Essentie (gemaakt door AI)
Wijziging van op grond van art. 1:253t BW ontstaan gezamenlijk gezag. Vastgesteld wordt dat sinds de relatiebreuk sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat man geen gezag meer wil. Verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag wordt toegewezen; moeder krijgt eenhoofdig gezag. Verzoek tot (terug)wijziging geslachtsnaam minderjarige wordt afgewezen wegens ontbreken wettelijke grondslag; na beëindiging van gezag biedt art. 1:253t BW die mogelijkheid niet en analoge toepassing is uitgesloten.| Datum publicatie | 08-05-2026 |
| Zaaknummer | C/02/443948 / FA RK 26/202 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Gezag; Overig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW) |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Wijziging van op grond van artikel 1:253t BW ontstane gezamenlijke gezag. Afwijzing verzoek tot (terug)wijziging geslachtsnaam minderjarige, vanwege gebrek aan juridische grondslag.Volledige uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/443948 / FA RK 26/202
datum uitspraak: 27 maart 2026
beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
en
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld te Breda,
De rechtbank merkt als informant aan:
[de juridische vader] ,
hierna te noemen: de juridische vader,
wonende te [plaats 3] (gemeente Rucphen).
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van het navolgende stuk:
- het op 14 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen.
Het verzoek is mondeling behandeld op 13 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.
Alhoewel correct opgeroepen is de juridische vader niet verschenen.
2De feiten
De vrouw en de juridische vader hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De juridische vader heeft [minderjarige] erkend.
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 mei 2024 is bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan zal worden uitgeoefend door de vrouw en de man tezamen en is de geslachtsnaam van [minderjarige] gewijzigd van ‘ [geslachtsnaam van de vrouw] ’ in ‘ [geslachtsnaam van de man] ’.
3Het verzoek
De vrouw en de man verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het gezag van de man over [minderjarige] te beëindigen;
II. de geslachtsnaam van [minderjarige] terug te wijzigen naar de geslachtsnaam van de moeder, aldus naar ‘ [geslachtsnaam van de vrouw] ’.
4De beoordeling
Op grond van artikel 1:253v lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is op de gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouder en een derde (bedoeld in artikel 1:253t BW) artikel 1:253n BW van overeenkomstige toepassing. Het op grond van artikel 1:253t BW ontstane gezamenlijke gezag kan door een verzoek aan de rechtbank worden beëindigd, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Uit het verzoek van de vrouw en de man en tijdens de zitting is de rechtbank gebleken dat zij sinds 6 november 2025 zijn gescheiden van elkaar en zij niet meer met elkaar en [minderjarige] een gezin vormen. Er is daardoor sprake van een wijziging van omstandigheden sinds de beslissing van 17 mei 2024 tot het gezamenlijk gezag van de vrouw en de man over [minderjarige] . De man heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven geen gezag meer te willen dragen over [minderjarige] . Hij heeft daartoe in een bijgevoegde verklaring aangegeven dat zij niet zijn biologische kind is en hij alleen gezag had omdat hij toen nog voor haar zorgde. Hij heeft nog een biologisch kind en kan niet voor twee kinderen zorgen. De vrouw heeft aangegeven dat [minderjarige] geen contact wil met de man. [minderjarige] heeft de man inmiddels al maanden niet gezien. Zij krijgt psychologische jeugdhulpverlening.
De rechtbank stelt volledigheidshalve vast dat de juridische vader conform artikel 1:253v lid 3 BW in de gelegenheid is gesteld om te verzoeken om gezamenlijk of eenhoofdig ouderlijk gezag. Hij heeft namelijk daarvoor, ondanks dat hij als informant is aangemerkt, een afschrift van het verzoekschrift ontvangen. De juridische vader heeft geen verzoek gedaan. Op dit moment heeft de juridische vader ook al jaren geen rol in het leven van [minderjarige] .
Gezien voormelde omstandigheden stelt de rechtbank, met de Raad, vast dat het verzoek onder I voor toewijzing gereed is. De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag tussen de vrouw en de man beëindigen en bepalen dat de vrouw voortaan alleen is belast met het gezag over [minderjarige] . De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
De rechtbank kan het verzoek onder II niet toewijzen. De geslachtsnaam is op grond van artikel 1:253t lid 5 BW bij beschikking van 17 mei 2024 gewijzigd naar de achternaam van de man: ‘ [geslachtsnaam van de man] ’. De wet biedt deze mogelijkheid nadrukkelijk alleen bij de toewijzing van een verzoek tot gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW en niet bij beëindiging van dat gezag op grond van artikel 1:253v lid 3 BW. Hoewel de rechtbank het zeer ongelukkig vindt dat [minderjarige] door deze leemte in de wet de achternaam van de man behoudt, ziet zij geen grondslag of ruimte voor een analoge toepassing daarvan. Uit andere wetsbepalingen en onder andere het besluit geslachtsnaamswijziging maakt de rechtbank ook op dat de wetgever het heen en terug veranderen van geslachtsnamen ook afkeurt. De rechtbank wijst daarom het verzoek af. De rechtbank heeft de vrouw op de mogelijkheid gewezen van artikel 1:7 BW om bij Dienst Justis een aanvraag in te dienen tot (terug)wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] .
5De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezamenlijk gezag tussen de vrouw en de man en bepaalt dat de vrouw voortaan alleen is belast met het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier een aantekening daarvan te maken in het gezagsregister;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Van de Kraats, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
