Essentie (gemaakt door AI)
Verzoek van GI om op grond van art. 1:265g BW een wekelijkse onbegeleide omgangs-/zorgregeling tussen vader en drie kinderen vast te stellen is afgewezen. Kinderrechter weegt veiligheid zwaarder gezien fors huiselijk geweld door vader, signalen van verbaal geweld jegens kinderen, dwingend gedrag richting moeder en niet-onderkende problematiek met afgewezen hulp. Verdrag van Istanbul wordt betrokken. Eerst zicht op veiligheid, hechting en benodigde hulp; onbegeleide omgang nu onverenigbaar met belang kinderen. Opdracht aan Raad en GI om zorgvuldig te formuleren| Datum publicatie | 06-05-2026 |
| Zaaknummer | C/16/608322 / JE RK 26-355 en C/16/608313 JE RK 26-353 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; 1:265g BW GI-besluit omgang bij OTS; Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzoek omgang door GI ogv 1:265g BW afgewezen. Fors huiselijk geweld gepleegd door vader, daarnaast dwingende houding naar moeder toe waarbij ook de kinderen worden ingezet. Verdrag van Istanbul. Veiligheid kinderen staat voorop en is onvoldoende geborgd bij onbegeleide omgang. Opdracht aan Raad en GI om zorgvuldig te formuleren bij huiselijk geweld.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers: C/16/608322 / JE RK 26-355 (over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] )
C/16/608313 / JE RK 26-353 (over [minderjarige 3] )
Datum uitspraak: 13 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de omgangsregeling en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaken van
de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd in Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] .
[de vader] , de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de GI met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2026;
-
het verzoekschrift over [minderjarige 3] van de GI met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- mevrouw [persoon] , vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven. De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet naar hun mening gevraagd, omdat zij daarvoor nog te jong zijn.
Het verzoek van de GI over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de GI over [minderjarige 3] . Beide beslissingen zijn in deze beschikking neergelegd.
2De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij de belangrijke beslissingen neemt over de kinderen.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] . Zij nemen gezamenlijk de belangrijke beslissingen over haar.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 juni 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026.
3De verzoeken
De GI verzoekt tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader als omgangsregeling vast te stellen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de vader wekelijks zien op zondag van 11.00 uur tot 18.00 uur.
De GI verzoekt tussen [minderjarige 3] en de vader als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen dat [minderjarige 3] de vader wekelijks ziet op zondag van 11.00 uur tot 18.00 uur.
De GI verzoekt beide beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De moeder is het eens met het verzoek.
De vader is het niet eens met het verzoek.
5De beoordeling
De kinderrechter zal de verzoeken van de GI afwijzen om tussen de kinderen en de vader een omgangsregeling dan wel een zorgregeling vast te stellen. Hieronder legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het juridisch kader
De kinderrechter kan volgens de wet op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling een zorgregeling of omgangsregeling vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
1
Op grond van artikel 3, lid 1 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) dienen bij maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van het kind als uitgangspunt voor de daartoe te nemen beslissing. In artikel 9 IVRK is opgenomen dat Staten die partijen zijn bij het IVRK, dienen te waarborgen dat een kind in principe niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil. Dat recht komt ook tot uitdrukking in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op grond van artikel 8 EVRM. Daar staat tegenover dat op grond van artikel 31 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: het Verdrag van Istanbul) bij het nemen van beslissingen over gezag en omgang en over de uitvoering daarvan de rechten en de veiligheid van het slachtoffer van huiselijk geweld gewaarborgd dient te zijn.
In deze zaak moet (het recht op) veiligheid van de kinderen worden afgewogen tegen hun recht en dat van de vader op omgang met elkaar. Dit betekent dat er een positieve verplichting op de staat komt te rusten om het risico van terugkerend geweld in de context van huiselijk geweld te voorkomen. Het Verdrag van Istanbul vereist vervolgens dat incidenten van huiselijk geweld in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de gezag- en omgangsrechten van kinderen, om ervoor te zorgen dat alle regelingen in het belang van het kind zijn en, in het bijzonder, dat de veiligheid van de ouder en van het kind wordt beschermd (EHRM 10 november 2022, I.M. t. Italië, zaaknummer 25426/20). In het kader van deze beoordeling dienen eventuele risico’s op geweld of andere vormen van mishandeling daarom een integraal onderdeel van dergelijke procedures te vormen (EHRM 5 juli 2016, Bîzdîga t. Moldavië, zaaknummer 23755/07).
Toepassing op deze zaak
Zorgen over veiligheid door factoren bij de vader
Om meerdere redenen zijn er forse zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader. Ten eerste zijn de kinderen tijdens de relatie van de ouders getuige geweest van jarenlang fors huiselijk geweld gepleegd door de vader naar de moeder. In het rapport van de Raad van mei 2025 wordt dat als grootste zorg benoemd. Getuige zijn van huiselijk geweld is even beschadigend als rechtstreeks slachtoffer zijn. De kinderen zijn dus ‘indirect’ slachtoffer van dat geweld.
Daarnaast zijn er ook signalen dat de vader verbaal geweld heeft gebruikt tegen de kinderen. De gezinswerker van het Buurtteam meldt in het genoemde rapport van de Raad dat de vader verbaal agressief kan zijn naar de kinderen. Dat betekent dat zij ook op die wijze slachtoffer zijn van geweld door de vader.
Ten derde waren en zijn er zorgen over het gebrek aan gelijkwaardigheid tussen de ouders en vaders dwingende gedrag naar de moeder toe. In het rapport van de Raad wordt benoemd dat verschillende bronnen het beeld schetsen van een moeder die ondergeschikt is aan de vader, waarbij de vader over moeders grenzen gaat en de moeder de vader volgt in zijn wensen, omdat zij geen ruimte voelt om haar grenzen te stellen. De vader heeft eerder meerdere keren geuit dat hij de moeder terug wil. Hij stuurde haar liefdesverklaringen en vertelde dat hoe harder zij hem afwees, hoe harder hij zou vechten om haar terug te krijgen. Tijdens de zitting zei de vader dat hij nu niet meer hoopt of wil dat de moeder en hij weer bij elkaar komen. Het viel de kinderrechter daarbij wel op dat hij niet sprak over de moeder als een gelijke. Hij benoemde bijvoorbeeld dat hij haar min of meer had gered uit de kwetsbare omgeving waarin de moeder was opgegroeid en relateerde het zorgelijke gedrag van de kinderen aan het feit dat de moeder er alleen voor stond en te lief was voor de kinderen.
Ten slotte is de vader bekend met psychiatrische problematiek. Volgens zijn huisarts heeft de vader antisociale persoonlijkheidsproblematiek met lichte vorm van borderline, ADHD, PTSS, verslavingsgevoeligheid (zoals voor cannabis). In het verleden is de vader als gevolg van de cannabis psychotisch geweest. De huisarts heeft zorgen over de vader en heeft in 2025 aan de Raad verteld dat zij zich zorgen maakt over de psychische gesteldheid van de vader en dat hij hulp nodig heeft, maar die niet accepteert. Nodig is dat hij meer inzicht krijgt in zijn emotieregulatie en dat goede diagnostiek wordt gedaan. De Waag kon dat volgens de huisarts bieden.
Uit het voorgaande blijkt dat het gedrag van de vader en zijn psychiatrische problematiek leidt tot zorgen over de veiligheid van de kinderen in relatie tot hun vader.
Gevolgen voor de omgang
De vraag is welke gevolgen dat moet hebben voor de omgang. De kinderrechter is van oordeel dat het vaststellen van omgang zoals de GI die heeft verzocht niet in het belang van de kinderen is.
Daartoe overweegt zij allereerst dat de vader tot op heden geen enkele vorm van erkenning heeft gegeven voor de impact op de moeder en de kinderen van zijn gedrag en het door hem gepleegde geweld. Ook tijdens de zitting volhardde hij in zijn stelling dat hem geen blaam treft en dat de kinderen bovenal niet beschadigd zijn. Ook de hulpverlening die nodig was heeft hij afgewezen. De vader was als gevolg van een OM-hoorzitting naar aanleiding van het huiselijk geweld verplicht om zich te melden bij de Waag. Hij is met dat traject gestopt omdat hij het niet eens was met de behandeling. Ook de hulp die hij kreeg van Altrecht sloot niet aan bij zijn vraag. De vader heeft naar eigen zeggen zelf onderzoek gedaan en kennis opgedaan over zijn mentale bewustzijn. Dat is niet de hulp die de vader nodig heeft. Daarmee zijn de zorgen over zijn gedrag, en zijn agressie in het bijzonder, dus onverminderd groot.
Ten tweede is er tot nu toe onvoldoende zicht op de onveiligheid die de kinderen hebben meegemaakt, en wat die onveiligheid betekent voor de hechting aan de vader en voor de omgang met hem. De kinderen laten alle drie zorgelijk gedrag zien. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn agressief naar anderen en [minderjarige 3] reageert niet of nauwelijks wanneer er om haar heen ruzies zijn, wat niet passend is bij haar leeftijd. Voor [minderjarige 1] is nu speltherapie ingezet, gericht op traumaverwerking en op de hechting aan de moeder, die ook mee gaat doen met de therapie. De vader heeft tot nu toe de hulpverlening op dat gebied afgehouden. Dat betekent dat onvoldoende duidelijk is hoe de gehechtheid van de kinderen aan de vader is en wat ingezet moet worden aan hulp aan de kinderen en de vader. Het betekent ook dat onbekend is wat de draagkracht is van de kinderen om contact met hun vader te hebben.
Ten derde is zorgelijk dat de vader zich ook nu nog dwingend opstelt naar de moeder, en dat hij de kinderen daarbij betrekt. Lange tijd waren er geen vaste afspraken over de omgang tussen de vader en de kinderen en kwam de vader de kinderen ophalen wanneer hem dat uitkwam. De jeugdbeschermer heeft daarin verandering gebracht. De afspraak is dat de kinderen de vader nu op zondag zien van 11.00 uur tot 18.00 uur bij de vader thuis. De vader houdt zich echter regelmatig niet aan de afspraken. Hij communiceert daar dan niet over met de moeder en handelt op een manier die ook voor de kinderen niet goed is. Zo is hij onlangs onaangekondigd naar het schoolplein gekomen om de kinderen op te halen, waarbij er bij school grote consternatie is ontstaan. Ook heeft hij kort geleden de kinderen niet teruggebracht na de omgang. Toen de kinderrechter de vader vroeg waarom hij dat niet had gedaan antwoordde hij dat hij wilde dat de moeder zich zou voelen zoals hij zich vaak voelt als vader. Op de vraag of hij zich had gerealiseerd wat het met de kinderen doet als zij plotseling niet worden teruggebracht naar hun moeder antwoordde hij dat de kinderen daar geen last van hadden omdat zij het altijd leuk vinden bij hem.
Op grond van het voorgaande concludeert de kinderrechter dat onbegeleide omgang tussen de kinderen en de vader, zonder dat er zicht is op hoe die omgang verloopt en wat die omgang betekent voor de kinderen, niet in hun belang is. De GI heeft het verzoek gedaan in de hoop dat de duidelijkheid die dan zou ontstaan ertoe zou leiden dat de vader zich dan aan die regeling zou houden en dat hij daaraan gehouden kon worden. Gelet op het patroon dat hij tot nu toe heeft laten zien heeft de kinderrechter daar geen vertrouwen in. Dat gebrek aan vertrouwen wordt versterkt door vaders houding tijdens de zitting, waarbij hij bleef benadrukken dat hij deze regeling veel te beperkt vond. Er is dus geen enkele indicatie dat de vader zich daar met een rechterlijke uitspraak wel aan zal houden. Maar ook als de vader zich daar wel aan houdt, is de regeling niet in het belang van de kinderen. De volgorde dient te zijn dat er meer zicht moet komen op wat de kinderen nodig hebben, gelet op hun veiligheid en hun belaste verleden, en wat de vader hen daarin vervolgens met hulp kan bieden. Totdat daarover enige duidelijkheid is, is onbegeleide omgang niet in hun belang.
De kinderrechter heeft nog overwogen om als ‘het mindere’ een zorg- en omgangsregeling toe te wijzen waarbij de GI de regie krijgt over de duur en frequentie van begeleide omgang, omdat de kinderrechter zich realiseert dat nu voor iedereen (en voor de kinderen in de eerste plaats) opnieuw een hele onduidelijke situatie ontstaat. Daarbij komt dat de moeder heeft benadrukt dat de kinderen de omgang leuk lijken te vinden en dat zij zich geen zorgen maakt over de kinderen als die bij de vader zijn. De kinderrechter is echter van oordeel dat de GI eerst een plan dient te overleggen waaruit blijkt hoe datgene dat moet worden gedaan nu wordt opgepakt. Als de GI een nieuw verzoek wil doen zal de GI dus duidelijk moeten maken hoe de stappen worden gezet, en wat de consequenties zijn als de vader niet meewerkt aan dat waar hij voor aan de lat staat.
Ten slotte herhaalt de kinderrechter wat zij tijdens de zitting heeft gezegd over de stukken van de Raad en de GI. Het is van belang om in zaken met huiselijk geweld geen bedekkende termen te gebruiken, en ook geen woorden die het slachtoffer tot deel van het probleem lijken te maken. In de stukken wordt bijvoorbeeld gesproken over ‘een situatie van huiselijk geweld tussen de ouders’. Dat impliceert dat de ouders een gelijk aandeel hadden in het geweld, terwijl dat hier evident niet het geval is. Daarnaast wordt gesproken over een weliswaar liefdevolle en betrokken moeder die niettemin de kinderen steeds in een onveilige situatie brengt door ze bloot te stellen aan het contact dat zij met de vader heeft, met alle gevolgen van dien. Hiermee wordt het beeld geschetst dat de moeder deel van het probleem is, terwijl het hier gaat om een moeder wier grenzen niet worden gerespecteerd en die door vader keer op keer dwingend wordt benaderd. In een situatie doen woorden ertoe en is het van belang om zorgvuldig formuleren wie nu wat doet tegen wie, en welke impact dat heeft.
6De beslissing
De kinderrechter:
wijst de verzoeken van de GI af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.S. Stukker als griffier, en op schrift gesteld op 22 april 2026. Vanwege verhindering van mr. Dopheide is deze beslissing ondertekend door mr. M.W.V. van Duursen, (kinder)rechter.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
