Rechtbank Noord-Holland 27-03-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3301

Essentie (gemaakt door AI)

Verhuiszaak. Vrouw verzoekt vervangende toestemming om met twee minderjarigen naar Zweden te verhuizen en hen daar op school in te schrijven; man verzoekt verbod en aanpassing zorgregeling. De rechtbank verleent vervangende toestemming voor verhuizing en schoolinschrijving, ondanks ontbreken noodzaak, omdat continuïteit bij hoofdopvoeder zwaarder weegt en man onvoldoende beschikbaar is voor fulltime zorg. Zorgregeling gewijzigd: kinderen bij man in zomer drie weken en overige Zweedse vakanties één week; wekelijks videobellen. Voorjaarsreis afgewezen.

Datum publicatie08-05-2026
ZaaknummerC/15/373935 / FA RK 26-332
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Verhuizing met kind
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verhuiszaak. Ondanks ontbreken noodzaak, toch vervangende toestemming om te verhuizen

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school, zorgregeling

zaak-/rekestnr.: C/15/373935 / FA RK 26-332

Beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 27 maart 2026

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.G.M. Vlaar, kantoorhoudende te Wognum,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.F. Wolters, kantoorhoudende te Alkmaar.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek, met bijlagen 1 t/m 10, van de vrouw, ingekomen op 21 januari 2026;

- het aanvullend verzoek, met bijlagen 11 t/m 15, van de vrouw, ingekomen op 5 februari 2026;

- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen 1 t/m 13, van de man, ingekomen op 6 februari 2026;

- het verweer op zelfstandig verzoek, van de vrouw, ingekomen op 9 februari 2026.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 februari 2026 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad). Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota.

1.3.

De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hun mening in raadkamer kenbaar gemaakt op 9 februari 2026. Beide kinderen hebben aangegeven dat zij niet willen dat wat zij aan de kinderrechter kenbaar hebben gemaakt, wordt gedeeld met de ouders. Daarom heeft de rechtbank dit niet ter zitting met de ouders gedeeld en zal de rechtbank ook geen weergave van de mening van de kinderen opnemen in deze beschikking.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd. Dat huwelijk is op [datum] ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 8 maart 2017.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , en

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De hoofdverblijfplaats van de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is bij de vrouw.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 november 2018 is het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming om met de kinderen naar België te verhuizen afgewezen.

2.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2019 is de volgende zorgregeling vastgesteld:

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de man iedere woensdagmiddag vanaf 13.00 uur (uit school) tot 17.30 uur en om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.30 uur; op woensdag haalt de man de kinderen op en brengt hij hen weer terug bij de vrouw; op zaterdag brengt de vrouw de kinderen bij de man en op zondag brengt de man de kinderen terug bij de vrouw.

2.5.

De vrouw kreeg in augustus 2018 een relatie met [huidige partner van de vrouw] (hierna te noemen: [huidige partner van de vrouw] ). Op [datum] zijn de vrouw en [huidige partner van de vrouw] een geregistreerd partnerschap aangegaan. Op [datum] is het geregistreerd partnerschap omgezet in een huwelijk. De minderjarige kinderen van de vrouw en [huidige partner van de vrouw] zijn:

  • [de minderjarige ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • [de minderjarige ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • [de minderjarige ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • [de minderjarige ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

3Het verzoek

vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school

3.1.

De vrouw verzoekt:

  • haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verhuizen naar Zweden, naar de plaats [plaats] in de gemeente [gemeente] op het adres [adres] ;

  • haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in te schrijven op de school [school] te [plaats] , Zweden.

3.2.

De vrouw stelt hiertoe het volgende. De vrouw en [huidige partner van de vrouw] hebben een woning gekocht in Zweden en zullen daar naartoe verhuizen met hun vier minderjarige kinderen. De vrouw wil dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] meeverhuizen. De vrouw is genoodzaakt met haar gezin naar Zweden te verhuizen vanwege de onderneming van [huidige partner van de vrouw] , die de hoofd kostwinner is van het gezin. De onderneming van [huidige partner van de vrouw] , genaamd [onderneming] , verkoopt door [huidige partner van de vrouw] ontwikkelde handhoutklovers. De afzetmarkt bevindt zich hoofdzakelijk in Zweden. De meeste omzet wordt gemaakt op fysieke markten in Zweden en [huidige partner van de vrouw] moet daar regelmatig aanwezig zijn. De impact op het gezin is groot wanneer [huidige partner van de vrouw] langdurig van huis is. Door de verhuizing zal het gezin worden ontlast. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven nu hoofdzakelijk bij de vrouw en [huidige partner van de vrouw] . Het is in hun belang om deel te blijven uitmaken van het gezin. Beiden hebben de wens uitgesproken om mee te verhuizen naar Zweden, aldus de moeder. [de minderjarige 1] heeft gedragsproblemen. Hij volgt speciaal onderwijs (groep 8) en is jarenlang ondersteund door hulpverleningsinstanties. De verhuizing naar Zweden zal goed voor hem zijn, omdat het systeem voor jeugdhulp daar beter is en omdat het schoolsysteem in Zweden beter voor hem geschikt is, nu daar veel afwisseling en tijd voor rust en creativiteit is. [school] is een vrije school die gericht is op het welzijn en op de brede ontwikkeling. De school heeft ervaring met Nederlandse kinderen die de Zweedse taal nog niet beheersen. De school heeft

een Nederlandse directrice en meerdere docenten die zowel Zweeds, Engels

als Nederlands spreken. Het dagelijks onderwijs is in het Zweeds.

zorgregeling

3.3.

De vrouw verzoekt ook:

  • de zorgregeling tussen de kinderen en de man te wijzigen en te bepalen dat de kinderen gedurende alle vakanties en feestdagen bij de man verblijven;

  • voorwaardelijk, indien voornoemde verzoeken niet worden toegewezen:

o de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de man te bepalen;

o een zorgregeling tussen de kinderen en vrouw vast te stellen die inhoudt dat de kinderen gedurende alle schoolvakanties en feestdagen bij de vrouw verblijven in Zweden, waarbij de vrouw de kinderen haalt en brengt en de kosten daarvan voor haar rekening neemt.

3.4.

De vrouw stelt hiertoe dat door de verzochte wijziging van de zorgregeling na de verhuizing de hoeveelheid contact tussen de man en de kinderen ongewijzigd blijft.

vervangende toestemming reis naar Zweden

3.5.

Verder verzoekt de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende de voorjaarvakantie (de rechtbank begrijpt: in 2026) naar Zweden te reizen en te verblijven op voornoemd adres. Zij stelt hiertoe dat zij met haar gezin naar Zweden wil reizen om de sleutel van de aangekochte woning in ontvangst te nemen.

4Verweer en zelfstandig verzoek

4.1.

De man voert hiertegen verweer. Hij wil dat de verzoeken van de vrouw worden afgewezen.

verbod verhuizing

4.2.

De man verzoekt zelfstandig:

  • de vrouw te verbieden om met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar Zweden te verhuizen, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 50.000;

  • de vrouw te verbieden zelfstandig (de rechtbank begrijpt: zonder [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ) naar Zweden te verhuizen zo lang dit de uitvoering van de zorgregeling wezenlijk wijzigt of belemmert, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 50.000.

4.3.

De man voert het volgende aan. De vrouw heeft niet aangetoond dat vestiging in Zweden bedrijfseconomisch noodzakelijk is of dat [huidige partner van de vrouw] zijn werk niet vanuit Nederland kan uitoefenen. [huidige partner van de vrouw] is al jaren frequent van huis voor werk en dit zou hij kunnen blijven doen.

Daarnaast zal de verhuizing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar Zweden de rol van de man als vader inperken, omdat hij minder frequent contact zal hebben met de kinderen en minder betrokken zal kunnen zijn bij hun leven. De man beschikt ook maar over vijf vakantieweken, waardoor hij gedurende een aanzienlijk deel van de schoolvakanties niet beschikbaar zal zijn voor de kinderen. Bovendien zullen de kinderen in Zweden vrienden krijgen en op den duur geen zin meer hebben om naar de man te gaan in de vakanties. De man vreest ook dat de vrouw hem na de verhuizing niet meer zal informeren over de kinderen, nu zij dat ook niet tot nauwelijks deed voordat zij het voornemen kreeg om naar Zweden te verhuizen. Verder zal de verhuizing de voor [de minderjarige 1] zorgvuldig opgebouwde zorgstructuur abrupt doorbreken, terwijl niet duidelijk is of in Zweden passende hulpverlening beschikbaar is en op welke termijn. [de minderjarige 1] is gezien zijn problematiek gebaat bij rust, structuur en voorspelbaarheid en dat zou worden verstoord door de verhuizing. De man heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis, omdat hij signalen kreeg die bij hem ernstige zorgen opriepen over mogelijk agressief gedrag van [huidige partner van de vrouw] jegens [de minderjarige 1] . Het onderzoek door Veilig Thuis loopt nog en het zou onzorgvuldig zijn om daarop vooruitlopend de bestaande zorg- en leefsituatie wezenlijk te wijzigen. De verhuizing zou er ook toe leiden dat de kinderen een leerachterstand oplopen, omdat zij geen Zweeds spreken. Daarbij komt dat [de minderjarige 2] in Nederland bijna naar het voortgezet onderwijs toe kan, terwijl hij in Zweden nog onderwijs op basisschoolniveau moet volgen. Dit zou voor hem een stap terug zijn. Uit niets blijkt dat de [school] passend onderwijs biedt voor een kind met de problematiek van [de minderjarige 1] , aldus de man.

zorgregeling

4.4.

De man verzoekt ook:

Primair:

- de volgende zorgregeling vast te stellen indien de vrouw niet naar Zweden mag verhuizen:

o Doordeweeks: de kinderen verblijven wekelijks bij de man van woensdag uit school tot donderdagochtend naar school. De man haalt de kinderen op woensdag uit school en brengt hen donderdag naar school;

o Weekend: de kinderen verblijven om de week bij de man van vrijdag uit school tot zondag 17.30 uur. De man haalt de kinderen op vrijdag uit school en brengt hen op zondag om 17.30 uur terug bij de vrouw;

o De wisselmomenten vinden op woensdag, donderdag en vrijdag in beginsel plaats op school, en op zondag om 17.30 uur;

- de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen indien de vrouw niet naar Zweden mag verhuizen:

o Vakanties:

 Zomervakantie: verdeling bij helfte. In de even jaren heeft de man de eerste drie weken, in de oneven jaren heeft de man de laatste drie weken. Wissels vinden plaats op vrijdag uit school (start vakantie) of – indien de vakantie reeds is aangevangen – op vrijdag om 17.00 uur;

 Herfstvakantie: in de even jaren heeft de vrouw de kinderen de gehele vakantie, in de oneven jaren de man;

 Kerstvakantie: In de even jaren heeft de man de eerste week en de vrouw de tweede week. In de oneven jaren wordt dit omgedraaid;

 Voorjaarsvakantie: in de even jaren heeft de man de kinderen de gehele vakantie en in de oneven jaren de vrouw;

 Meivakantie: indien de vakantie twee weken duurt, heeft ieder van de ouders een volledige week met de kinderen. De man heeft de kinderen de eerste week in de even jaren, de vrouw heeft de kinderen in de oneven jaren (de rechtbank begrijpt: de vrouw heeft de kinderen de eerste week in de oneven jaren);

o Feestdagen:

 Pasen: in de even jaren op de eerste paasdag bij de man en op de tweede paasdag bij de vrouw. In de oneven jaren is dit omgedraaid;

 Pinksteren: in de even jaren de eerste pinksterdag bij de man en de tweede pinksterdag bij de vrouw en in de oneven jaren omgedraaid;

 Hemelvaart: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

 De overige feestdagen in overleg tussen partijen jaarlijks te bepalen.

Subsidiair:

- indien aan de vrouw wel vervangende toestemming wordt verleend voor de verhuizing, een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat de kinderen iedere Nederlandse schoolvakantie en alle Nederlandse feestdagen in Nederland bij de man zullen verblijven, waarbij de vrouw zorgdraagt voor het halen en brengen en de daarmee gemoeide kosten volledig voor haar rekening neemt.

4.5.

De man stelt hiertoe dat hij meer betrokken wil zijn bij het leven van de kinderen en dat de kinderen gebaat zijn bij een grotere en meer gelijkwaardige rol van de man in hun leven. De man is duurzaam beschikbaar om meer zorgtijd te dragen. De door de man voorgestelde wijziging vergroot de kwaliteit en continuïteit van het contact zonder extra onrust te introduceren. De overdrachtsmomenten worden beperkt, de wissels sluiten aan op het schoolritme en de man blijft structureel betrokken bij het dagelijkse leven, waaronder school, sport en hulpverlening.

5De Raad

5.1.

De Raad heeft ter zittig het volgende naar voren gebracht. De vrouw heeft duidelijk gemaakt dat zij hoe dan ook naar Zweden zal verhuizen, ongeacht de uitkomst van deze procedure. Dit betekent dat, afhankelijk van de beslissing die zal worden genomen, de relatie tussen de vrouw en de kinderen of tussen man en de kinderen ernstig onder druk zal komen te staan. De vraag is daarom of het belang van de kinderen er beter bij gediend is om in Nederland te blijven en bij de man verder op te groeien, of om mee te verhuizen naar Zweden en dat dan de continuïteit in het contact met de man wordt doorbroken. Volgens de Raad zal de impact op de kinderen groter zijn als zij in Nederland blijven. De vrouw is altijd de hoofdopvoeder geweest, de hechtingsrelatie tussen de vrouw en de kinderen is sterker en de man staat meer op afstand van de kinderen dan de vrouw. Volgens de Raad is het ook niet duidelijk hoe de man de zorg voor de kinderen zal invullen als zij bij hem komen wonen. De Raad ziet niet dat [de minderjarige 1] gebonden is aan zijn huidige leefomgeving, aangezien hij elke dag maar tot 10.30 uur naar school gaat en omdat niet is gebleken dat de betrokken hulpverlening hem dusdanig veel oplevert dat hij in Nederland moet blijven om die te blijven ontvangen.

5.2.

De Raad heeft de indruk dat de communicatie tussen partijen in de loop der jaren op een acceptabele manier is verlopen en dat partijen afspraken konden maken. Gebleken is echter dat de communicatie is verslechterd door de verhuisplannen van de vrouw. Dit vindt de Raad niet bevorderlijk. Door de verhuizing van de vrouw naar Zweden is het temeer van belang dat partijen weer goed met elkaar communiceren, ongeacht of [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] meeverhuizen of niet. De Raad adviseert partijen daarom om met behulp van professionele hulpverlening met elkaar in gesprek gaan over de kinderen en het vormgeven van hun gezamenlijk ouderschap in de nieuwe situatie.

6De beoordeling

vervangende toestemming verhuizing

6.1.

Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank dient in een geschil als dit, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen zijn belast en een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de minderjarigen, een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Uit vaste rechtspraak volgt dat, hoezeer het belang van de minderjarigen een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. De rechtbank dient bij haar beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

6.2.

De rechtbank zal de vrouw vervangende toestemming voor de verhuizing verlenen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

6.3.

De rechtbank beschouwt het als een vaststaand gegeven dat de vrouw met [huidige partner van de vrouw] en hun vier minderjarige kinderen naar Zweden zullen verhuizen, ongeacht of [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] mogen meeverhuizen. Dit heeft zij namelijk duidelijk en bij herhaling kenbaar gemaakt, zowel ter zitting als in de stukken. Zij ziet dit als het primaire belang van het gezin en ook al zou de verhuizing niet in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, dan geldt toch dat zij rekening wil houden met het belang van haar vier kinderen met [huidige partner van de vrouw] . Ook heeft zij onweersproken gesteld dat zij en [huidige partner van de vrouw] in november 2025 een woning in [plaats] hebben gekocht, dat de sleuteloverdracht gepland was op 23 februari 2026, en dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] al zijn toegelaten op de school [school] in [plaats] . Anders dan dat de man betoogt, bestaat overigens geen wettelijke grondslag voor een verbod aan de vrouw om zonder [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verhuizen.

6.4.

De rechtbank ziet zich daarom geplaatst voor een keuze tussen twee scenario’s die beide op hun eigen wijze schadelijk zijn voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Enerzijds is er het scenario waarin [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] meeverhuizen met de vrouw naar Zweden met het gezin waarin zij op dit moment het meest verblijven, maar waarbij het contact met de man zal worden bemoeilijkt en enkel nog in de vakanties kan plaatsvinden. Anderzijds is er het scenario waarin [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland in een vertrouwde omgeving bij de man gaan wonen, maar op afstand komen te wonen van hun huidige hoofdopvoeder en het gezin waar zij hun meeste tijd doorbrengen. Alles afwegend acht de rechtbank het eerste scenario het minst belastend voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Hierbij is van doorslaggevend belang dat de man op dit moment enkel de zorg draagt voor de kinderen op de woensdagmiddagen en eens per twee weken in de weekenden. Afwijzing van het verzoek tot verhuizing zou ertoe leiden dat de man fulltime de zorg voor de kinderen moet dragen. De rechtbank acht de man daartoe onvoldoende beschikbaar.

6.5.

Niet in geschil is namelijk dat de man sinds het vaststellen van de huidige zorgregeling nooit om meer tijd met de kinderen heeft gevraagd. Ook werd de emotionele begeleiding en de dagelijkse verzorging, waaronder het onderhouden van contact met school, de huisarts en sport, gedragen door de vrouw en [huidige partner van de vrouw] . De man stelt dat hij er na beschikking van 17 maart 2019 bewust voor heeft gekozen om de bestaande zorgregeling te respecteren om de rust voor de kinderen te bewaren. Volgens de man voelde hij bij de vrouw geen ruimte voor een uitbreiding van de zorgregeling en zou het tot conflict leiden als hij zijn wensen – namelijk uitbreiding van de zorgregeling – kenbaar zou maken. Ook stelt hij dat de vrouw het contact tussen de man en de kinderen nooit heeft bevorderd, dat zij hem nauwelijks heeft betrokken bij de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen, hem beperkt over de kinderen heeft geïnformeerd en hem buiten beslissingen over de kinderen heeft gehouden. De man heeft echter – tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw – niet (met voorbeelden) onderbouwd dat de vrouw een uitbreiding van de zorgregeling of meer betrokkenheid van de man zou hebben tegengehouden of dat een gesprek over dit onderwerp tot conflict zou hebben geleid. Zelfs is niet gebleken dat de man gesprekken hierover met de vrouw heeft geïnitieerd.

6.6.

De man heeft ook geen duidelijk en weldoordacht antwoord gegeven op de vraag van de rechtbank hoe hij de fulltime zorg voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zou willen vormgeven. De man heeft verklaard dat hij het als zijn plicht ziet om zijn leven voor de kinderen om te gooien. Hij wil de rol van verzorger met overtuiging en toewijding op zich nemen en heeft er vertrouwen in dat hij dat kan bolwerken. De man heeft ook verklaard dat hij gestopt is met zijn eerdere functie als opsporingsambtenaar en gekozen heeft voor een functie binnen het Rijk, waarbij hem de ruimte wordt gegeven om er voor de kinderen te zijn. Dit zijn algemeenheden en geeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende blijk van een goed overwogen en concreet plan ter zake. Ook uit het verweer en het zelfstandig verzoek van de man blijkt niet dat de man een rol als fulltime verzorger voor ogen heeft. De man verzoekt immers dat het de vrouw wordt verboden te verhuizen, met daarbij een zorgregeling waarbij hij nog steeds geen grote rol als opvoeder zal hebben. Dit is allemaal in het bijzonder van belang, omdat de opvoeding en verzorging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] waarschijnlijk (veel) meer vergt dan van andere kinderen van deze leeftijd en de man deze taak feitelijk als alleenstaand ouder zou moeten verrichten. Ter zitting heeft de man er geen blijk van gegeven doordrongen te zijn van de enorme impact daarvan op zijn leven en het leven van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

6.7.

De rechtbank acht het ook van groot belang dat gebleken is dat de vrouw de steunpilaar en stabiliserende factor is van [de minderjarige 1] , die gedragsproblemen heeft en daarom extra rust, steun en begeleiding nodig heeft. Niet in geschil is dat de vrouw degene is die betrokken is en is geweest bij de emotionele ontwikkeling en problematische schoolsituatie van [de minderjarige 1] . Zo wordt de vrouw altijd opgebeld door school als [de minderjarige 1] niet meer te hanteren is en zorgt zij er dan voor dat zij of [huidige partner van de vrouw] naar school gaat om [de minderjarige 1] gerust te stellen en tot bedaren te brengen. De rechtbank acht het niet in het belang van [de minderjarige 1] als hij op grote afstand van de vrouw zou komen te wonen en hierdoor niet meer op deze manier op haar kan leunen.

6.8.

Gebleken is dat meerdere hulpverleningsinstanties betrokken zijn geweest bij [de minderjarige 1] , waaronder [jeugdhulpaanbieder] , [jeugdhulpaanbieder] en [jeugdhulpaanbieder] . De verhuizing naar Zweden brengt met zich dat [de minderjarige 1] geen hulpverlening meer kan ontvangen van deze instanties en waarschijnlijk zullen er de nodige problemen ontstaan bij het zoeken en vinden van passende hulpverlening in Zweden. De vrouw denkt hierover veel te gemakkelijk. Toch ziet de rechtbank hierin onvoldoende grond om geen vervangende toestemming voor de verhuizing te verlenen. Niet in geschil is namelijk dat [de minderjarige 1] feitelijk al maanden geen hulpverlening ontvangt. De man stelt dat wel hulpaanbod is vanuit [jeugdhulpaanbieder] en Levvel, maar dat de vrouw dit niet aanpakt omdat [de minderjarige 1] dit niet zou willen. Zelfs als dit zo is, blijkt hier echter niet uit dat [de minderjarige 1] op dit moment substantieel profijt heeft van de hulpverlening in Nederland en dat het voornamelijk daarom in zijn belang is om in Nederland te blijven. Verder heeft de vrouw onweersproken naar voren gebracht dat het onderzoek van Veilig Thuis en Loket Jeugd naar aanleiding van de melding van de man over mogelijk agressief gedrag van [huidige partner van de vrouw] jegens [de minderjarige 1] is afgerond. Hieruit zijn geen zorgen naar voren gekomen en nader onderzoek wordt niet nodig geacht. Hierin ziet de rechtbank daarom ook geen reden om de verzochte vervangende toestemming niet te verlenen of de beslissing hierom aan te houden.

6.9.

De rechtbank rekent het de vrouw wel aan dat zij de man en de rechtbank voor een voldongen feit heeft geplaatst door reeds uitvoering te geven aan de voorgenomen verhuizing, zonder eerst de uitkomst van deze procedure af te wachten. Dat wordt haar nog extra aangerekend, omdat de rechtbank van oordeel is dat onvoldoende is gebleken dat voor de vrouw een noodzaak was om te verhuizen naar Zweden. Zij heeft namelijk, tegenover de betwisting daarvan door de man, geen stukken overgelegd waaruit blijkt hoe vaak [huidige partner van de vrouw] eigenlijk in Zweden boerenmarkten e.d. bezoekt. Pas ter zitting werd aangegeven dat hij met zijn [onderneming] op markten staat. Ook is niets overgelegd waaruit blijkt dat [huidige partner van de vrouw] onvoldoende inkomsten kan genereren op de markt in Nederland of aangrenzende landen en ook niet dat hij onvoldoende inkomsten genereert door verkoop via internet. Omdat de fabricage in Nederland plaats vindt, is aannemelijk dat het gezin straks in Zweden geconfronteerd zal worden met regelmatig verblijf van [huidige partner van de vrouw] in Nederland. Ook heeft zij onvoldoende onderbouwd dat de afwezigheid van [huidige partner van de vrouw] in het gezin tijdens zijn zakenreizen naar Zweden een dusdanig grote impact heeft op het gezin dat verhuizing noodzakelijk is, te meer nu naar de eigen stelling van de vrouw [huidige partner van de vrouw] al jarenlang vaak van huis is voor zijn werk. Hier komt bij, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, dat de verhuizing ingrijpende gevolgen heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zij zullen minder contact met de man hebben en zich moeten aanpassen aan een ander land en een andere taal. Dat de vrouw die ingrijpende gevolgen bij haar besluit om met de rest van haar gezin naar Zweden te verhuizen heeft betrokken, is niet gebleken. De verhuizing van de rest van het gezin vormde daarmee helaas een gegeven bij het hiervoor gegeven oordeel dat het in de gegeven omstandigheden per saldo nog het meest in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is om ook met de vrouw mee te verhuizen naar Zweden.

6.10.

De rechtbank dient in deze een belangenafweging te maken, waarbij de noodzaak om te verhuizen op grond van vaste rechtspraak een belangrijk element is. Dat de noodzaak om te verhuizen onvoldoende is gebleken, is voor de rechtbank in dit specifieke geval niet van doorslaggevende betekenis. De vrouw is de sinds de echtscheiding de hoofdopvoeder van de kinderen, de kinderen verblijven de meeste tijd bij de vrouw, stiefvader en hun vier broers en zussen en de man heeft al jaren de rol van “weekendvader” waarbij hij nooit kenbaar heeft gemaakt een grotere rol in de levens van de kinderen te willen of kunnen spelen. De continuïteit van de zorg en opvoeding door de vrouw acht de rechtbank daarom in dit geval van groter belang. Het belang van de kinderen wordt dan ook beter gewaarborgd wanneer zij met de vrouw naar Zweden verhuizen.

vervangende toestemming inschrijving school

6.10.

Nu [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met de vrouw zullen verhuizen naar [plaats] te Zweden, is het in hun belang om daar naar te school te gaan. De rechtbank zal daarom vervangende toestemming verlenen voor de inschrijving van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op de [school] te [plaats] .

zorgregeling

6.11.

Door de verhuizing zullen de man en de vrouw op grote afstand van elkaar komen te wonen. De huidige zorgregeling is daardoor niet langer uitvoerbaar. De rechtbank zal daarom een gewijzigde zorgregeling vaststellen, waarbij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de zomervakantie drie weken bij de man verblijven en gedurende alle andere Zweedse schoolvakanties één week bij de man verblijven, waarbij de ouders in onderling overleg dienen te bepalen in welke weken de kinderen bij de man verblijven in de zomer- en de kerstvakantie, en waarbij de vrouw alle kosten van het vervoer van de kinderen dient te betalen, zoals ook daar is aangeboden. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de kinderen iedere week op zondag met de man videobellen. Anders dan primair verzocht door de vrouw en subsidiair verzocht door de man, acht de rechtbank het niet in het belang van de kinderen dat zij gedurende alle vakanties en feestdagen bij de man zullen verblijven. Het is namelijk belangrijk dat de kinderen tijdens sommige vakantieweken tijd kunnen doorbrengen met het gezin van de vrouw en [huidige partner van de vrouw] of met vrienden die zij in Zweden zullen maken. Ook acht de rechtbank het te belastend voor de kinderen om voor alle feestdagen te moeten afreizen naar Nederland.

vervangende toestemming reis naar Zweden

6.12.

Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming om met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende de voorjaarsvakantie in 2026 naar Zweden te reizen zal worden afgewezen, omdat de voorjaarsvakantie reeds is verstreken. De vrouw heeft dan ook geen belang meer bij dat verzoek.

uitvoerbaar bij voorraad

6.13.

De man heeft ter zitting verzocht de beschikking niet uitvoerbaar te verklaren, dan wel de verzochte vervangende toestemming tot verhuizing, indien die wordt verleend, te verlenen met een latere ingangsdatum, zodat hij in dat geval in hoger beroep niet voor een voldongen feit komt te staan. De rechtbank acht het echter van belang dat snel duidelijkheid komt voor de kinderen. Daarom zal de rechtbank deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

7De beslissing

De rechtbank:

7.1.

verleent de vrouw vervangende toestemming om met de minderjarigen [de minderjarigen] :

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

te verhuizen naar Zweden, naar de plaats [plaats] in de gemeente [gemeente] op het adres [adres] ;

7.2.

verleent de vrouw vervangende toestemming om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in te schrijven op de school [school] te [plaats] , Zweden;

7.3.

stelt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2019, de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven in de zomervakanties drie weken aaneengesloten bij de man. In de

overige Zweedse schoolvakanties (sportlov (voorjaars-/skivakantie); påsklov (paasvakantie); höstlov (herfstvakantie); jullov (kerstvakantie)) verblijven zij één week bij de man. De ouders bepalen in onderling overleg gedurende welk week of weken de kinderen in de zomer- en kerstvakantie bij de man verblijven. De vrouw draagt de kosten van het vervoer van en naar de man. Daarnaast vindt iedere zondag op een in onderling overleg te bepalen tijdstip videobelcontact plaats tussen de man en de kinderen;

7.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.C. Bakker, voorzitter, mr. A.K. Mireku en mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, leden van deze kamer, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Leertouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733