlevingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder andere – en voor zover van belang in deze procedure – in artikel 4.2 het volgende bepaald: ‘Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden evenwel niet gerekend premies van levens- en ongevallenverzekeringen. Deze komen ten laste van degene die deze verschuldigd is jegens de verzekeraar.’

2.3.

Bij testament van 11 juli 2017 heeft erflater voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. In het testament is [gedaagde] benoemd tot executeur. Verder heeft erflater [gedaagde] voor 1/1000ste deel en [naam] voor 999/1000ste deel tot erfgenaam benoemd. Erflater heeft [eiseres] onterfd. In zijn testament heeft erflater verder nog – voor zover van belang in deze procedure – het volgende bepaald:

- F. Verdeling

  1. Voor het geval ik ongehuwd kom te overlijden met achterlating van één of meer afstammelingen, bepaal ik dat mijn nalatenschap moet worden verdeeld als ware er een wettelijke verdeling en inhoudelijk overeenkomend met de wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen aan mijn partner moeten worden toegedeeld, terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt. leder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn partner ter grootte van de waarde van zijn/haar erfdeel.

- K. Legitieme

(…). Ik bepaal dat de vordering van de legitimaris eerst dient te worden ingesteld tegen mijn partner en pas opeisbaar is bij haar overlijden.’

2.4.

Uit de verklaring van erfrecht van 6 februari 2024 volgt dat [gedaagde] en [naam] de nalatenschap zuiver hebben aanvaard en [gedaagde] haar benoeming tot executeur heeft aanvaard.

2.5.

Erflater is overleden op [datum] 2024.

2.6.

Bij brief van 7 oktober 2024 heeft [eiseres] een beroep gedaan op haar legitieme portie. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de hoogte en de opeisbaarheid van de legitieme portie van [eiseres] .

3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na eiswijziging – samengevat:

  • te verklaren voor recht dat de legitieme portie € 56.087,76 bedraagt;

  • [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 56.031,67, zijnde 999/1000ste deel van de legitieme portie, dan wel (subsidiair) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 2.602,00, zijnde de door [eiseres] betaalde erfbelasting. [eiseres] vordert bovendien de wettelijke rente over de primaire, dan wel subsidiaire vordering vanaf datum vonnis;

  • [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.320,95;

  • [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Tussen partijen bestaat discussie over de omvang en opeisbaarheid van de legitieme portie van [eiseres] .

Opeisbaarheid legitieme portie

4.2.

Ten aanzien van de opeisbaarheid van de legitieme portie stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de legitieme portie opeisbaar is, althans voor 999/1000ste deel. Zij voert daarbij aan dat erflater op grond van artikel 4:82 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) weliswaar de bevoegdheid had om bij testament te bepalen dat de legitieme portie pas opeisbaar is na het overlijden van [gedaagde] , maar slechts voor wat betreft het deel dat [gedaagde] toekomt, namelijk 1/1000ste deel. In artikel 4:82 BW is namelijk het volgende bepaald: ‘Een erflater kan aan een uiterste wilsbeschikking (…) de voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot, eerst opeisbaar is na diens overlijden.’

4.3.

Verder stelt [eiseres] dat de legitieme portie een geldschuld is, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen ex artikel 4:80 lid 1 BW en dat elk van de erfgenamen deze geldschuld aangaat naar evenredigheid van zijn erfdeel ex artikel 4:182 lid 2 BW. Nu [gedaagde] erfgenaam is voor 1/1000ste deel van de nalatenschap, heeft erflater volgens [eiseres] niet de mogelijkheid om de schuld aan [eiseres] voor het 999/1000ste deel uitgesteld opeisbaar te maken.

4.4.

[gedaagde] voert verweer en stelt dat de wettelijke verdeling door erflater in artikel F van het testament van toepassing is verklaard, waardoor aan [gedaagde] de goederen van de nalatenschap worden toebedeeld onder de verplichting de schulden te voldoen. Gelet hierop is de legitieme portie – in het licht van het bepaalde in artikel 4:82 BW – niet slechts voor 1/1000ste, maar in haar geheel niet opeisbaar. Duidelijk is dat erflater [gedaagde] beschermd heeft willen achterlaten. Volgens [eiseres] is de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW echter niet van toepassing op de nalatenschap, omdat [gedaagde] en erflater niet getrouwd en geen geregistreerd partners waren, waardoor niet aan de wettelijke vereisten is voldaan.

Erflater was bevoegd om de legitieme portie uitgesteld opeisbaar te maken

4.5.

De rechtbank overweegt dat in artikel 4:82 BW aan een testateur de bevoegdheid is toegekend om bij uiterste wilsbeschikking te bepalen dat de legitieme portie pas opeisbaar is na het overlijden van de langstlevende echtgenoot. Artikel 4:82 BW bepaalt verder dat de levensgezel gelijkgesteld is aan de echtgenoot voor zover de testateur een gemeenschappelijke huishouding met die levensgezel voerde en met die levensgezel een samenlevingsovereenkomst is aangegaan. Niet in geschil is dat [gedaagde] een levensgezel is waarop artikel 4:82 BW van toepassing is. Gelet op het voorgaande was erflater dus bevoegd om te bepalen dat de legitieme portie pas opeisbaar is bij het overlijden van [gedaagde] .

Legitieme portie slechts uitgesteld opeisbaar voor het deel dat [gedaagde] aangaat

4.6.

De vraag is vervolgens of de gehele legitieme portie of slechts een deel daarvan pas opeisbaar is bij het overlijden van [gedaagde] . De rechtbank overweegt allereerst dat voor toepassing van artikel 4:82 BW niet beslissend is of en in hoeverre de levensgezel voor de schuld aan een legitimaris is verbonden maar of en in hoeverre de vordering van een legitimaris ten laste zou komen van die levensgezel. Alleen dat deel dat ten laste komt van [gedaagde] is dus op grond van artikel 4:82 BW pas opeisbaar bij haar overlijden.

4.7.

Erflater heeft onder F van het testament bepaald dat de nalatenschap moet worden verdeeld conform de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW, zodat alle tot de nalatenschap behorende goederen aan [gedaagde] moeten worden toegedeeld, terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt. Verder heeft hij bepaald dat de overige erfgenamen een geldvordering ten laste van [gedaagde] krijgen ter grootte van de waarde van hun erfdeel. Erflater lijkt hiermee de wettelijke verdeling van toepassing te hebben willen verklaren. Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat dat niet mogelijk is nu erflater en [gedaagde] niet gehuwd en geen geregistreerd partners waren. De notaris heeft in zijn e-mail van 20 november 2024 aangegeven dat het testament een quasi-quasi wettelijke verdeling bevat. De rechtbank overweegt dat de bedoeling van erflater gezien de tekst van het testament en de informatie van de notaris volstrekt helder is. De vraag is echter of de bedoelde zogenaamde quasi-quasi wettelijke verdeling tot stand kan worden gebracht door enkel het opnemen van de bepaling onder F. De rechtbank beantwoord deze vraag ontkennend. Om een quasi-quasi wettelijke verdeling tot stand te brengen moet de wettelijke verdeling immers worden nagebootst. Dit kan op meerdere manieren, bijvoorbeeld door het instellen van een afwikkelingsbewind waarbij de partner tot afwikkelingsbewindvoerder wordt benoemd en de bewindvoerder als vertegenwoordiger van de erfgenamen de bevoegdheid krijgt om de goederen van de nalatenschap aan zichzelf toe te delen. In het testament is echter in het geheel geen invulling gegeven aan de quasi-quasi wettelijke verdeling. Dit betekent dat de bepaling onder F geen effect sorteert. Dit leidt ertoe dat aan [gedaagde] op grond van het testament niet de goederen van de nalatenschap kunnen worden toebedeeld onder de verplichting de schulden te voldoen.

4.8.

Omdat [gedaagde] voor 1/1000ste deel erfgenaam is, komt – op grond van het testament – 1/1000ste deel van de legitieme portie van [eiseres] ten laste van [gedaagde] in de zin van artikel 4:82 BW. De rechtbank stuit evenwel op het verblijvensbeding van artikel 8 van de samenlevingsovereenkomst waarin het volgende is bepaald:

  1. Indien het faillissement van een partij wordt aangevraagd of de overeenkomst eindigt door overlijden van één van de partijen, verblijven alle gemeenschappelijke goederen (derhalve ook registergoederen) en schulden aan de andere partij.

  2. Degene, aan wie overeenkomstig het in het vorig lid bepaalde de gemeenschappelijke goederen en schulden verblijven, heeft het recht binnen een maand na het eindigen van de overeenkomst te verklaren, dat hij de verblijving niet wenst. Het in lid 1 genoemde verblijvensbeding heeft dan geen gevolg.

4.9.

[eiseres] heeft ter zitting op de vraag hoe de stelling van [eiseres] met betrekking tot de opeisbaarheid zich verhoudt tot die bepaling uit de samenlevingsovereenkomst geantwoord dat [gedaagde] zich hierop niet heeft beroepen, hetgeen juist is. [eiseres] heeft de samenlevingsovereenkomst echter zelf in het geding gebracht zodat die onderdeel uitmaakt van de processtukken en de rechtbank daar kennis van heeft genomen. De rechtbank ziet zich nu voor het probleem gesteld dat zij de vraag welk deel van de legitimaire vordering ten laste van [gedaagde] komt wellicht niet kan beantwoorden zonder daarbij het verblijvensbeding te betrekken. [gedaagde] heeft zich weliswaar in deze procedure niet op het verblijvensbeding beroepen, maar nu de rechtsgevolgen daarvan – gezien de bewoordingen van het beding – van rechtswege intreden, tenzij [gedaagde] conform lid 2 van het beding tijdig heeft aangegeven dat zij de verblijving niet wenst, kan de rechtbank hieraan niet zonder meer voorbijgaan. De rechtbank wijst voor de volledigheid nog op het bepaalde in artikel 4:126 lid 2 onder a BW jo. artikel 4:129 BW. Nu partijen zich over deze kwestie niet hebben uitgelaten zal de rechtbank hen daartoe alsnog in de gelegenheid stellen en de zaak naar de rol verwijzen. [gedaagde] zal allereerst informatie dienen te verstrekken omtrent de gevolgen die het verblijvensbeding al dan niet heeft gehad. Zij zal in de gelegenheid worden gesteld die informatie bij akte in het geding te brengen en zich uit te laten over de eventuele consequenties daarvan. Vervolgens kan [eiseres] daarop bij akte reageren.

4.10.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 15 april 2026 om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen bij akte informatie in het geding te brengen en zich uit te laten zoals vermeld onder r.o. 4.9, waarna [eiseres] op de rol van vier weken daarna bij akte daarop kan reageren,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733