Rechtbank Oost-Brabant 26-03-2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2687

Essentie (gemaakt door AI)

Verzoek tot doorbetaling van loon, vernietiging opzegging en toekenning vergoedingen in context van echtscheiding. Afwijzing. Kantonrechter oordeelt dat de ondertekende ‘arbeidsovereenkomst’ geen arbeidsovereenkomst is in de zin van art. 7:610 BW: geen verplichting tot arbeid (feitelijk ca. 2 uur per maand), betalingen kwalificeren niet als loon maar als fiscaal vehikel, en geen gezagsverhouding tussen echtelieden. Tegenverzoek tot teruggave auto afgewezen; kwestie behoort tot echtscheidingsafwikkeling. Veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten.

Datum publicatie04-05-2026
Zaaknummer12035583 EJ VERZ 25-589
ProcedureBeschikking
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenOverig
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek tot (door)betaling van loon. Verzoek afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat het schriftelijke document dat partijen hebben ondertekend, getiteld 'arbeidsovereenkomst', uitsluitend geldt als fiscaal vehikel.

Volledige uitspraak


RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer / rekestnummer: 12035583 \ EJ VERZ 25-589

Beschikking van 26 maart 2026

in de zaak van

[verzoekster] ,

te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. M.S.R. Dijkstra,

tegen

[verweerster] B.V.,

te [plaats 2] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerster] ,

gemachtigde: mr. L.J.J. van Asseldonk.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 30 december 2025 met bijlagen;

- het verweerschrift, met een tegenverzoek en bijlage;

- de brief van [verzoekster] met aanvullende bijlagen;

- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, zodat die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2De feiten

2.1.

[verweerster] is een persoonlijke holding van [A] (hierna: [A] ).

2.2.

[verzoekster] en [A] zijn op [datum] 1990 met elkaar in het huwelijk getreden. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. Inmiddels is het verzoek tot echtscheiding ingediend.

2.3.

Partijen hebben een schriftelijke overeenkomst ondertekend die in de kop wordt aangeduid als ‘arbeidsovereenkomst’.

2.4.

In de overeenkomst staan, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1: AANVANG EN DUUR

1. De werknemer is op 1 januari 2010, hierna te noemen: de ingangsdatum, bij de werkgever in dienst.

2. De arbeidsovereenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan.

Artikel 2: OPZEGGING

1. De werkgever en de werknemer zijn ieder afzonderlijk bevoegd de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

2. Bij de opzegging dient de wettelijke opzeggingstermijn in acht te worden genomen.

3. Opzegging geschiedt uitsluitend tegen het einde van een betalingsperiode.

(…)

Artikel 5: BELONING

1. Het brutoloon bedraagt bij indiensttreding € 3.049,40,-- per maand. Dit salaris wordt uitbetaald voor of uiterlijk op de laatste dag van elke maand.

(…)

Artikel 6: ARBEIDSTIJDEN

1. De arbeidsduur bedraagt bij indiensttreding 40 uren per week.

(…)

Artikel 10: TERBESCHIKKING STELLEN AUTO

1. De werkgever stelt aan de werknemer een (personen)auto voor bedrijfsdoeleinden ter beschikking. De maximale cataloguswaarde van deze auto komen de werkgever en de werknemer nader overeen.

2. Deze personenauto mag de werknemer ook voor privé-doeleinden aanwenden.

(…)

Artikel 12: VERPLICHTINGEN WERKNEMER

1. De werknemer is verplicht de bedongen arbeid, of de passende arbeid indien hij zich daartoe heeft verbonden, zelf en naar beste vermogen te verrichten en zich te houden aan de door of namens de werkgever gegeven voorschriften en/of aanwijzingen omtrent het verrichten van de arbeid, alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goede orde in het bedrijf van de werkgever.

2. De werknemer is gehouden, indien de bedrijfsomstandigheden dat naar de mening van de werkgever eisen, andere werkzaamheden te verrichten dan die welke direct verband houden met de functie of op andere tijden of plaatsen dan gebruikelijk is, een en ander voor zover dit door de werkgever redelijkerwijze kan worden verlangd.(…)”.

2.5.

Het huidig brutoloon als bedoeld in artikel 5 onder 1 van de overeenkomst bedraagt € 7.920,77.

2.6.

Op 23 januari 2025 heeft [A] het volgende aan [verzoekster] geschreven:

Hoi [verzoekster] ,

[B] en [C] hebben gisteren gereageerd richting jouw adviseurs.

Misschien heb je de reactie al gelezen.

Daarmee hangt samen dat ik vanaf nu graag (gelet op het feit dat ik bestuurder, dus verantwoordelijk ben voor [D] , [verweerster] en [E] ) alle taken mbt [D] , [verweerster] en [E] op mij ga nemen.

Er is geen noodzaak meer dat jij de administratie doet en/of betalingen verricht. Je salaris wordt voorlopig doorbetaald. Dit wordt nl. meegenomen in de afwikkeling.

Zou je de admi zsm aan mij (of evt. [F] ) willen overdragen en mij (of evt. [F] ) willen laten weten wat de prioriteiten zijn op dit moment of wat er aankomt/loopt? (…)”.

2.7.

Op 27 januari 2025 heeft [verzoekster] als volgt op het bericht van [A] gereageerd:

Beste [A] ,

Ik heb je bericht ontvangen en begrijp dat, in het licht van de scheiding, je nu een aantal zaken wil scheiden. Het mag niet zo zijn dat je me nu gaat ontslaan zonder reden terwijl daar geen vergoeding tegenover staat.

Daarnaast is het in het kader van de betaling van de huishoudelijke kosten en discussie over alimentatie ook belangrijk dat we elkaar goed begrijpen. Onder protest ben ik bereid mee te werken mits mijn salaris wordt doorbetaald, er een goede regeling wordt getroffen omtrent mijn ontslag (onder meer behoud WW etc) en mijn salaris in ieder geval doorloopt totdat er passende alimentatie afspraken zijn gemaakt en er in de toekomst rekening mee wordt gehouden dat de inkomsten die ik dan niet meer verdien via [verweerster] BV, wel verdisconteerd zullen moeten worden in de toekomstige alimentatie. Je kunt immers van mij niet verwachten dat ik die inkomsten elders ga verdienen. (…)

2.8.

Met ingang van november 2025 heeft [verweerster] geen betalingen meer verricht aan [verzoekster] .

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. de opzegging te vernietigen;

II. [verweerster] te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoekster] van € 7.920,77 vanaf 1 november 2025 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

Subsidiair

III. [verweerster] te veroordelen tot betaling en verstrekking van een deugdelijke eindafrekening, waaronder de pro-rato vakantiebijslag en de opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen;

IV. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding van € 684.354,53 bruto;

V. [verweerster] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 42.772,16 bruto;

VI. [verweerster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 45.156,19 bruto

Meer subsidiair

VII. voor het geval de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig is geëindigd door de opzegging, [verweerster] te veroordelen tot betaling aan van een transitievergoeding van € 45.156,19;

VIII. voor het geval de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig is geëindigd door de opzegging, [verweerster] te veroordelen tot betaling en verstrekking van een deugdelijke eindafrekening, waaronder de pro-rato vakantiebijslag en de opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen;

Primair, subsidiair, en meer subsidiair:

IX. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

X. [verweerster] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verzoekster] heeft aan haar verzoek – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Sinds 1 januari 2010 is sprake van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd, zodat deze opzegging dient te worden vernietigd. Alsdan heeft [verzoekster] recht op doorbetaling van haar loon. Voor zover [verzoekster] berust in de opzegging, heeft zij recht op uitbetaling van bovenstaande vergoedingen, vermeerderd met rente.

3.3.

[verweerster] heeft verweer gevoerd. [verweerster] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] , met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van deze procedure. [verweerster] betwist primair dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. [verzoekster] kan daarom geen aanspraak maken op doorbetaling van loon, noch op de door haar verzochte vergoedingen. Verder voert [verweerster] (voorwaardelijk) aan dat sprake is van een overeenkomst van opdracht, die zij inmiddels heeft opgezegd. Hierdoor is [verzoekster] gehouden de bedrijfsauto, die aan haar ter beschikking is gesteld op basis van de overeenkomst van opdracht, terug te geven. Daarvoor heeft [verweerster] een zelfstandig tegenverzoek gedaan.

3.4.

Daarnaast heeft [verweerster] de kantonrechter, voorwaardelijk, verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [verzoekster] in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de vervaltermijn ex artikel 7:686a lid 4 sub a BW;

II. Indien [verzoekster] in het einde van de overeenkomst berust, haar in haar vorderingen sub VI en sub VII niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze vorderingen af te wijzen.

3.5.

Op de verdere stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling – voor zover relevant – nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst en zo ja, of die rechtsgeldig door [verweerster] is beëindigd.

Gelet op het gemotiveerde verweer door [verweerster] dient vooreerst te worden beoordeeld of de rechtsverhouding tussen partijen – als (voormalig) echtelieden – kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.

Echtscheidingsprocedure

4.2.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat onderhavige procedure – zoals tijdens de mondelinge behandeling gebleken – onderdeel is van een lopende echtscheidingsprocedure tussen [verzoekster] en [A] . Voorstelbaar is dan ook dat deze procedure dient ter ondersteuning van de vorderingen tot financiële afrekening c.q. onderhandeling in de echtscheidingsprocedure. Zo is [verzoekster] haar betoog op zitting immers ook begonnen: “We zijn hier vandaag vanwege een complexe en omvangrijke echtscheiding. Partijen verschillen met elkaar van mening over verschillende uitgangspunten en rechtsvragen als het gaat om de vermogensrechtelijke afwikkeling. De sinds 1 januari 2010 bestaande arbeidsovereenkomst van mevrouw [verzoekster] is een onderdeel van die afwikkeling [onderstrepingen kantonrechter]. In dat licht zal de kantonrechter de verzoeken van [verzoekster] dan ook beoordelen.

Toetsingskader arbeidsovereenkomst

4.3.

Het toetsingskader voor de beoordeling of een overeenkomst gekwalificeerd moet worden als een arbeidsovereenkomst wordt gevormd door artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nader ingevuld door (onder meer) de arresten van de Hoge Raad van 14 november 1997 (Groen/Schroevers, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495) en 6 november 2020 (X./Gemeente Amsterdam, ECLI:NL:HR:2020:1746).

4.4.

Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. De definitie van de arbeidsovereenkomst kan dus worden onderscheiden in vier elementen: (i) de verplichting tot het verrichten van (persoonlijke) arbeid, (ii) de verplichting tot het betalen van loon, (iii) gedurende een zekere tijd en (iv) aanwezigheid van een gezagsverhouding.

4.5.

Welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen, moet worden vastgesteld door middel van uitleg aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Op grond van die maatstaf komt het bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van de op dit punt door partijen gemaakt afspraken aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en hetgeen zij te zien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van alle omstandigheden van het geval. Nadat zo de overeengekomen rechten en verplichtingen – en hiermee de inhoud van de overeenkomst – zijn vastgesteld, moet beoordeeld worden of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.

4.6.

Hoewel partijen de tussen hen gesloten schriftelijke overeenkomst een arbeidsovereenkomst hebben genoemd, is dit niet doorslaggevend. Beoordeeld moet worden of aan de hand van de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen aan de hiervoor genoemde wettelijke elementen uit artikel 7:610 BW is voldaan. Ten aanzien daarvan overweegt de kantonrechter het volgende.

Arbeid gedurende een zekere tijd

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] in enige vorm werkzaamheden heeft verricht voor [verweerster] . De kantonrechter begrijpt dat [verzoekster] gedurende een zekere periode enige administratieve werkzaamheden voor [verweerster] heeft verricht, alsook voor twee andere persoonlijke vennootschappen van [A] : [D] B.V. (hierna: [D] ) en [E] B.V. (hierna: [E] ). Niet is komen vast te staan dat [verzoekster] die werkzaamheden verrichtte omdat zij hiertoe op grond van een overeenkomst verplicht was. Veeleer is aannemelijk dat zij dit deed uit hoofde van de affectieve relatie tussen haar en [A] , in het kader van een taakverdeling tussen echtelieden. Daarbij is van belang dat hoewel in artikel 6 van de overeenkomst is opgenomen dat de arbeidsduur 40 uur per week bedraagt (zie punt 2.4), [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard gemiddeld ongeveer twee uur per maand werkzaam te zijn. Bovendien verrichtte zij in die twee uur ook werkzaamheden voor [D] en [E] en dus niet uitsluitend voor [verweerster] . De kantonrechter begrijpt hieruit dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat [verzoekster] de op papier overeengekomen 40 uur per week daadwerkelijk zou werken. In dit verband is ook relevant dat [verzoekster] in het verleden [verzoekster] een arbeidsovereenkomst met een arbeidsomvang van 30 uur per week heeft gehad met een ander (voormalig) bedrijf van [A] , namelijk [G] B.V. (hierna: [G] ), aan welke overeenkomst uitvoering is gegeven. [A] heeft daarover onweersproken op zitting gesteld en toegelicht dat [verzoekster] haar werkzaamheden voor [G] verrichtte voor daadwerkelijk de overeengekomen arbeidsduur, op locatie, met andere collega’s en dat hij niet uitsluitend eigenaar was van [G] . Het betrof een rechtsverhouding die zich niet laat vergelijken met de overeenkomst met [verweerster] , waarbij [verzoekster] niet de overeengekomen arbeidsduur heeft gewerkt, beperkte administratieve werkzaamheden verrichtte vanuit huis voor uitsluitend de persoonlijke financiële holdings van [A] . Dat het de bedoeling van partijen is geweest dat [verzoekster] gedurende een zekere tijd arbeid zou verrichten uit hoofde van een arbeidsovereenkomst is niet komen vast te staan. Daarmee volgt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat partijen geen verplichting tot het verrichten van arbeid zijn overeengekomen.

Loon

4.8.

Niet in geschil is dat [verzoekster] jarenlang maandelijks een bedrag van [verweerster] heeft ontvangen onder de noemer ‘salaris’ onder verstrekking van loonstroken. Dat maakt echter op zichzelf nog niet dat kan worden gesproken van loon in het kader van artikel 7:610 BW. Daarvan is sprake als de betaling kan worden aangemerkt als een tegenprestatie voor de bedongen arbeid (Hoge Raad 18 december 1953, ECLI:NL:HR:1953:219). Dat de maandelijkse betaling dat karakter had, is onvoldoende gebleken. Daarbij acht de kantonrechter het volgende van belang. [verweerster] heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst uitsluitend een fiscaal vehikel betrof, een fiscaal en financieel aantrekkelijke constructie van partijen om aan [verzoekster] maandelijks een bedrag uit te keren welk bedrag vervolgens weer terecht kwam in de ‘gezamenlijke pot’. Dit is door [verzoekster] niet, althans onvoldoende, weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet ongebruikelijk dat de ene levenspartner c.q. echtgenoot op papier meewerkt in het bedrijf van de andere en dat in dit verband ‘fiscale constructies’ worden gehanteerd. Dat sprake was van een dergelijke constructie, blijkt temeer uit het feit dat de hoogte van het maandelijks te ontvangen bedrag niet afhing van het aantal gewerkte uren. [verweerster] heeft in dat verband ter zitting onweersproken toegelicht dat het salaris is bepaald overeenkomstig het advies van Newtone B.V., de fiscaal adviseur van [verweerster] , en dat in het geval het daadwerkelijk de bedoeling van [verweerster] zou zijn geweest om aan [verzoekster] maandelijks loon als bedoeld in de zin van artikel 7:610 BW uit te keren, zij een afgerond bedrag zou zijn overeengekomen, in plaats van een op de overgelegde salarisstrook af te lezen bruto loon ten bedrage van € 7.920,77. Vorenstaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang in aanmerking nemende, acht de kantonrechter de toelichting van [verweerster] dat voornoemd bedrag is bepaald en uitgekeerd enkel vanwege fiscale voordelen aannemelijk. De kantonrechter komt daarmee tot het oordeel dat de verrichtte betalingen niet kwalificeren als loon in de zin van artikel 7:610 BW.

Gezagsverhouding

4.9.

De kantonrechter stelt voorop dat een gezagsverhouding tussen levenspartners c.q. echtgenoten niet voor de hand ligt. In die omstandigheden mag van [verzoekster] verwacht worden dat zij haar stelling dat wel degelijk sprake is geweest van een gezagsverhouding voldoende onderbouwt. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerster] heeft zij dat onvoldoende gedaan. [verzoekster] verwijst naar artikel 12 van de overeenkomst – waaruit de instructiebevoegdheid van [verweerster] zou volgen – maar niet is gebleken dat [verweerster] van die instructiebevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Weliswaar heeft [verzoekster] enige correspondentie overgelegd waarin onder meer te lezen is dat [A] [verzoekster] vraagt om een geldbedrag over te maken, respectievelijk een banksaldo te controleren, maar daaruit blijkt geenszins dat sprake is van een gezagsverhouding. Voor zover [verzoekster] in dit verband nog heeft toegelicht dat zij meeging naar zakelijke besprekingen van [verweerster] maar tijdens die besprekingen geen inbreng had, ziet dat veeleer op het ontbreken van zeggenschap in de onderneming van [verweerster] . Dat sprake is van een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 7:610 BW blijkt daaruit niet. Daarnaast is, zoals hiervoor overwogen, gebleken dat [verzoekster] vrij was in de wijze waarop en de tijdstippen waarop zij de werkzaamheden uitvoerde. [verzoekster] was verder volledig vrij in het opnemen van verlof. Van afspraken tussen partijen over de werktijden, vakanties etc. is bovendien niet gebleken. Niet is komen vast te staan dat tussen partijen een gezagsverhouding heeft bestaan.

Conclusie

4.10.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dit betekent dat de verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen.

Teruggave auto

4.11.

[verweerster] heeft – bij wijze van tegenverzoek – verzocht om [verzoekster] (samengevat) te veroordelen tot teruggave van de (bedrijfs)auto. Dit verzoek wordt afgewezen. In het hiervoor overwogene heeft de kantonrechter vastgesteld dat tussen pp geen arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Voor zover een auto aan [verzoekster] ter beschikking is gesteld, ligt hieraan geen overeenkomst tussen [verweerster] en [verzoekster] ten grondslag en betreft dit een privé aangelegenheid tussen [verzoekster] en [A] . De vraag of [verzoekster] gehouden is de auto in te leveren, is dan een vraag die beantwoord dient te worden in de echtscheidingsprocedure.

Voorlopige voorziening

4.12.

[verzoekster] heeft – bij wijze van voorlopige voorziening – verzocht om voor de duur van het geding [verweerster] te veroordelen tot (samengevat) doorbetaling van het loon vanaf 1 november 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging. Omdat vandaag eindvonnis wordt gewezen, heeft [verzoekster] geen belang meer bij de beoordeling van deze voorlopige voorziening. De kantonrechter zal deze vordering daarom afwijzen.

Proceskosten

4.13.

[verzoekster] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van [verweerster] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

86,00

(2 punten × € 43,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

230,00

5De beslissing

De kantonrechter

In het verzoek

5.1.

wijst de verzoeken van [verzoekster] af,

In het tegenverzoek

5.2.

wijst het verzoek van [verweerster] af,

In het verzoek en tegenverzoek

5.3.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 230,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.




© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733