Essentie (gemaakt door AI)
Ex-partners twisten over eigendom van een Rolex Datejust met later aangeschafte gouden band (Rolex 1). Vraag is of sprake is van gift of bruikleen. Kantonrechter laat laat ingediende stukken buiten beschouwing. Vaststaat dat gedaagde het horloge sinds 24-12-2016 onder zich heeft. Geen voldoende onderbouwde bruikleen; wettelijke vermoedens van art. 3:109 BW en art. 3:119 BW leiden tot vermoeden van rechthebbende. Eiser weerlegt dit niet. Verzoek om verklaring voor recht en waardevergoeding wordt afgewezen. Eiser wordt in proceskosten veroordeeld.| Datum publicatie | 07-05-2026 |
| Zaaknummer | 11773731 \ UC EXPL 25-5582 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Was de Rolex een gift of was er sprake van bruikleen? Over houderschap, bezit en eigendom van een Rolex horloge na verbreken relatie. Wettelijke vermoedens van artikelen 3:109 en 3:119 BW.Volledige uitspraak
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11773731 \ UC EXPL 25-5582
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. Y.M. van Vliet,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.I. Dierkx.
1De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken:
-
de dagvaarding van 12 juni 2025 met 8 bijlagen;
-
de conclusie van antwoord in conventie en voorwaardelijke eis in reconventie met 9 bijlagen, waarvan bijlagen 1 en 4 niet zijn overgelegd;
-
de conclusie van antwoord in reconventie met 9 bijlagen;
-
de akte van [gedaagde] van 9 januari 2026 met 3 bijlagen;
-
de door de griffier gemaakte aantekeningen van de mondelinge behandeling (ook te noemen: de zitting) van 12 januari 2026.
De kantonrechter heeft aan het einde van de zitting beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [eiser] heeft op 24 december 2016 een Rolex Datejust 18K gouden horloge gekocht en op 24 april 2018 een Rolex President gouden band (hierna gezamenlijk te noemen: Rolex 1). Volgens
[eiser] is Rolex 1 door hem gekocht als investering en mocht [gedaagde] Rolex 1 na aanschaf van de gouden band tijdelijk dragen. Omdat [gedaagde] Rolex 1 niet heeft teruggegeven toen partijen in 2021 uit elkaar zijn gegaan, vordert [eiser] – na eisvermindering – een verklaring van recht dat Rolex 1 aan hem in eigendom toebehoort en vergoeding van de waarde van Rolex 1. Volgens [gedaagde] moeten de vorderingen worden afgewezen, omdat Rolex 1 aan haar in eigendom toebehoort. Rolex 1 was namelijk een gift van [eiser] aan [gedaagde] . De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.
3De beoordeling
De nadere stukken van 9 januari worden niet betrokken bij de beoordeling
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het betrekken van aanvullende stukken bij de beoordeling van de zaak. Dit gaat om stukken die [gedaagde] op vrijdag 9 januari 2026 (13:31 uur) middels een e-mail heeft ingediend. De gemachtigde van [eiser] heeft de stukken pas op de zondagmiddag voor de zitting gelezen. Hierdoor hebben [eiser] en zijn gemachtigde de stukken niet met elkaar kunnen bespreken en kan [eiser] hier niet inhoudelijk op reageren. De reden van de late indiening van de stukken is volgens [gedaagde] dat partijen in onderhandeling waren en zij in veronderstelling was dat partijen tot overeenstemming zouden komen. Toen bleek dat dat niet het geval was, zijn de stukken alsnog ingediend. Volgens [gedaagde] moeten de stukken betrokken worden bij de beoordeling, omdat [eiser] onverwijld kennis heeft genomen van de stukken, er geen bezwaar tegen is gemaakt na ontvangst van de stukken en omdat de omvang van de stukken zeer gering is.
Nu deze stukken niet binnen de termijn van tien dagen voor de zitting zijn ontvangen, is de vraag aan de orde of het betrekken van deze stukken bij de beoordeling van de zaak in strijd is met de goede procesorde. De kantonrechter betrekt deze stukken niet bij de beoordeling van de zaak. Daartoe overweegt zij het volgende.
[gedaagde] heeft op de zitting toegelicht dat deze stukken zijn ingediend in reactie op de conclusie van antwoord in reconventie, die op de laatste dag van de tien dagen termijn is ingediend, en daarom ook niet tijdig konden worden ingediend. De kantonrechter volgt haar daarin niet, omdat zij ook heeft toegelicht dat de stukken zijn ingediend ter onderbouwing van een stelling die door [gedaagde] in de conclusie van antwoord in conventie en voorwaardelijke eis in reconventie heeft ingenomen. De stukken hadden daarom al veel eerder ingediend kunnen worden. Zeker ook omdat de stukken dateren van 2018 en daarvoor. De stukken zijn op de allerlaatste werkdag voor de zitting ingediend. Hierdoor hebben [eiser] en zijn gemachtigde de stukken niet (adequaat) kunnen bespreken en hebben zij ter zitting niet op de inhoud van de stukken kunnen reageren. Alleen het lezen van stukken is niet voldoende, de wederpartij moet de stukken ook kunnen doorgronden, bespreken en daarover een standpunt kunnen innemen. Als laatst zijn de stukken niet zodanig beperkt in omvang en inhoud dat [eiser] dit ter zitting of tijdens een schorsing had kunnen doen.
In conventie
[eiser] heeft zijn eis verminderd
[gedaagde] heeft niet de stelling ingenomen dat Rolex 1 in het kader van de afwikkeling van de samenleving aan haar is toebedeeld. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat zij Rolex 1 eind december 2024, om financiële redenen, heeft verkocht. [eiser] heeft daarom ter zitting zijn vordering verminderd. [eiser] vordert thans een verklaring van recht dat Rolex 1 aan hem in eigendom toebehoort en vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 17.000 (althans een bedrag tussen € 14.000,00 en € 19.995,00) aan hem als waardevergoeding van Rolex 1 en een vergoeding van de proceskosten.
[gedaagde] heeft Rolex 1 vanaf 24 december 2016 onder zich gehad
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] Rolex 1 van 23 maart 2021 (zijnde de datum van het einde van de relatie) tot eind december 2024 (de maand waarin [gedaagde] Rolex 1 aan een derde heeft verkocht) onder zich heeft gehad. Hoe dat vóór die tijd was, daarover verschillen partijen van mening. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] Rolex 1 vanaf 24 december 2016 onder zich heeft gehad. Daartoe overweegt zij als volgt.
[eiser] stelt dat hij Rolex 1 na aankoop met een leren band tot en met april 2018 zelf heeft gedragen. Na vervanging van een leren band door een gouden band in 2018, heeft hij het tijdelijk aan [gedaagde] in gebruik (bruikleen) gegeven. Ze mocht sindsdien Rolex 1 af en toe dragen en in de tussentijd lag het in de kluis, aldus [eiser] . [gedaagde] betwist dit en voert aan dat zij Rolex 1 na de koop, op 24 december 2016 cadeau heeft gekregen en het vanaf dat moment droeg en niet pas vanaf het vervangen van de leren band door een gouden band.
[eiser] heeft zijn stelling, dat hij Rolex 1 tot april 2018 zelf droeg, op geen enkele manier toegelicht of onderbouwd. Zo heeft hij geen foto’s in het geding gebracht waarop te zien is dat hij in die periode Rolex 1 draagt. Aan zijn stelling wordt ook afbreuk gedaan door de foto’s die [gedaagde] heeft ingebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat zij Rolex 1 in die periode heeft gedragen. Op die foto’s is te zien dat [gedaagde] Rolex 1 met leren band op verschillende momenten droeg. Omdat het horloge vóór april 2018 nog een leren band had, staat vast dat deze foto’s in die periode zijn genomen.
Ook heeft [gedaagde] veel foto’s ingebracht waarop te zien is dat zij Rolex 1 met de gouden band op verschillende momenten en gelegenheden draagt. Die foto’s zijn van na april 2018. Dat Rolex 1 in tussentijd/af en toe in de kluis zou hebben gelegen, betekent niet dat [gedaagde] het niet meer onder zich had. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, blijkt namelijk niet dat [gedaagde] geen toegang tot de kluis had. De stelling van [gedaagde] dat zij vanaf 24 december 2016 Rolex 1 onder zich had komt als onvoldoende weersproken door [eiser] , vast te staan.
[eiser] heeft Rolex 1 niet in bruikleen gegeven
Gelet op het behandelde ter zitting is niet meer in geschil dat [eiser] op
24 december 2016 door de koop en levering door een derde aan hem eigenaar is geworden van Rolex 1, met toen nog een leren band. Niet in geschil is dat [eiser] ook de gouden schakelband in 2018 heeft gekocht en daardoor toen eigenaar van die band is geworden.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat Rolex 1 als cadeau voor haar is gekocht en dat
[eiser] het die dag, dus op 24 december 2016, ook aan haar heeft gegeven. Ook is volgens [gedaagde] op die dag meteen gevraagd of de juwelier hen kon informeren als er een gouden band binnen zou komen, zodat het cadeau compleet zou zijn. Het toevoegen van de gouden band is op 24 april 2018 gebeurd en deze is ook op maat voor [gedaagde] gemaakt. [eiser] betwist dat hij Rolex 1 als cadeau heeft gekocht voor [gedaagde] en voert daartoe aan dat hij het heeft gekocht als investering voor zichzelf. Nadat de gouden band er in 2018 op zat, mocht [gedaagde] Rolex 1 af en toe en tijdelijk dragen (bruikleenovereenkomst); daarom is deze band op maat voor [gedaagde] gemaakt. Dat is de reden dat [gedaagde] Rolex 1 af en toe en tijdelijk onder zich had, aldus [eiser] . De kantonrechter stelt vast dat er geen sprake is van bruikleen. Daartoe overweegt zij als volgt.
Bruikleen is de overeenkomt waarbij de ene partij aan de andere een zaak om niet in gebruik geeft, onder de voorwaarde dat degene die deze zaak ontvangt het na gebruik of na een bepaalde tijd, zal teruggeven.
[eiser] voert in de dagvaarding aan dat [gedaagde] Rolex 1 tijdelijk en af en toe mocht dragen. Welke afspraken partijen daarover hadden gemaakt, bijvoorbeeld over welke periode dat ging, is in de stukken niet verder gemotiveerd. De kantonrechter heeft ter zitting nagevraagd wat partijen daarover hebben afgesproken. [eiser] heeft toegelicht dat [gedaagde] Rolex 1 na april 2018 af en toe mocht dragen en het dan uit de kluis gehaald werd. Verder heeft hij gemeld dat hij het gebruik van Rolex 1 door [gedaagde] voor de duur van de samenleving en dus tijdelijk heeft toegestaan. Dat partijen het tijdelijk gebruik van Rolex 1 door [gedaagde] tijdens de relatie hebben afgesproken, is een blote stelling. Op grond van artikel 150 Rv lag het op de weg van [eiser] om zijn stelling nader te motiveren en/of onderbouwen en dat heeft hij niet gedaan. Zo heeft [eiser] bijvoorbeeld niet toegelicht wanneer [gedaagde] Rolex 1 af en toe mocht dragen en voor welke periode dat dan met haar was afgesproken. Gelet op de betwisting van [gedaagde] dat er geen sprake is van een overeengekomen bruikleen, had dat wel op zijn weg gelegen om te doen. [gedaagde] heeft namelijk veel foto’s van verschillende moment overgelegd en uit alle foto’s blijkt niet dat zij alleen ‘af en toe’ Rolex 1 droeg; zij droeg Rolex 1 ook veelal op casual momenten, zoals bijvoorbeeld naar het dierenpark. De stelling van [eiser] dat hij Rolex 1 in gebruik/in bruikleen heeft gegeven aan [gedaagde] , die [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist, wordt dan ook verworpen als onvoldoende gemotiveerd en/of onderbouwd.
Daarbij komt dat [eiser] tot op 6 maart 2025 (de e-mail waarin [eiser] [gedaagde] vraagt om Rolex 1 aan hem te geven) niet om afgifte van Rolex 1 heeft verzocht. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij sinds het einde van de relatie tot 26 maart 2025 meermalen aan [gedaagde] heeft gevraagd of zij Rolex 1 kon teruggeven, maar dat betwist [gedaagde] en [eiser] heeft het op geen enkele manier onderbouwd. Verder voert [eiser] aan dat hij het niet op de spits wilde drijven door eerder Rolex 1 op te eisen, maar deze stelling wordt door [gedaagde] weersproken. Volgens [gedaagde] wilde [eiser] juist alle zaken die de afwikkeling van de relatie betroffen snel afhandelen, zoals het verkopen de gezamenlijke koopwoning en de afspraken over de dochter van partijen, en dat is ook gebeurd. De reden die [eiser] dus opgeeft om Rolex 1 niet eerder (via een gerechtelijke procedure) op te eisen, verwerpt de kantonrechter dan ook.
[eiser] heeft ter onderbouwing dat hij rechthebbende is gebleven van Rolex 1 nog aangevoerd dat hij bij aankoop van Rolex 1 een horloge (horloge A) heeft ingeruild. Horloge A was een investeringsobject van [eiser] . Hieruit blijkt volgens hem dat Rolex 1 ook een investering is. Het is niet vast komen te staan van wie horloge A was. Maar ook als horloge A een investering van [eiser] was, betekent dat niet dat ingeruilde horloge (Rolex 1) geen gift kan zijn geweest. Ook verwijst [eiser] naar een WhatsApp bericht van zijn moeder van 8 juni 2019, die schrijft ‘Heeft [gedaagde] die Rolex terug gegeven?’. Uit dit bericht valt niet af te leiden dat het om Rolex 1
1 gaat en als het daarom gaat dan blijkt uit het bericht ook niet dat Rolex 1 eigendom is van [eiser] en dat hij het aan [gedaagde] in bruikleen heeft gegeven. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] bij het einde van de relatie de schakels van de gouden band, die over waren na het op haar maat maken, niet heeft meegenomen, is eveneens onvoldoende om het bestaan van een bruikleenovereenkomst uit te gaan en/of [eiser] als huidige rechthebbende van Rolex 1 aan te merken.
[gedaagde] is rechthebbende van Rolex 1
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij rechthebbende is van Rolex 1. [gedaagde] heeft niet alleen betwist dat [eiser] rechthebbende is, zij heeft ook een zelfstandig verweer gevoerd dat zij rechthebbende is, omdat Rolex 1 een gift was van
[eiser] aan haar. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] rechthebbende is. Daartoe overweegt zij het volgende.
Op grond van de hoofdregel in artikel 150 Rv draagt [gedaagde] de stelplicht en de bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) dat zij Rolex 1 als gift heeft gekregen en daardoor rechthebbende is van Rolex 1. Het uitgangspunt is dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en bezitter daarvan te zijn (artikel 3:107 lid 1 en 3:109 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en dat die bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn (artikel 3:119 lid 1 BW) . De wettelijk vermoedens helpen [gedaagde] dus bij de stelling dat zij rechthebbende is.
Hierboven heeft de kantonechter vastgesteld dat [gedaagde] vanaf 24 december 2016 houder is geweest van Rolex 1. Dat betekent dat [gedaagde] vermoed wordt rechthebbende te zijn van Rolex 1. Dit vermoeden is weerlegbaar. Dat heeft [eiser] geprobeerd door te stellen dat hij Rolex 1 aan [gedaagde] in bruikleen heeft gegeven. Zoals hiervoor is overwogen en geoordeeld, is dat niet vast komen te staan. [eiser] heeft ook onvoldoende aangevoerd om tot tegenbewijs (in de zin van tegendeelbewijs) te worden toegelaten. Hij heeft alleen gesteld dat er sprake was van een met [gedaagde] overeengekomen bruikleen, maar om tot bewijs toegelaten te worden moet dat ook worden gemotiveerd en/of onderbouwd en dat is niet gebeurd zoals de kantonrechter hierboven al heeft overwogen en geoordeeld. [eiser] heeft de wettelijk vermoedens daarom onvoldoende gemotiveerd en/of onderbouwd weerlegd.
Het voorgaande betekent dat vast is komen te staan dat [gedaagde] door de gift rechthebbende van Rolex 1 is geworden. Omdat vast is komen te staan dat [gedaagde] rechthebbende is, is [eiser] dat niet. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] , die daarop gebaseerd zijn, worden afgewezen.
De proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld.
2 Dit betekent dat [eiser] zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] aan haar moet betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
864,00 |
(2 punten × € 432,00 plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
864,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [gedaagde] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
In voorwaardelijke reconventie
[gedaagde] heeft een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld. De voorwaarde hiervan is de toewijzing van de vorderingen van [eiser] in conventie. Nu de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, is die voorwaarde niet vervuld en behoeft de voorwaardelijke reconventie geen beoordeling.
4De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de kosten; hij moet de proceskosten van [gedaagde] van € 864,00 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in voorwaardelijke reconventie
verstaat dat de voorwaardelijke vorderingen van [gedaagde] geen beoordeling behoeven.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
64510
Tussen partijen staat vast dat zij tijdens hun relatie over meerdere Rolexen beschikten.
Zoals bedoeld in artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
