Rechtbank Den Haag 07-04-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8337

Essentie (gemaakt door AI)

Schenkbelasting: toepassing BOR op schenking van aandelen. Door inkoop van aandelen door de vennootschap bij derden-aandeelhouders breidt de subjectieve gerechtigdheid van de dga tot de objectieve onderneming uit met 20% (van 80% naar 100%). Voor deze uitbreiding loopt een nieuwe bezitstermijn voor art. 35d Sw, zodat voor dat deel niet aan de indirecte bezitseis van vijf jaar is voldaan. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt bij gebrek aan concrete toezeggingen. BOR slechts tot 80% toepasbaar. Beroep ongegrond.

Datum publicatie21-04-2026
ZaaknummerSGR 25/5345
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenBestuursrecht; Belastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht; BOR/BOF
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Schenkbelasting: toepassing BOR op schenking van aandelen. Door de inkoop van aandelen door de vennootschap (bij derden-aandeelhouders) is bij de dga sprake van een uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid tot de objectieve onderneming met 20% (van 80% naar 100%). Ten aanzien van die uitbreiding is een nieuwe bezitstermijn voor artikel 35d van de Successiewet gaan lopen, zodat voor dat deel niet is voldaan aan de indirecte bezitseis van vijf jaar. In zoverre bestaat geen recht op toepassing van de BOR. (Beroep ongegrond.)

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 25/5345

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: drs. B. Jonker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag schenkbelasting 2023 opgelegd naar een belaste schenking van € 761.068 (de aanslag).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2025 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026.

Eiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 2] , mr. [naam 3] en mr. [naam 4] .

Overwegingen

Feiten

1. De heer [naam 5] hield tot en met 8 december 2023 alle aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. Deze vennootschap hield tot 14 december 2020 80% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V..

2. [bedrijfsnaam 3] B.V. hield het resterende 20%-aandelenbelang in [bedrijfsnaam 2] B.V. De aandeelhouders van [bedrijfsnaam 3] B.V. zijn de heren [naam 6] en [naam 7] .

3. Op 15 december 2020 heeft [bedrijfsnaam 2] B.V. het restende 20%-

aandelenbelang in van [bedrijfsnaam 3] B.V. in [bedrijfsnaam 2] B.V gekocht. Het aandelenbelang van [bedrijfsnaam 1] B.V. in [bedrijfsnaam 2] B.V. wijzigde hiermee van 80% naar 100%.

4. [bedrijfsnaam 2] BV houdt diverse werkmaatschappijen waarin de onderneming (de onderneming) gedreven wordt.

5. Er heeft een bedrijfsopvolgingstraject plaatsgevonden, waarbij het ondernemingsvermogen aan eiser is geschonken. De deelnemingen van [bedrijfsnaam 2] B.V. zijn door verhanging ondergebracht bij [naam 5] B.V. Vervolgens heeft een juridische afsplitsing plaatsgevonden, waarbij de deelnemingen toekomen aan de nieuw opgerichte vennootschap [bedrijfsnaam 4] B.V.

6. De schenking heeft op 8 september 2023 plaatsgevonden, middels schenking van alle aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. door [naam 5] aan [eiser] .

7. Er hebben in de 5 jaar voorafgaande aan de schenking geen andere wijzigingen in de structuur plaatsgevonden dan de onder 3. genoemde inkoop van aandelen van 15 december 2020.

8. Naar aanleiding van een begin juni 2023 namens de schenker en/of de verkrijger ingediend verzoek tot vooroverleg, waarin overleg wordt gevraagd ten aanzien van de waarde van de te schenken vermogensbestanddelen en de toepassing van de zogenoemde bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) als bedoeld in artikel 35b van de Successiewet 1956 (Sw) , heeft in de loop van 2023 overleg plaatsgevonden over de schenking en de toepassing van de BOR daarop.

9. In de op 29 februari 2024 door verweerder ontvangen, namens eiser gedane aangifte schenkbelasting is voor de gehele schenking een beroep gedaan op de BOR.

10. Bij het opleggen van de aanslag schenkbelasting 2023 heeft verweerder toepassing van de BOR geweigerd voor zover het betreft de toename van de subjectieve gerechtigdheid tot de objectieve onderneming van 80% naar 100%. Verweerder heeft de aanslag schenkbelasting 2021 aldus als volgt vastgesteld:

Verkrijging: € 3.045.000

Af: BOR vrijstelling: € 2.226.878 -/-

Af: Jaarlijkse vrijstelling: € 6.035 -/-

Af: Latentie: € 51.019 -/-

€ 761.068

10% over € 138.642: € 13.864

20% over € 761.068 -/- € 138.642 € 124.485

Verschuldigd bedrag schenkbelasting: € 138.349

Geschil

11. In geschil is of verweerder bij het opleggen van de aanslag schenkbelasting terecht de BOR niet heeft toegekend voor het toegenomen aandelenbelang van 20 procent (namelijk van 80% naar 100%) in [bedrijfsnaam 2] B.V. Meer specifiek is daarbij in geschil of verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat er door de toename van het aandelenbelang met 20% naar 100% door de inkoop van de aandelen door [bedrijfsnaam 2] B.V., sprake is van een uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid tot de objectieve onderneming en of, zo dit laatste het geval is, die uitbreiding van de subjectieve gerechtigheid tot de objectieve onderneming leidt tot een nieuwe bezitstermijn voor artikel 35d van de Sw.

De omvang en waarde van de schenking zijn daarbij niet in geschil, evenals het feit dat in ieder geval wel aan de overige voorwaarden voor toepassing van de BOR is voldaan, dat er sprake is van één objectieve onderneming en dat de schenking niet - ook niet gedeeltelijk - is herroepen.

12. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een subjectieve uitbreiding. Subsidiair stelt eiser zich, onder verwijzing naar de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 30 juni 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4543, op het standpunt dat geen sprake van een nieuwe bezitstermijn, zodat voor het gehele belang is voldaan aan de bezitstermijn van 5 jaar. Eiser doet tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Eiser concludeert tot vermindering van de aanslag met € 94.776 naar € 43.574.

13. Verweerder is de tegengestelde mening toegedaan en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en heeft verwezen naar de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5900 in dezelfde zaak als waar eiser naar heeft verwezen.

Beoordeling van het geschil

Juridisch kader

14. Artikel 35b, vijfde lid, van de Sw bepaalt het volgende:

“5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d, mits de verkrijger gedurende drie jaren voldoet aan het voortzettingvereiste, bedoeld in artikel 35e, en, indien sprake is van schenking, op het tijdstip van de verkrijging 21 jaar of ouder is.”

15. Artikel 35c, eerste lid, onder c, van de Sw bepaalt het volgende:

“1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder de verkrijging van ondernemingsvermogen verstaan de verkrijging van:

a.(...);

b.(...);

c. vermogensbestanddelen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van artikel 4.10, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft als bedoeld in onderdeel a, of een medegerechtigdheid houdt als bedoeld in onderdeel b, en waarbij slechts als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van deze vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is aan bedoelde onderneming of medegerechtigdheid;”.

16 Art.35d, eerste lid, onder c, van de Sw bepaalt het volgende:

“1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder een erflater of schenker verstaan een erflater die gedurende één jaar tot het overlijden, onderscheidenlijk een schenker die gedurende vijf jaren tot de schenking:

a. (...);

b. (...);

c. aanmerkelijkbelanghouder was van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, en het lichaam waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft gedurende de in de aanhef bedoelde periode van één jaar, onderscheidenlijk vijf jaren, de daar bedoelde onderneming [onderstreping rechtbank] dreef of de daar bedoelde medegerechtigdheid bezat;”.

Overwegingen

17. Artikel 35c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Sw bepaalt dat voor de toepassing van de BOR onder de verkrijging van ondernemingsvermogen wordt verstaan de verkrijging van vermogensbestanddelen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang, mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft als bedoeld in onderdeel a, en waarbij slechts als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van deze vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is aan bedoelde onderneming (cursivering Rb).

18. Op grond van het bepaalde in artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Sw wordt voor de toepassing van de BOR onder een schenker verstaan een schenker die gedurende één jaar tot het overlijden aanmerkelijkbelanghouder was van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, en het lichaam waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft gedurende de in de aanhef bedoelde periode van vijf jaar, de daar bedoelde onderneming dreef (cursivering Rb).

19. Uit artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Sw volgt dat bij de verkrijging van aanmerkelijkbelangaandelen krachtens schenking op grond van artikel 35d van de Sw aldus sprake is van een dubbele bezitseis, namelijk: 1) de schenker moet de aandelen vijf jaar in bezit hebben (directe bezitstermijn) en 2) het lichaam waarvan de aandelen worden geschonken moet de toegerekende onderneming vijf jaar drijven (indirecte bezitstermijn) 1.

20. Het geschil spitst zich toe op de indirecte bezitseis, dat wil zeggen: op de vraag in hoeverre het lichaam waarvan de aandelen worden geschonken gedurende de periode van vijf jaar voorafgaand aan de schenking de onderneming dreef. Deze eis moet worden beoordeeld op het tijdstip van de verkrijging en geldt per objectieve onderneming 2.

21. Tussen partijen is niet in geschil dat vóór de inkoop van 20% van de aandelen door [bedrijfsnaam 2] BV, de schenker ( [naam 5] ) een belang van indirect 80% in de objectieve onderneming in [bedrijfsnaam 2] B.V had. Het overige 20%-belang was indirect in handen van derden. Na de inkoop van de aandelen bedraagt het (indirecte) belang van de schenker in die objectieve onderneming 100%. Vervolgens is dit 100% (indirecte) belang in de objectieve onderneming middels de schenking van het aandelenpakket van [naam 5] geschonken aan eiser.

22. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in een geval als dit slechts voor 80% is voldaan aan de hiervoor bedoelde indirecte bezitseis van artikel 35d van de Sw. Slechts voor dat percentage heeft [bedrijfsnaam 1] BV dan wel (namelijk op grond van artikel 9, lid 5 Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting) [bedrijfsnaam 4] BV, de bedoelde onderneming voor de vereiste vijf jaar gedreven. Het gedeelte van 20 procent kan nog geen vijf jaar aan dit lichaam worden toegerekend zodat in zoverre niet aan de indirecte bezitseis is voldaan. Er is, anders dus dan eiser bepleit, wel degelijk sprake van een uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid van [naam 5] tot de objectieve onderneming.

23. Hierbij overweegt de rechtbank dat in dit verband voor (de toepassing van) artikel 35d van de Sw van belang is dat de gerechtigdheid tot de toekomstige winsten en verliezen van een/de onderneming gedurende een periode van vijf jaar voor de schenking kunnen worden toegerekend aan de te schenken vennootschap en hiermee indirect aan de schenker. Slechts voorzover daarvan sprake, is voldaan aan de indirecte bezitseis. Dat volgt direct uit de zinsnede ‘de daar bedoelde onderneming’ zoals opgenomen in artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Sw.

24. Dat het aandelenbelang (meer specifiek: het aandelenpakket/de hoeveelheid aandelen) van de schenker ( [naam 5] ) als zodanig niet is toegenomen maar hetzelfde is gebleven, maakt het vorenstaande niet anders. Anders dan eiser meent en bepleit, is in dit verband niet leidend de omvang van het (ongewijzigde) aandelenpakket van [naam 5] maar gaat het juist, zoals verweerder ook stelt, om de omvang van het relatieve belang in de objectieve onderneming. Dat belang is feitelijk uitgebreid van 80% naar 100%. Dat het (ondernemings)vermogen is afgenomen door de inkoop van de aandelen en daarmee wellicht ook – zoals eiser stelt – de winstpotentie van de onderneming, is hierbij, anders dan eiser meent, niet van belang.

25. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat slechts sprake kan zijn van een uitbreiding in de hiervoor bedoelde zin, bij een actieve handeling van [naam 5] (de schenker). Daarvoor vindt de rechtbank geen ondersteuning in de wet- en regelgeving of de geldende jurisprudentie. Uit onderhavige zaak volgt juist dat ook sprake kan zijn van een uitbreiding van het belang in de onderneming indien géén sprake is van een actieve handeling van de schenker. Het gaat immers puur om de feitelijke constatering of sprake is van een uitbreiding van het belang, wat in casu het geval is. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat ‘het in lijn is met de bedoeling van de bezitseis dat alleen bij actieve handelingen wanneer de onderneming wordt uitgebreid niet wordt voldaan aan de bezitseis’. Die lezing berust eveneens op een onjuiste uitleg van de wet- en regelgeving omtrent de BOR.

26. Er is dus sprake van een uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid tot de objectieve onderneming. Anders dan eiser voor dat geval bepleit, is ten aanzien van die uitbreiding ook een nieuwe bezitstermijn voor artikel 35d van de Sw gaan lopen. De rechtbank vindt daarvoor ook ondersteuning in de uitspraak van rechtbank Den Haag van 5 december 2024 3, welke uitspraak door Gerechtshof Den Haag bij uitspraak van 29 januari 2026 4 is bevestigd en waarin – voor zover hier van belang – onder r.o. 12 door de rechtbank is overwogen:

“12. Eiseres legt de geciteerde bepalingen zo uit, dat degene die gedurende vijf jaar een aanmerkelijk belang houdt als ‘schenker’ in de zin van artikel 35d, eerste lid van de Sw kwalificeert en dat die kwalificatie volstaat voor toepassing van de BOR op alle aandelen in de desbetreffende vennootschap, dus ook die waarmee het aandeelhouderschap binnen de termijn van vijf jaar is uitgebreid. De rechtbank volgt eiseres daarin niet.

Doordat in artikel 35d, eerste lid, onderdeel c, van de Sw wordt verwezen naar artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de Sw, geldt als vereiste dat de aandelen die worden geschonken gedurende vijf jaar in het bezit van de schenker waren. Anders gezegd, onder “de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c” worden geen andere vermogensbestanddelen verstaan dan die, welke “bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang”. Uit de tekst van de bepalingen volgt daarmee dat indien en voor zover een aandelenbelang wordt uitgebreid, daarvoor een nieuwe, op zichzelf staande bezitstermijn aanvangt. [onderstreping rechtbank]

Ook de systematiek duidt daar op. Voor het geval van schenking van ondernemingsvermogen (artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de Sw) heeft de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:647, geoordeeld dat de BOR niet van toepassing is op het gedeelte waarmee het relatieve aandeel in de onderneming gedurende vijf jaar voor de schenking wordt uitgebreid. Aangezien de wetgever nadrukkelijk heeft bedoeld de overgang van aandelen zoveel mogelijk gelijk te behandelen als de rechtstreekse overgang van ondernemingsvermogen [voetnoot: Zie o.a. TK 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 4.], moet hetzelfde gelden voor de uitbreiding van het relatieve aandeel in een vennootschap.

De verwijzing van eiseres naar het arrest van 29 mei 2020 gaat niet op. Dat arrest gaat over de uitbreiding van de objectieve onderneming binnen de termijn van vijf jaar en behandelt een andere vraag dan die van vergroting van de subjectieve gerechtigdheid tot de onderneming.

Daarmee volgt zowel uit de tekst als de systematiek van de bepalingen dat het bezitsvereiste van vijf jaar geldt voor ieder vermogensbestanddeel afzonderlijk, zodat ten aanzien van 51% van de aandelen niet aan de voorwaarden van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de Sw is voldaan.”

Dit heeft ook te geleden voor een geval als het onderhavige, waarbij immers ook sprake is van een uitbreiding van het relatieve aandeel in een vennootschap. Verweerder heeft ook terecht verwezen naar de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2025 5 waarin dat Hof – voor zover hier van belang – het volgende heeft overwogen:

“4.11 Anders dan belanghebbende betoogt, valt uit het arrest HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.5., in dit verband slechts af te leiden dat de indirecte bezitseis niet ziet op een uitbreidingsinvestering in de vorm van overgenomen activa en passiva die opgaan in de bestaande objectieve onderneming. Het bedoelde arrest gaat, naar het oordeel van het Hof, over de invulling van het begrip ondernemingsvermogen indien dat vermogen in de loop van één jaar voor het overlijden is vergroot, maar niet over een vergroting van de gerechtigdheid tot dat ondernemingsvermogen.

4.12

In het arrest HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, ging het om de aankoop van nieuwe indirecte belangen door een houdstermaatschappij gedurende de indirecte bezitstermijn, waarbij die aangekochte deelnemingen elk een zelfstandige onderneming dreven, die met toepassing van artikel 35c, lid 5, aanhef en onderdeel a, van de SW aan de houdstermaatschappij worden toegerekend. Ten aanzien van elk van die zelfstandige ondernemingen moet worden voldaan aan de indirecte bezitseis.

4.13

In het onderhavige geval gaat het om de uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid tot [ZT] en [ZR] met de hiervoor – onder 4.10 – weergegeven percentages. Uit het arrest HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:647, leidt het Hof af dat, als erflaatster binnen de bezitstermijn een niet met haar indirecte aandelenbelang overeenstemmend gedeelte van die onderneming heeft verkregen, in zoverre niet aan de indirecte bezitseis is voldaan. De BOR is daarom, naar het oordeel van het Hof, niet van toepassing op de waarde van de vermogensbestanddelen in de onderneming voor zover de gerechtigdheid daartoe is uitgebreid in de bezitsperiode van één jaar voorafgaand aan het overlijden. [onderstreping rechtbank]

4.14

Dat de uitbreidingen van de belangen van [K], en daarmee van de holding, in [ZT] en [ZR] zijn gefinancierd met eigen middelen die - voordat deze werden uitgegeven - kwalificeerden als ondernemingsvermogen van [K] , doet aan het vorenoverwogene niet af.”

27. Nu er een nieuwe bezitstermijn is gaan lopen voor 20% van het belang in [bedrijfsnaam 2] B.V, is in zoverre niet voldaan aan de indirecte bezitseis en bestaat ook in zoverre geen recht op toepassing van de BOR. Verweerder heeft de BOR aldus juist berekend en toegepast.

Vertrouwensbeginsel

28. Eiser doet tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel. De bewijslast dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel rust op eiser. Dat betekent dat het aan eiser is om feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting door verweerder aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel, in dit geval erop neerkomend dat bij eiser het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de BOR op de hele schenking (100%) van toepassing zou zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser in dit verband in feite volstaat met het in zijn beroepschrift benoemen van een aantal feiten en omstandigheden omtrent de gang van zaken bij het vooroverleg met de Belastingdienst met in wezen de strekking dat, naar eiser met klem stelt, er van de zijde van de Belastingdienst bij het vooroverleg over de (fiscale gevolgen van de) schenking een specialist schenkbelasting is ingeschakeld. Wat daar ook van zij, eiser heeft niet nader onderbouwd of geconcretiseerd waarom en in hoeverre de door hem geschetste feiten en omstandigheden bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen hebben gewekt dat de BOR tot een hoger percentage zou worden toegepast dan verweerder heeft gedaan. Ook ter zitting heeft eiser hieraan geen nadere invulling of uitleg gegeven. In zoverre voldoet eiser niet aan zijn stelplicht, zodat reeds daarom het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Daarbij overweegt de rechtbank tevens dat ook uit niets blijkt dat er tijdens het vooroverleg iets is gedaan/verklaard dan wel nagelaten door een medewerker van de Belastingdienst waaraan eiser het vertrouwen heeft kunnen/mogen ontlenen dat de BOR op de volledige 100% van de aandelen van toepassing zou zijn.

29 Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. J.J. Arts en

mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

1

Vgl. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:990.

2

Vgl. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.3. en 2.4.4. en HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:647, r.o. 3.3. en ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5900.

4

ECLI:NL:GHDHA:2026:114.

5

ECLI:NL:GHARL:2025:5900.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733