Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin man nakoming van de zorg- en contactregeling vordert en de vrouw tijdelijke stopzetting of ontzegging omgang vraagt na zorgelijke uitlatingen zoontje (2017) bij diverse personen. Spoedeisend belang. De vordering tot vervallenverklaring van eerdere dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Gezien concrete veiligheidszorgen wordt recht vader op omgang voor onbepaalde tijd ontzegd, waarbij het i.p. aan Veilig Thuis en/of Marechaussee (vader werkt bij defensie) is om te beslissen over herstel omgang.| Datum publicatie | 04-05-2026 |
| Zaaknummer | C/02/444433 / KG ZA 26-40 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Geen omgang (een van) ouders |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vonnis in kort geding. Ontzegging van het recht van de vader op het hebben van omgang met de minderjarige voor onbepaalde tijd vanwege zorgen over de veiligheid. Omgang is slechts mogelijk na afweging door betrokken instanties.Volledige uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTTeam Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens: C/02/444433 / KG ZA 26-40
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Vonnis in kort geding tot nakoming zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. J.M. Wigman te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. A. Elias te Oisterwijk,
over de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen in conventie en in reconventie geadviseerd.
1De procedure
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
-
de op 27 februari 2026 betekende dagvaarding, met producties 1 t/m 7;
-
de op 3 maart 2026 ontvangen conclusie van antwoord, met daarin een eis in reconventie, met producties 1 t/m 7;
-
de brief van 6 maart 2026 van mr. Wigman, met producties 8 en 9;
-
de brief van 9 maart 2026 van mr. Wigman, met productie 10;
-
de tijdens de zitting door mr. Wigman overgelegde pleitnotities.
Op 10 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak ter zitting behandeld met gesloten deuren, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
-
de man, bijgestaan door mr. Wigman;
-
de vrouw, bijgestaan door mr. Elias;
-
een vertegenwoordigster namens de Raad.
[minderjarige] heeft, met het oog op zijn leeftijd, het recht om zijn mening in deze procedure te geven. [minderjarige] is daarom uitgenodigd om aan te geven of hij zijn mening tijdens een gesprek of schriftelijk wil geven. [minderjarige] heeft het antwoordformulier teruggestuurd en daarop aangegeven dat hij niet op gesprek wil komen, omdat hij al tegen andere mensen heeft gezegd wat er bij zijn vader is gebeurd en dat hij hen vertrouwt.
2De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is uit deze relatie geboren.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 juni 2024 is, samengevat en voor zover hier van de belang, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] bepaald, waarbij [minderjarige] in de even weken bij de man verblijft van donderdag uit school tot en met zondagavond 18.00 uur, en in de oneven weken van donderdag uit school tot vrijdagochtend naar school. Daarnaast is er een verdeling van de schoolvakanties, de feestdagen en andere bijzondere dagen bepaald.
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 oktober 2024 is de man veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige] zoals bepaald in voormelde beschikking van de rechtbank van 12 juni 2024 op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,= voor iedere dag dat hij niet aan dit vonnis voldoet, met een maximum van € 10.000,=.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2025 is, samengevat en voor zover hier van belang, bepaald dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] voortaan aan de vrouw alleen toekomt, waarbij het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige] dus is beëindigd. Daarnaast is voormelde beschikking van deze rechtbank van 12 juni 2024 gewijzigd met betrekking tot de verdeling van de studiedagen en is er een informatieregeling bepaald op basis waarvan de vrouw de man tweemaandelijks per e-mail dient te informeren over [minderjarige] . De zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] is voor het overige dus in stand gelaten.
Namens de man is er een hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van de rechtbank van 20 juni 2025. Deze procedure loopt nog: de zitting in deze procedure is nog niet bepaald door het hof.
De vrouw is momenteel belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
In het verleden is [minderjarige] onder toezicht gesteld geweest. Deze maatregel is opgeheven per 13 september 2024.
3De vorderingen in conventie en in reconventie
De man vordert bij vonnis in kort geding in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, om:
-
de vrouw te veroordelen tot nakoming van de door deze rechtbank bij beschikking van 12 juni 2024 en 20 juni 2025 vastgestelde zorg-/omgangsregeling, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft om aan dit vonnis te voldoen;
-
te bepalen dat de in het vonnis in kort geding van 2 oktober 2024 opgelegde dwangsom per direct komt te vervallen en dit vonnis te wijzigen, in die zin dat de bepalingen in rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2 als vervallen moeten worden beschouwd;
-
de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Namens en door de man is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Op 8 januari 2026 heeft de advocaat van de vrouw per e-mail aan de man doorgegeven dat de vrouw, naar aanleiding van bepaalde uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan over wat er zou zijn gebeurd tijdens zijn verblijf bij de man in de Kerstvakantie, de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] per direct opschort. Pas enkele weken later heeft de vrouw aangegeven welke uitspraken [minderjarige] zou hebben gedaan, namelijk dat de huidige partner van de man seksueel grensoverschrijdend gedrag zou hebben vertoond richting [minderjarige] , dat [minderjarige] het niet naar zijn zin zou hebben bij de man, dat de man [minderjarige] regelmatig zou straffen, dat [minderjarige] niet zelfstandig eten en drinken zou mogen pakken bij de man thuis, dat [minderjarige] vaak op zijn kamer zou moeten blijven en dat hij bang zou zijn voor bepaalde huisdieren (zoals een tamme rat) die op zijn kamer verblijven.
Deze beschuldigingen worden door de man en zijn partner nadrukkelijk betwist. Volgens de man verlopen de contacten tussen hem en [minderjarige] juist positief. Eventuele uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan, moeten volgens de man dan ook worden gezien in het licht van de loyaliteitsproblemen waarmee hij kampt. Zo heeft [minderjarige] tegen de man gezegd dat, als hij iets niet mag, hij dingen zal gaan vertellen waardoor de man grote problemen zou krijgen en dat zijn moeder en school dan zouden gaan regelen dat hij niet meer naar de man hoeft te gaan.
Voor de man is het overduidelijk dat de vrouw hem uit het leven van [minderjarige] wil weren. De man vindt het verschrikkelijk wat hem en [minderjarige] nu overkomt. Dat hij [minderjarige] al enige tijd niet meer ziet, doet de man veel pijn en verdriet. De man betwist bovendien dat Veilig Thuis zou hebben geadviseerd om de omgang tussen hem en [minderjarige] tijdelijk op te schorten. Voor zover Veilig Thuis dit advies wel heeft gegeven, stelt de man dat Veilig Thuis de bevoegdheid niet heeft om dat te doen. In plaats van eerst een gedegen onderzoek te verrichten, met de man in gesprek te gaan en hoor- en wederhoor toe te passen, hebben de betrokken instanties gehandeld zonder oog te hebben voor mogelijke alternatieve scenario’s. De man verwijst tot slot naar een aantal positieve verklaringen die een aantal mensen uit zijn omgeving heeft gedaan over hem.
De man stelt zich op het standpunt, gezien het voorgaande, dat de vrouw de zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige] per direct moet nakomen en dat er geen redenen zijn die de vrouw het recht geven om dat niet te doen. De man vindt bovendien dat de omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] zo spoedig als mogelijk moet worden hervat om verdere schade in de ontwikkeling van [minderjarige] te voorkomen. De man heeft een voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen in conventie, nu de vrouw de omgang tussen hem en [minderjarige] volledig heeft opgeschort en er al gedurende een aantal maanden geen omgang heeft plaatsgevonden. Nu de procedure in hoger beroep bij het hof naar verwachting nog maanden zal duren, vindt de man het opschorten van de omgangsregeling totdat het hof uitspraak heeft gedaan, zoals door de vrouw in reconventie is gevorderd, absoluut niet in het belang van [minderjarige] . De man vordert tot slot in conventie om de bij vonnis in kort geding van 2 oktober 2024 opgelegde dwangsom vervallen te verklaren omdat de man zijn verplichtingen nakomt. Deze dwangsom legt namelijk onnodig veel druk op de situatie en dient, naar de mening van de man, eindig te zijn. De man stelt derhalve dat hij een voldoende spoedeisend belang bij deze vordering heeft.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen in conventie van de man.
Daarnaast vordert de vrouw bij vonnis in kort geding in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, dat de omgangsregeling zoals bepaald in de beschikkingen van deze rechtbank van 12 juni 2024 en 20 juni 2025 voorlopig wordt stopgezet, dan wel de man het recht op het hebben van omgang met [minderjarige] tijdelijk te ontzeggen in afwachting van de beslissing van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de procedure met het zaaknummer 200.359.801/01, dan wel om een andere beslissing te nemen als de voorzieningenrechter passend acht.
Namens en door de vrouw is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De vrouw stelt dat [minderjarige] in de eerste weken van januari 2026 tegenover meerdere, onafhankelijke (jeugd)professionals zorgelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn verblijf bij de man en zijn partner. In dat verband zijn er vanuit school en de logopediste van [minderjarige] meldingen gedaan bij Veilig Thuis. Naar aanleiding daarvan heeft Veilig Thuis aan de vrouw geadviseerd om de omgang tussen de man en [minderjarige] tijdelijk stop te zetten. De vrouw verwijst ter onderbouwing daarvan naar de schriftelijke verklaring van Veilig Thuis, welke als productie 11, behorende bij het verweerschrift in hoger beroep is gevoegd (en als productie 4 bij de conclusie van antwoord is gevoegd). De vrouw en [minderjarige] hebben een dag in een Safehouse verbleven. Nadat er veiligheidsafspraken waren opgesteld en de vrouw een Aware-knop had gekregen, is de vrouw samen met [minderjarige] teruggekeerd naar huis. In de afgelopen weken heeft de man meermaals gezegd dat hij [minderjarige] zal ophalen van school. De vrouw heeft inmiddels aangifte gedaan tegen de man bij de politie. Het onderzoek is inmiddels gestart door de Marechaussee (omdat de man werkzaam is bij defensie) en die heeft al onderzoekshandelingen gedaan, zoals het uitlezen van de telefoon van de man.
De vrouw stelt zich op het standpunt, gezien het voorgaande, dat voormelde nieuwe feiten en omstandigheden ertoe leiden dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie met als gevolg dat de nakoming van de geldende omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] door de vrouw in strijd met de belangen van [minderjarige] is en dat dit dus niet van de vrouw kan worden verlangd. De vrouw had gehoopt dat de man de gegeven adviezen vanuit de betrokken instanties zou opvolgen. Nu de man dit niet doet, zag de vrouw zich genoodzaakt tot het indienen van haar vorderingen in reconventie. Nu de vrouw handelt in lijn met de gegeven adviezen vanuit de betrokken instanties, dient tot slot de in conventie gevorderde proceskostenveroordeling te worden afgewezen.
4De beoordeling in conventie en in reconventie
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze vorderingen hierna gezamenlijk worden behandeld.
De eerste vraag die de voorzieningenrechter heeft te beantwoorden, is of partijen een voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen (in conventie en in reconventie) (artikel 254 Rv) . Nu er sinds begin januari 2026 geen sprake is geweest van omgang tussen de man en [minderjarige] en de vrouw dit afhoudt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man op zichzelf een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen in conventie. Omdat de vorderingen van de vrouw in reconventie zien op hetzelfde onderwerp, zal de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen eveneens aannemen. De voorzieningenrechter zal voormelde vorderingen in conventie en in reconventie daarom hierna inhoudelijk beoordelen en vervolgens daarop beslissen. Met betrekking tot de vordering van de man in conventie tot vervallenverklaring van de eerder bij vonnis in kort geding opgelegde dwangsom, is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat de man onvoldoende spoedeisend belang heeft. Voormelde dwangsom is namelijk opgelegd om de man ertoe te bewegen om zijn verplichtingen die voortvloeien uit voormeld vonnis na te komen. Dat de man zijn verplichtingen nakomt, al dan niet onder een dreiging van voormelde dwangsom, is dan ook geen reden om de dwangsom te beëindigen. Daarbij geldt dat de man, zo lang hij zijn verplichtingen nakomt, geen last heeft van voormelde dwangsom. Ook is niet gebleken noch gesteld dat de man tot op heden betalingen heeft moeten doen vanwege deze dwangsom. De voorzieningenrechter zal genoemde vordering van de man in conventie daarom afwijzen.
Namens de Raad is ter zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad vindt de uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan zeer zorgelijk. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat als kinderen dergelijke beschuldigingen doen, dat deze zelden uit het niets komen. Het is dan ook goed mogelijk dat [minderjarige] hetgeen hij heeft gezegd ook zo heeft beleefd. Maar dit betekent dus niet dat de beschuldigingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Nu de vrouw aangifte jegens de man heeft gedaan, de Marechaussee het onderzoek inmiddels heeft opgepakt en onder andere Veilig Thuis en Sterk Huis betrokken zijn, vindt de Raad dat de onderzoeken en de trajecten die zijn gestart, doorgang moeten kunnen vinden en dat de uitkomsten hiervan bekend moeten zijn, alvorens er weer sprake kan zijn van omgang tussen de man en [minderjarige] . De Raad betrekt hierbij dat een Aware-knop niet zomaar wordt verstrekt en dat dit enkel gebeurt als daartoe voldoende aanleiding bestaat. Na alles wat er tot nu toe tussen partijen is gebeurd - met meerdere gerechtelijke procedures en een forse hulpverleningsgeschiedenis, ook in het kader van een ondertoezichtstelling - ziet de Raad hetgeen er nu speelt tussen partijen niet als een opzichzelfstaand iets. De Raad adviseert daarom om de vordering in reconventie van de vrouw toe te wijzen, in die zin dat wordt bepaald dat het recht van de man op het hebben van omgang met [minderjarige] wordt opgeschort en dat de afweging of en zo ja, op welk moment en op welke manier er weer sprake kan zijn van omgang tussen de man en [minderjarige] wordt gemaakt door Veilig Thuis en/of de Marechaussee.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De rechtbank heeft bij beschikking van 12 juni 2024 een zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] bepaald. In de beschikking van 20 juni 2025 is vervolgens bepaald dat de vrouw vanaf dat moment alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast. Voormelde zorg- en contactregeling is in stand gelaten. Vanwege de wijziging van het gezag is deze regeling nu aan te merken als een omgangsregeling. De man heeft een hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van de rechtbank maar hier is nog niet op beslist. Partijen dienen voormelde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] dan ook in beginsel na te komen, tenzij er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de nakoming niet langer van (één van) hen kan worden gevergd.
De vrouw stelt dat [minderjarige] zorgelijke uitlatingen heeft gedaan over zijn contact en verblijf bij de man en zijn partner. Deze beschuldigingen worden door de man en zijn partner met klem betwist. Vooropgesteld weet de voorzieningenrechter niet wat er wel en wat er niet is gebeurd. De voorzieningenrechter houdt er op dit moment dan ook rekening mee dat óf het verhaal van de man óf dat van de vrouw waar is, óf dat de waarheid ergens in het midden ligt. Hiernaar zal nader onderzoek moeten plaatsvinden. Dit neemt niet weg dat de voorzieningenrechter nu moet beslissen op basis van de op dit moment in deze procedure beschikbare informatie.
Als productie 6 bij de conclusie van antwoord is een afschrift van de melding vanuit de school van [minderjarige] bij Veilig Thuis overgelegd. Uit deze melding blijkt dat [minderjarige] inderdaad op school heeft gezegd dat hij geen fijne vakantie heeft gehad bij zijn vader, dat zijn vader hem wel eens slaat, dat [minderjarige] door hem is uitgescholden, dat [minderjarige] geen eten heeft gehad en dat zijn stiefmoeder stiekem aan zijn piemel heeft gezeten. Als productie 7 bij de conclusie van antwoord is de melding vanuit de logopediste van [minderjarige] bij Veilig Thuis gevoegd. Uit deze melding blijkt dat [minderjarige] heeft gezegd dat hij bij zijn vader thuis de hele dag op zijn kamer moet zitten en dat dit vaak is gebeurd en zonder reden, dat [minderjarige] geen eten en drinken krijgt en dat hij met zijn blote voeten in de sneeuw heeft moeten staan, hetgeen erg koud en pijnlijk voor hem was. Deze verklaringen heeft [minderjarige] , aldus de logopediste, in een periode van meerdere weken, dus op meerdere momenten, gedaan. Uit productie 11 bij het verweerschrift in hoger beroep, welke als productie 4 bij de conclusie van antwoord is gevoegd, blijkt bovendien dat Veilig Thuis naar aanleiding van de verklaringen die [minderjarige] heeft gedaan, heeft geadviseerd om de omgang tussen de man en [minderjarige] tijdelijk stop te zetten, hetgeen de vrouw dus heeft gedaan.
De voorzieningenrechter stelt op basis van het voorgaande vast dat [minderjarige] voormelde zorgelijke uitingen meermaals en tegen meerdere personen heeft gedaan. Dat [minderjarige] deze uitlatingen heeft gedaan, is door en namens de man niet betwist. Of de gebeurtenissen die [minderjarige] heeft omschreven daadwerkelijk zijn gebeurd of dat zijn uitingen (voor een deel) voortkomen uit zijn loyaliteitsproblematiek, zoals namens en door de man naar voren is gebracht, is op basis van de op dit moment beschikbare informatie niet vast te stellen. De geuite zorgen zijn echter dusdanig concreet en ernstig dat het, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, op dit moment onvoldoende veilig is voor [minderjarige] om omgang te hebben met zijn vader. Hetgeen door en namens de man naar voren is gebracht, zoals dat er nog geen gedegen onderzoek is verricht waarbij hoor- en wederhoor is toegepast en dat een aantal mensen uit de omgeving van de man een positief beeld van de man schetsen, doet hier niet aan af. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man in conventie tot nakoming van de bestaande omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] op straffe van een dwangsom daarom afwijzen en de man het recht op het hebben van omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd ontzeggen. De daartoe strekkende vordering in reconventie van de vrouw zal daarom worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal daarbij bepalen, zoals is geadviseerd door de Raad, dat de beslissing óf en zo ja, op welk moment en in welke vorm de omgang tussen de man en [minderjarige] kan en zal worden hersteld, door Veilig Thuis en/of de Marechaussee dient te worden genomen (of wanneer de rechtbank of het hof in hoger beroep anders beslist).
De voorzieningenrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de vrouw in reconventie is gevorderd. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat beide partijen zich daar dus aan moeten houden, en dat een eventueel hoger beroep deze beslissing niet schorst.
In hetgeen over en weer namens partijen is aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter tot slot geen aanleiding om één van hen te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedures en daarbij af te wijken van het uitgangspunt in familierechtelijke zaken dat de kosten van partijen tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter zal dit dan ook op onderstaande wijze bepalen.
Het meer of anders gevorderde (in conventie en in reconventie) zal worden afgewezen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
In conventie en in reconventie:
bepaalt dat het recht van de man op het hebben van omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd wordt ontzegd en dat de beslissing óf en zo ja, op welk moment en in welke vorm de omgang tussen de man en [minderjarige] kan en zal worden hersteld door Veilig Thuis en/of de Marechaussee dient te worden genomen (of wanneer de rechtbank of het hof in hoger beroep anders beslist);
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Bogaert, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Wallerbos als griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
