Rechtbank Noord-Holland 18-12-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:16029

Essentie (gemaakt door AI)

Ontkenning vaderschap waarin IPR centraal staat. Moeder heeft naast de Nederlandse ook de Eritrese nationaliteit; man is Eritrees. Hoewel art. 10:92 BW tot Eritrees recht zou leiden, past de rechtbank analoog art. 10:17 BW toe nu moeder als voormalige vluchtelinge geen afstand kan doen van de Eritrese nationaliteit. Toepasselijk is daarom het recht van de gewone verblijfplaats van het kind (Nederland). Onder Nederlands recht is voldaan aan art. 1:200 BW en het verzoek van moeder wordt toegewezen.

Datum publicatie08-05-2026
ZaaknummerC/15/367807 / FA RK 25-3753
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAlkmaar
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; Afstamming;
Kinderen; Ontkenning ouderschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Ontkenning vaderschap. Moeder heeft inmiddels Nederlandse nationaliteit, maar ook de Eritrese nationaliteit, omdat zij daarvan geen afstand kan doen. Toepassing 10:17 BW. Wetgever heeft niet in die situatie voorzien.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

ontkenning vaderschap

zaak-/rekestnr.: C/15/367807 / FA RK 25-3753

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 18 december 2025

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M. Koopman, kantoorhoudende te Alkmaar,

--tegen--

[de man] ,

zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,

hierna te noemen de man.

Het minderjarige kind [de minderjarige] wordt vertegenwoordigd door [bijzondere curator] , bijzondere curator.

1Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder, ingekomen op 9 juli 2025;

- de nadere stukken van de zijde van de moeder, ingekomen op 29 juli 2025 en

2 september 2025;

de beschikking van deze rechtbank van 20 augustus 2025, waarbij [bijzondere curator] , advocaat, kantoorhoudende te [plaats] , is benoemd tot bijzondere curator voor [de minderjarige] ;

- het verslag van de bijzondere curator, ingekomen op 28 oktober 2025;

- de openbare oproep van de man in de Staatscourant van 7 november 2025.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 december 2025, in aanwezigheid van de moeder, bijgestaan door mr. A.M. Koopman. De bijzondere curator is, met afbericht, niet verschenen. De man is, hoewel daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

2Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , Eritrea, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 17 januari 2025.

2.2.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] te [plaats] geboren het minderjarige kind [de minderjarige] .

2.3.

[de minderjarige] woont bij de moeder.

2.4.

De moeder heeft drie kinderen uit een eerder huwelijk.

3Verzoek

3.1.

Het verzoek van de moeder strekt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van de man met betrekking tot [de minderjarige] .

3.2.

De moeder heeft haar verzoek gebaseerd op de stelling dat de man niet de biologische vader van het kind is.

De moeder voert daartoe aan dat de man, destijds nog haar echtgenoot, op 6 augustus 2023 niet is aangekomen op Schiphol, Nederland, nadat er voor hem papieren waren geregeld om in te reizen. Daarna is nooit meer iets van hem vernomen. Onbekend is of hij nog in leven is en zo ja, waar hij dan zou wonen of verblijven. De moeder heeft een relatie gekregen en is zwanger geworden van een andere man, [naam] , wonende te Duitsland. [de minderjarige] is nog tijdens het huwelijk van de moeder en de man geboren, waardoor de man de juridische ouder is geworden van [de minderjarige] . De moeder wil de juridische situatie in overeenstemming laten brengen met de feitelijke situatie. Na de ontkenning van het vaderschap zal [naam] overgaan tot erkenning van [de minderjarige] .

4Verweer

4.1.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Door of namens de man is evenmin een verweerschrift ingediend.

5Beoordeling

internationaal privaatrechtelijke aspecten

5.1.

Door de omstandigheid dat de moeder de Nederlandse nationaliteit en de Eritrese nationaliteit bezit en de man de Eritrese nationaliteit bezit, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

Deze vraag kan op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevestigend worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat de moeder haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

5.2.

Vervolgens komt de vraag aan de orde welk recht van toepassing is op het verzoek.

De beantwoording van deze vraag dient te geschieden aan de hand van het bepaalde in de artikelen 10:92 en 10:93 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.3.

Of familierechtelijk betrekkingen als bedoeld in artikel 10:92 BW in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en de man of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de moeder en de man elk hun gewone verblijfplaats of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Bepalend is daarbij het tijdstip van de geboorte van het kind.

5.4.

De moeder heeft de Nederlandse en Eritrese nationaliteit. De moeder heeft onweersproken gesteld dat de man de Eritrese nationaliteit heeft. De man en de moeder hebben aldus de Eritrese nationaliteit gemeenschappelijk, zodat op grond van artikel 10:92 BW Eritrees recht van toepassing is op het verzoek. Echter, de moeder is naar Nederland gekomen als vreemdeling aan wie destijds een verblijfsvergunning is verstrekt als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000. Nadien heeft de moeder de Nederlandse nationaliteit verkregen, waarna [de minderjarige] is geboren. Indien de moeder onderhavig verzoek had ingediend in de periode dat zij de vluchtelingenstatus nog had, dan was artikel 10:17 BW van toepassing en daarmee Nederlands recht. Artikel 10:17 BW heeft als strekking dat de persoonlijke staat van een vreemdeling wordt beheerst door het recht van zijn (nieuwe) woonplaats. Bij afwezigheid van artikel 10:17 BW zou teruggevallen moeten worden op de vroegere nationaliteit, hetgeen in het algemeen genomen in strijd kan zijn met de subjectieve belevingen van de vreemdeling en veelal zal ook de aanknopingswaarde van de vroegere nationaliteit in de loop van de tijd steeds geringer worden.

De hierboven genoemde gronden voor het bestaan van artikel 10:17 BW blijven ook gelden voor een vreemdeling die de vluchtelingenstatus verliest doordat de Nederlandse nationaliteit wordt verkregen. Sterker nog: die gronden doen zich dan steeds meer gelden. Immers, in dat geval had de vreemdeling naar Nederlands recht gegronde redenen om het land van herkomst te ontvluchten. De wetgever heeft echter niet voorzien in een soortgelijke bepaling als artikel 10:17 BW voor een persoon die de vluchtelingenstatus verloren heeft doordat hij/zij de Nederlandse nationaliteit verkregen heeft én wanneer die persoon geen afstand kan doen van de nationaliteit van het land waar de persoon vandaan gevlucht is, zoals bij de Eritrese nationaliteit het geval is. Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat in geval van een dubbele nationaliteit, waarvan sprake is bij de moeder in deze zaak, personen weer aangewezen zijn op het recht van het land dat zij zijn ontvlucht indien de andere partij ook de nationaliteit heeft van het ontvluchte land, zoals hier het geval is. Dat acht de rechtbank in strijd met de achterliggende gedachte bij artikel 10:17 BW. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank bepalen dat in dit geval, analoog aan artikel 10:17 BW, op grond van artikel 10:92 BW het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de het kind bepalend is voor het toepasselijk recht, nu de moeder en de man geen gemeenschappelijke verblijfplaats in Nederland hebben. Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is dus Nederlands recht van toepassing op de beoordeling van het verzoek van de moeder.

5.5.

In artikel 1:199 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de vader van een kind is de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren is gehuwd. De man is derhalve de juridische vader van [de minderjarige] .

Op grond van artikel 1:200 lid 1 sub a BW kan dit vaderschap, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, door de moeder worden ontkend.

5.6.

Het verzoek van de moeder is binnen de termijn genoemd in artikel 1:200 lid 5 BW ingediend, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
5.7. Omdat het bij een ontkenning van het vaderschap gaat om een rechtsgevolg dat niet ter vrije beschikking van partijen staat, dient de stelling dat de man niet de biologische vader is van het kind te worden toegelicht met feiten en omstandigheden, ook wanneer de ontkenning van het vaderschap niet wordt betwist.

standpunt bijzondere curator

5.8.

De bijzondere curator heeft gesproken met de moeder en [naam] . Uit dit gesprek is de bijzondere curator duidelijk geworden dat de moeder de man al sinds 2015 niet meer heeft gezien. In 2020 is er wel enig contact op afstand tot stand gekomen, toen de moeder via Ethiopië naar Nederland kwam en zij vernam dat de man in Israël verbleef. De moeder heeft ingezet op gezinshereniging. Eerst zijn haar drie kinderen vanuit Ethiopië naar Nederland gekomen en in 2023 zou de man naar Nederland komen. De man is echter niet gekomen en de moeder heeft geen contact meer met hem kunnen krijgen of iets van hem gehoord, ook niet via derden. Ook de ouders van de man weten niet of hij nog leeft. De moeder heeft een relatie met [naam] gekregen en uit deze relatie is [de minderjarige] geboren. Het is niet mogelijk dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , nu de moeder en de man elkaar niet hebben gezien. [naam] wil [de minderjarige] graag erkennen als het vaderschap van de man gerechtelijk is ontkend.

De bijzondere curator heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek van de moeder. Zij acht het in het belang van [de minderjarige] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.

5.9.

De moeder is ervan overtuigd dat de man niet de biologische vader kan zijn van [de minderjarige] . De bijzondere curator heeft geen aanleiding gezien om hieraan te twijfelen. Ook de rechtbank ziet, gezien de toelichting in het verzoekschrift en het verslag van de bijzondere curator, geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] , zodat aan de daartoe gestelde voorwaarde in artikel 1:200 lid 1 BW is voldaan. Nu aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en de man het verzoek niet heeft weersproken, kan het verzoek van de moeder worden toegewezen.

6Beslissing

De rechtbank:

6.1.

verklaart gegrond de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van [de man] met betrekking tot het kind:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

6.2.

draagt de griffier – op grond van artikel 1:20 e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733