Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2495

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep tegen in de beschikking opgenomen vaststellingsovereenkomst over de verdeling van aandelen is niet-ontvankelijk. Het hof oordeelt dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst art. 7:900 BW zodat geen rechterlijke beslissing voorligt art. 358 lid 1 Rv. Waarde Volvo V70 wordt vastgesteld op € 5.100 met € 2.550 overbedeling aan vrouw. Vergoedingsrecht voor na ontbinding uit privé betaalde hypotheekaflossingen: beleggingsleer niet van toepassing; regres op grond van art. 3:172 BW jo. art. 6:10 BW; vrouw vergoedt € 14.333,40.

Datum publicatie04-05-2026
Zaaknummer200.360.631/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Gemeenschapsschulden art. 1:96; Vergoedingsrechten art. 1:87
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Hoger beroep tegen vaststellingsovereenkomst opgenomen in de beschikking niet-ontvankelijk. Beleggingsleer niet van toepassing bij aflossing van de hypotheek met privévermogen na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, art. 3:172 BW jo. art. 6:10 BW van toepassing in plaats van art. 1:96 BW jo. 1:87 lid 2 BW.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.360. 631/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 231249)

beschikking van 23 april 2026

in de zaak van

[verzoeker] (de man),

die woont op een bij het hof bekend adres,

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden,

en

[verweerster] (de vrouw),

die woont op een bij het hof bekend adres,

verweerster in hoger beroep,

advocaat: mr. R.M.A. Arnoldus te Groningen.

1De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 17 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (de bestreden beschikking).

2De procedure in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 16 oktober 2025;

- een journaalbericht namens de man van 31 oktober 2025 met bijlage(n);

- het verweerschrift met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de man van 6 maart 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de vrouw van 9 maart 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de man van 11 maart 2026 met bijlage(n).

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 19 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren

partijen met hun advocaten aanwezig. Mr. de Boer heeft het woord gevoerd mede aan de hand van een pleitnota.

3De feiten

3.1.

De man en de vrouw zijn [in] 2011 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Tussen partijen gelden geen partnerschapsvoorwaarden zodat partijen zijn geregistreerd in algehele gemeenschap van goederen.

3.2.

Partijen houden ieder 50% van de aandelen in [naam1] B.V. De aandelen genummerd 1 tot en met 9.000 en 18.001 tot en met 18.090 zijn uitgegeven aan de man. De aandelen genummerd 9.001 tot en met 18.000 en 18.091 tot en met 18.180 zijn uitgegeven aan de vrouw.

3.3.

De vrouw heeft op 23 januari 2024 een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend.

3.4.

Bij beschikking van 20 december 2024 heeft de rechtbank onder andere de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken.

3.5.

Op 13 mei 2025 is voornoemde beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4De omvang van het geschil

4.1.

Tussen partijen is in geschil de (gelaste wijze van) verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen. Specifiek gaat het over de kosten van de woning, de waarde van de auto’s en de aandelen.

4.2.

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking voor zover hier van belang beslist:

4.1

gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt:


de woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening

4.1.1.

bepaalt dat de woning dient te worden verkocht en geleverd aan een derde onder de volgende voorwaarden

(..)

-na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het restant moeten partijen bij helfte delen;

de auto’s

4.1.5.

verstaat dat de Volvo V40 wordt toebedeeld aan de vrouw tegen vergoeding van de helft van de waarde, zijnde € 5.875,- te voldoen aan de man;

4.1.6.

verstaat dat de Volvo V70 wordt toebedeeld aan man en bepaalt dat de man de helft van de waarde, zijnde € 4.725,- dient te voldoen aan de vrouw;

de aandelen

4.1.7.

verstaat dat partijen over de verdeling van de aandelen overeenstemming hebben bereikt zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.10;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

4.3.

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw recht doende:
I alsnog te bepalen dat de aandelen met nummers 9.001 tot en met 18.000 en

18.091 tot en met 18.180 (welke reeds op haar naam staan) aan de vrouw worden

toebedeeld en te bepalen dat de aandelen met nummers 1 tot en met 9.000 en

18.001 tot en met 18.090 (welke reeds op zijn naam staan) aan de man worden

toebedeeld en daarbij te bepalen dat het bedrag ad. € 150.000,- wat de vrouw van

de man heeft ontvangen, als onverschuldigd betaald aan de man terugbetaald dient

te worden, een en ander binnen 14 dagen na betekening van de in deze te wijzen

beschikking, waarna de vrouw in gebreke is en aanspraak wordt gemaakt op de

wettelijke rente over dit bedrag, vanaf de datum waarop de vrouw in gebreke is tot

de datum van algehele voldoening;

II te bepalen dat de Volvo V40 wordt toebedeeld aan de vrouw en dat de Volvo V70

wordt toebedeeld aan de man en daarbij tegelijkertijd te bepalen dat, vanwege deze

verdeling, de vrouw is overbedeeld en de man een bedrag ad. € 3.325,- moet

vergoeden;

III primair: te bepalen dat, alvorens de netto verkoopopbrengst van de gezamenlijke

woning gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld, eerst aan de man een bedrag

toekomt ad. € 40.333,80 (dan wel een nader te bepalen bedrag), vanwege het feit

dat de man, na de peildatum, met privégelden in de gezamenlijke woning heeft

geïnvesteerd;
subsidiair: te bepalen dat de vrouw uit de netto-opbrengst van de verkoop van de

gezamenlijke woning, de man een bedrag ad. € 40.333,80 moet vergoeden, dan wel

een nader te bepalen bedrag aan de man moet vergoeden, vanwege het feit dat hij

met privé gelden in de gezamenlijke woning heeft geïnvesteerd, c.q. met privé

gelden op de gezamenlijke hypotheek ten aanzien van de gezamenlijke woning

heeft afgelost, een en ander door de vrouw te voldoen binnen 14 dagen na afgifte

van de in deze te wijzen beschikking, waarna de vrouw in gebreke is en aanspraak

wordt gemaakt op de wettelijke rente vanaf de dag dat de vrouw in gebreke is tot de

dag der algehele voldoening;
meer subsidiair: te bepalen dat, alvorens de netto verkoopopbrengst van de gezamenlijke
woninggelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld, eerst aan de man een bedrag toekomt
ad.€ 14.333,40, dan wel aan de man een nog nader te bepalen bedrag toekomt, vanwege
het feit dat de man met privégelden in de gezamenlijke woning heeftgeïnvesteerd;
nog meer subsidiair: voor het geval de vrouw bij helfte bijdraagt in de aflossingen,
tebepalen dat de vrouw uit de netto-opbrengst van de verkoop van de
gezamenlijkewoning, de man een bedrag ad. € 14.333,40 moet vergoeden dan wel de
man eennader te bepalen bedrag moet vergoeden, vanwege het feit dat de man met privé

gelden in de gezamenlijke woning heeft geïnvesteerd, c.q. met privé gelden op de gezamenlijke hypotheek ten aanzien van de gezamenlijke woning heeft afgelost, een en ander door de vrouw te voldoen binnen 14 dagen na afgifte van de in deze te wijzen beschikking, waarna de vrouw in gebreke is en aanspraak wordt gemaakt op de wettelijke rente vanaf de dag dat de vrouw in gebreke is tot de dag der algehele voldoening.

4.4.

De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de man af te wijzen of de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

5De motivering van de beslissing

5.1.

In dit hoger beroep gaat het over de verdeling van de aandelen van [naam1] B.V., over de waarde van de Volvo V70 en over de vraag of de man een vergoedingsrecht heeft voor de door hem betaalde aflossingen op de hypotheekschuld en of daarop in dat geval de beleggingsleer van toepassing is. Hierna zal het hof de geschilpunten per onderwerp bespreken.

De aandelen van [naam1] B.V.

5.2.

De man erkent dat op de zitting van 2 juni 2025 bij de rechtbank afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de aandelen van [naam1] B.V. (hierna: de bv) en dat deze afspraken zijn vastgelegd in de bestreden beschikking. De man stelt dat hij ondanks deze overeenstemming ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat hij voldoende belang heeft bij dit beroep. De man voert aan dat de waarde van de aandelen volgens de DCF-methode veel lager is dan waar partijen bij het maken van de afspraken van zijn uitgegaan. Partijen zijn uitgegaan van een waarde van € 1.050.000,-. De man stelt nu dat de waarde volgens zijn boekhouder € 267.693,- bedraagt. Hij heeft zich bovendien onvoldoende gerealiseerd wat de gevolgen zijn van de op de zitting gemaakte afspraken en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Dat werd hem pas duidelijk toen zijn accountant hem wees op de fiscale consequenties van de lening die hij is aangegaan bij de bv om de vrouw te betalen, op het feit dat de man nog meer van de bv zal moeten lenen om het restant te kunnen betalen en dat hij daarnaast nog partneralimentatie moet voldoen. De leningen zijn van invloed op de liquiditeit en solvabiliteit van de bv. Daarom wil de man een andere verdeling van de aandelen in de bv in die zin dat de aandelen die al op naam van de vrouw stonden, aan haar worden toegedeeld. In dat geval hoeft de waarde niet verrekend te worden. De vrouw moet dan het door haar ontvangen bedrag van € 150.000,- op grond van onverschuldigde betaling aan hem terugbetalen.

5.3.

De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelt zich op het standpunt dat de aandelen met de ter zitting gemaakte partijafspraak al zijn verdeeld. Er is over deze verdeling van de aandelen overeenstemming bereikt en de man heeft geen belang in onderhavige procedure. De man dient naar de mening van de vrouw daarom op dit punt van zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Volgens haar waren de op 2 juni 2025 op de zitting gemaakte afspraken al in april 2025 besproken en kwam het voorstel om bij de verdeling van de aandelen uit te gaan van een waarde van € 1.050.000,-, van de man die zich steeds heeft laten bijstaan door zijn accountant. De vrouw vindt dat de aandelen voor een reële waarde aan de man zijn toegedeeld. Er is ook al uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken. De man heeft de eerste € 150.000,- betaald en de vrouw heeft zich teruggetrokken uit de onderneming, onder meer door ontslag als werknemer van de bv te nemen. Er is volgens de vrouw geen reden om te twijfelen aan de liquiditeit en continuïteit van de bv. De man blijft immers doorgaan met het overnemen van aandelen in andere bedrijven. Verder zijn de loonkosten van de vrouw vervallen. De man kan de lening van € 150.000,- die hij heeft afgesloten bij de bv om de eerste termijn aan de vrouw te betalen bovendien aflossen van zijn aandeel in de verkoopopbrengst van de woning.

5.4.

Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van wat de man naar voren heeft gebracht, dient het hof gelet op het verweer van de vrouw te beoordelen of de man al dan niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep op dit punt. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is op grond van het volgende.

5.5.

Vast staat dat partijen op de zitting van 2 juni 2025 overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de aandelen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank daarover onder 3.10. het volgende opgenomen.

“Partijen hebben ter zitting na een schorsing overeenstemming bereikt over de aandelen. Zij zijn overeengekomen als volgt:

de aandelen worden overgedragen aan de man voor een bedrag van € 525.000,- netto, onder de volgende voorwaarden;

o de AB-heffing naar de man wordt geruisloos doorgeschoven;

o tegen betaling van een bedrag van € 150.000,- netto ineens, uiterlijk te voldoen binnen een week na de datum van de mondelinge behandeling van 2 juni 2025;

o het restantbedrag wordt omgezet in een geldlening waarop in 60 maandelijkse termijnen van € 6.250,- met ingang van 1 januari 2026 wordt afgelost;

o over het verschuldigde restantbedrag is de man een maandelijks te betalen rente verschuldigd ter hoogte van het tarief dat de fiscus hanteert voor vorderingen in box 3;

o de hoofdsom is terstond in zijn geheel, zonder enige voorafgaande ingebrekestelling of waarschuwing, opeisbaar;

■ bij faillissement of surseance van betaling van de man of aanvraag daartoe;

■ in geval van ondercuratelestelling van de man en in geval van onderbewindstelling van het vermogen van de man;

■ bij overlijden van de man;

■ bij overdracht van de aandelen;

■ wanneer een aflossing niet (tijdig) is voldaan:

o op de hoofdsom kan door de man tussentijds boetevrij worden afgelost;

o de vrouw treedt geheel uit het bedrijf terug en ontvangt dan geen salaris meer;

o de man zal een eventuele schuld in rekening-courant voor zijn rekening nemen en geheel als eigen schuld voldoen;

o aan de vrouw wordt decharge verleend.”

5.6.

De rechtbank heeft vervolgens in de motivering van de beschikking opgenomen: “3.16. Zoals hiervoor is overwogen, zijn partijen het eens over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing opnemen in

het dictum, omdat er in dat geval geen taak is weggelegd voor de rechter”.

5.7.

In het dictum van de bestreden beschikking heeft de rechtbank opgenomen:

4.1.7.

verstaat dat partijen over de verdeling van de aandelen overeenstemming hebben bereikt zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.10;

De man heeft geen grieven gericht tegen de overwegingen van de rechtbank onder 3.10 en 3.16 van de bestreden beschikking noch tegen onderdeel 4.1.7 van het dictum.

5.8.

Het hof stelt vast dat de verdeling van de aandelen in de bv tot stand is gebracht door de op 2 juni 2025 tijdens de mondelinge behandeling tussen partijen bereikte overeenstemming, en niet door een beslissing van de rechtbank. Er is naar het oordeel van het hof sprake van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen in de zin van artikel 7:900 BW waarbij de waarde en de verdeling van de aandelen is vastgesteld. Er is geen sprake van een voor hoger beroep vatbare beschikking van de rechtbank. Hoger beroep kan immers alleen worden ingesteld tegen een beslissing van een rechter in een beschikking 1 en niet tegen een in die beschikking opgenomen vaststellingsovereenkomst.

5.9.

Omdat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep voor wat betreft de verdeling van de aandelen, komt het hof niet toe aan het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw het reeds ontvangen bedrag van € 150.000 aan hem moet terugbetalen. Omdat de overeenkomst in stand blijft. is daar ook geen grond voor.

De waarde van de Volvo V70

5.10.

Het hof stelt voorop dat de rechtbank in de bestreden beschikking de waarde van de Volvo V70 op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen heeft vastgesteld op € 9.450,-. In zoverre is dus, anders dan bij de verdeling van de aandelen van de bv en anders dan de vrouw stelt, geen sprake van een overeenkomst tussen partijen, maar van een beslissing van de rechter waartegen hoger beroep openstaat.

5.11.

Partijen zijn het eens over de toedeling van de Volvo V70 aan de man. Partijen zijn het ook eens dat voor de waarde moet worden uitgegaan van het moment van de feitelijke verdeling direct na het uiteengaan van partijen op 24 januari 2024. Partijen zijn het niet eens over wat die waarde op dat moment was. De vrouw stelt die waarde aan de hand van de ANWB-koerslijst die zij heeft opgesteld op € 9.450,-. Volgens de man is bij het bepalen van die waarde echter uitgegaan van een onjuiste kilometerstand van 150.000. Uit een werkplaatsfactuur van 1 februari 2024 die hij in het geding heeft gebracht blijkt dat de kilometerstand van de Volvo V70 op dat moment 356.716 km was. Volgens de ANWB-koerslijst van de man zou de Volvo dan € 5.100,- waard zijn bij verkoop tussen particulieren.

5.12.

Het hof volgt het standpunt van de man. De vrouw betwist niet dat de kilometerstand op of rond het moment waarop partijen uit elkaar zijn gegaan 356.716 bedroeg. Het spreekt voor zich dat een auto een lagere waarde heeft naarmate er meer in gereden is. Dat betekent dat het hof zal uitgaan van de door de man gestelde waarde van € 5.100,- omdat deze waarde volgt uit de door de man overgelegde en door de vrouw niet betwiste ANWB-koerslijst. Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt vernietigen en de waarde van de Volvo V70 vaststellen op € 5.100,- en bepalen dat de man de vrouw € 2.550,- moet vergoeden in verband met de toedeling van de Volvo V70 aan hem.

Het vergoedingsrecht in verband met de aflossing van de hypotheek

5.13.

Het hof is van oordeel dat de vrouw € 14.333,40 moet vergoeden aan de man in verband met de aflossing van de aan de financiering van de woning gekoppelde hypotheek, dit op grond van het volgende.

5.14.

De algehele gemeenschap van goederen van partijen is ontbonden op 24 januari 2024. Partijen hebben op 25 januari 2024 de saldi van de gezamenlijke rekeningen verdeeld. De vrouw heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de gemeenschappelijke rekening waarvan de hypothecaire verplichtingen werden voldaan, vanaf dat moment nog uitsluitend werd gevoed met het salaris van de man. Dat betekent dat de man vanaf de ontbinding van de gemeenschap tot de levering van de woning op 6 januari 2026 de rente en aflossing van de hypotheek feitelijk uit zijn privé-vermogen heeft voldaan. De vrouw heeft niet betwist dat de aflossing € 1.194,45 per maand bedroeg en dat het om een periode van 24 maanden gaat. In totaal heeft de man uit privé-vermogen dan € 28.666,80 betaald aan de aflossing van de hypotheek.

5.15.

De man baseert zijn vergoedingsrecht op artikel 1:96 BW jo. 1:87 lid 2 sub a BW. Hij meent daarom dat de beleggingsleer van toepassing is en hij berekent zijn vordering op € 40.333,52. De man miskent daarmee naar het oordeel van het hof dat de gemeenschap van goederen al ontbonden was op het moment dat hij de aflossingen uit zijn privé-vermogen is gaan voldoen. Dat betekent dat de voornoemde bepalingen van boek 1 BW daarop niet van toepassing zijn, maar dat de vordering gebaseerd moet worden op de bepalingen van titel 7 van boek 3 BW dat van toepassing is op de ontbonden huwelijksgemeenschap 2. De man heeft op grond van artikel 3:172 BW jo. artikel 6:10 BW een regresvordering op de gemeenschap voor het gehele bedrag of op de vrouw als deelgenoot voor het bedrag dat haar aangaat, dus de helft. Het hof vult in zoverre de rechtsgronden aan.

5.16.

Partijen hebben op de zitting verklaard dat zij de verkoopopbrengst van de woning inmiddels hebben verdeeld. Het hof zal daarom bepalen dat de vrouw de helft van de door de man betaalde aflossing op de hypotheek aan de man moet betalen. Dit vergoedingsrecht op grond van artikel 3:172 BW is nominaal. De man heeft onvoldoende onderbouwd waarom van deze hoofdregel moet worden afgeweken en in dit specifieke geval de beleggingsleer moet worden toegepast, nog daargelaten of dat zou resulteren in het door de man genoemde bedrag van € 40.333,52.

5.17.

Het hof verwerpt het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid. Dat een terugbetalingsverplichting in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid omdat de vrouw de woning noodgedwongen heeft verlaten en huur heeft moeten betalen is daarvoor onvoldoende. De vrouw had immers een gebruiksvergoeding kunnen vragen. Dat heeft zij niet gedaan. De man heeft de gezamenlijke verplichtingen uit de hypothecaire geldlening voldaan. De door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om op grond van redelijkheid en billijkheid de man zijn recht op vergoeding van het door hem betaalde aandeel van de vrouw te ontzeggen. Dat betekent dat zij een bedrag van € 14.333,40 aan de man moet voldoen als vergoeding voor de aflossing van de hypotheek door de man.

Proceskosten

5.18.

Het hof zal bepalen dat ieder van partijen de eigen proceskosten betaalt omdat het een procedure betreft tussen ex-echtgenoten die betrekking heeft op het gemeenschappelijk vermogen van partijen.

6De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

6.1.

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de verdeling van de aandelen van [naam1] B.V.;

6.2.

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 17 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met betrekking tot de waarde van de Volvo V70 en de vergoeding voor de aflossing van de hypotheek, en in zoverre opnieuw beschikkende:

6.3.

bepaalt dat de Volvo V70 tegen een waarde van € 5.100,- aan de man wordt toegedeeld en dat hij de vrouw in verband met overbedeling € 2.550,- moet voldoen;

6.4.

bepaalt dat de vrouw € 14.333,40 aan de man moet voldoen als vergoeding voor de aflossing van de hypotheek op de voormalige echtelijke woning, door de vrouw te voldoen binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking, waarna de vrouw in gebreke is en de man aanspraak heeft op de wettelijke rente vanaf de dag dat de vrouw in gebreke is tot de dag der algehele voldoening;

6.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

6.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E. Leentjes, L. van Dijk en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

2

Artikel 3:189 BW



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733