Essentie (gemaakt door AI)
Kinderalimentatie en partneralimentatie in hoger beroep. Behoefte kinderen vastgesteld op hoogste tabel; rekening houden met maandelijkse rekening‑courantopnamen uit Belgische BvBA als onderdeel van de huwelijkswelstand. Niet aan de rechter om uit overgelegde draagkrachtberekeningen grieven of stellingen af te leiden; hof gaat uit van minimale draagkracht vrouw. Draagkracht man bepaald inclusief winst BvBA (verdiencapaciteit). Geen omstandigheden om niet van hofnorm uit te gaan. Partneralimentatie toegewezen € 887 bruto p/m vanaf 1-1-2025.| Datum publicatie | 30-04-2026 |
| Zaaknummer | 200.348.603_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Partneralimentatie Kinderalimentatie Niet aan de rechter om uit een draagkrachtberekeningen standpunten, stellingen en/of grieven van partijen af te leiden. Geen relevante omstandigheden die maken dat niet van hofnorm kan worden uitgegaan. Rekening houden met rekeningcourantopnamen bij vaststelling behoefte. Verdiencapaciteit.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.348.603/01
zaaknummer rechtbank : C/02/414941 FA RK 23-4837
beschikking van de meervoudige kamer van 4 september 2025
inzake
wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.T.P. Tielemans te Eindhoven,
tegen
wonende te [woonplaats],
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A. Elias te Oisterwijk.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 29 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
De man is op 27 november 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 29 augustus 2024.
De vrouw heeft op 26 mei 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 16 juni 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 juni 2025 met bijlagen;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 25 juni 2025 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 1 juli 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij de bestreden beschikking is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 december 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen hebben beiden de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2016 (hierna: [minderjarige 1]),
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2018 (hierna: [minderjarige 2]) (hierna ook: de kinderen).
Bij de echtscheidingsbeschikking is het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw bepaald en is een regeling inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken vastgesteld.
Verder is het verzoek van de vrouw tot het gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen afgewezen.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 557,- per kind per maand met ingang van 1 augustus 2024, althans vanaf de datum dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten en is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen.
De man verzoekt in principaal hoger beroep, na wijziging van verzoek bij brief van 20 juni 2025, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kinderbijdrage betreft en, opnieuw rechtdoende, deze vast te stellen op € 25,- per kind per maand.
Kosten rechtens.
De grieven van de man zien op de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man.
De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te vernietigen voor zover haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man een bijdrage in haar levensonderhoud dient te voldoen van € 887,- bruto per maand met ingang van 1 augustus 2024, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht.
De grief van de vrouw in incidenteel hoger beroep ziet op de partneralimentatie.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
5De motivering van de beslissing
Kinderalimentatie (principaal hoger beroep)
Ingangsdatum
5.1.In hoger beroep staat tussen partijen vast dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie 1 augustus 2024 is.
Hoogte behoefte kinderen
De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vastgesteld op de hoogste tabelbehoefte (2023) ad € 1.460,- per maand. Rekening houdend met de jaarlijkse verhoging analoog aan de wettelijk indexering bedraagt die behoefte € 1.551,- per maand in 2024, ofwel € 775,50 per kind per maand.
Volgens de man heeft de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten onrechte rekening gehouden met inkomsten uit [BvBA], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BvBA) van de man in België.
Deze winst wordt namelijk volledig gereserveerd om inkomensverlies op te vangen in periodes dat de man geen opdrachten heeft. Verder zijn de afgelopen jaren behoorlijke investeringen nodig geweest, waaronder onderhoud van software in 2022 ad € 26.560,- en in 2023 ad € 56.575,-.
Het gezin leefde heel sober.
Om die reden stelt de man zich op het standpunt dat bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alleen rekening moet worden gehouden met de inkomsten uit [eenmanszaak], zijn eenmanszaak in Nederland.
De vrouw voert het volgende verweer.
De rechtbank heeft terecht inkomsten uit [BvBA] betrokken bij het vaststellen van de behoefte. De man heeft sinds 2021 een rekening courantschuld opgebouwd van € 85.347,-. Deze gelden zijn dus gebruikt binnen het gezin. De vrouw stelt dat er voor het bepalen van de behoefte rekening moet worden gehouden met een bedrag van gemiddeld € 2.432,- per maand dat via rekening-courantopnamen als inkomen uit [BvBA] is gehaald.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Partijen zijn het er over eens dat door de bepaling van de behoefte van de kinderen moet worden uitgegaan van het gezinsinkomen in het laatste volledige jaar voorafgaand aan de verbreking van de samenleving, te weten 2023.
Niet in geschil is dat de vrouw in dat jaar een inkomen had van € 13.193,- bruto op jaarbasis, hetgeen een NBI oplevert van € 1.099,- per maand.
Evenmin is in geschil dat voor het inkomen van de man uit zijn Nederlandse eenmanszaak [eenmanszaak] uitgegaan moet worden van de gemiddelde winst over de jaren 2021 t/m 2023, te weten een bedrag van € 44.646,33.
Voor wat betreft het wel of niet rekening houden met inkomen uit [BvBA], overweegt het hof als volgt.
Het door de vrouw gestelde bedrag aan rekening-courantopnamen van gemiddeld € 2.432,- per maand is op zichzelf niet door de man betwist. De man stelt echter dat dit geld niet aan het gezin is besteed, zodat het niet meegenomen dient te worden bij het bepalen van de behoefte. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij met dit geld familieleden in Marokko, waaronder zijn moeder, heeft onderhouden, schulden heeft betaald voor andere mensen en verder ‘externe activiteiten in de privésfeer’ heeft bekostigd. Ook heeft hij een bedrijfje proberen op te zetten in Marokko, maar dat is niet gelopen zoals hij had gehoopt.
Het hof is van oordeel dat hetgeen de man stelt over de besteding van de rekening-courantopnamen niet betekent dat deze niet mede bepalend zijn voor de welstand tijdens het huwelijk en daarmee de hoogte van de behoefte van de kinderen. Waaraan de rekening-courantopnamen precies zijn besteed acht het hof niet relevant. Het behoorde kennelijk tot de welstand van het gezin dat er familieleden in Marokko onderhouden konden worden, schulden van anderen werden betaald en dat er activiteiten in de privésfeer werden bekostigd. De vrouw heeft de door de man gestelde sobere levensstijl van het gezin bovendien betwist. De vrouw geeft aan dat de man maandelijks geld stortte op haar rekening en dat zij verder cash geld van hem kreeg. Als zij iets wilde kopen kreeg zij daar geld voor van de man. De vrouw had een auto en ging meerdere keren per jaar met de kinderen naar Marokko.
Het hof zal gelet op het voorgaande naast de inkomsten uit [eenmanszaak] van € 44.646,- bruto per jaar rekening houden met het door de vrouw genoemde bedrag van gemiddeld € 2.432,- per maand aan rekening-courantopnamen. Het hof zal dit bedrag als netto inkomen meenemen in de berekening, nu de man hierover in die tijd geen belasting heeft betaald.
Dit brengt het NBI van de man in 2023 op een bedrag van € 5.531,- per maand (bijlage I).
Het NBGI bedroeg daarmee in 2023 € 5.531,- + € 1.099,- = € 6.630,-. Daarmee komt de behoefte van de kinderen uit op de hoogste tabelbehoefte in 2023, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. De behoefte bedraagt in 2023 € 1.460,-, ofwel € 730,- per kind per maand. Met ingang van 1 januari 2024 bedraagt de behoefte ingevolge de jaarlijkse verhoging analoog aan de wettelijk indexering € 775,26 per kind per maand.
De grief van de man tegen de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] faalt dus.
Draagkracht van de vrouw
De man heeft in zijn beroepschrift tegen de door de rechtbank vastgestelde minimumdraagkracht van de vrouw van € 50,- geen grief gericht.
Bij zijn gewijzigd verzoek van 20 juni 2025 heeft de man echter een draagkrachtberekening overgelegd waarin hij uitgaat van een hogere draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie. In de begeleidende brief wordt echter geen toelichting gegeven op deze berekening, noch wordt over de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie een standpunt of stelling geformuleerd.
De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342). Het is dus niet aan de rechter om uit een draagkrachtberekeningen standpunten, stellingen en/of grieven van partijen af te leiden.
Het hof gaat daarom uit van de door de rechtbank vastgestelde minimale draagkracht voor kinderalimentatie van € 50,-.
Draagkracht van de man
De rechtbank is voor het bepalen van de draagkracht uitgegaan van hetzelfde inkomen als in het kader van de behoefte, dus rekening houdend met inkomsten uit [BvBA]
De man berekent zijn draagkracht op basis van alleen de gemiddelde winst van [eenmanszaak] van € 44.646,- op € 605,-. Inkomsten uit [BvBA] moeten volgens de man helemaal buiten beschouwing worden gelaten vanwege investeringen die moeten worden gedaan in verband met hardware die aan vervanging toe is, en reserveringen voor periodes dat hij geen opdrachten heeft.
Het hof oordeelt als volgt.
Bij het bepalen van de draagkracht van een alimentatieplichtige is niet alleen van belang het inkomen dat deze heeft, maar ook het inkomen dat hij redelijkerwijs kan verdienen, gelet op zijn zwaarwegende onderhoudsverplichting.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man sinds 2016 enig aandeelhouder is van [BvBA] en dat hij dus zelf kan bepalen wat er met de winst van [BvBA] gebeurt. Dit terwijl hij in zijn beroepschrift nog de indruk wekte dat zijn broer mede-aandeelhouder was. De man heeft weliswaar gesteld dat hij investeringen moet doen en moet reserveren voor periodes dat hij geen opdrachten heeft, maar dit heeft de man onvoldoende concreet gemaakt. Het hof zal, evenals de rechtbank, daarom rekenen met de volledige winst vóór belasting uit [BvBA], nu de man niet heeft gesteld welk gedeelte van de winst in de onderneming zou moeten blijven ten behoeve van investeringen en reserveringen.
[BvBA] betreft weliswaar een BvBA naar Belgisch recht, maar de man is in Nederland belastingplichtig en heeft niet gesteld of onderbouwd dat met deze winst op een andere wijze in de berekening zou moeten worden meegenomen dan de rechtbank heeft gedaan.
De man heeft de jaarstukken over de jaren 2021, 2022 en 2023 overgelegd, alsmede voorlopige cijfers over 2024. De voorlopige cijfers over 2024 laten een verlies zien.
De voorlopige cijfers over 2024 zijn door de vrouw gemotiveerd betwist. De enige definitieve en betrouwbare jaarstukken betreffen dus 2021 tot en met 2023 en de man heeft niet gesteld waarom deze resultaten niet meer representatief zouden zijn voor de (toekomst van de) onderneming. Het hof gaat daarom uit van de gemiddelde winst over deze jaren
(€ 64.852,- + € 61.217,- + € 38.575,- :3 =) € 54.881,-. Met de winst uit [eenmanszaak] van € 44.646,- komt dit op een totale winst uit onderneming van € 99.527,-.
Het hof houdt rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de arbeidskorting, de verschuldigde inkomstenbelasting en de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet.
Dit levert een NBI op van € 7.738,- en een draagkracht volgens de formule van € 2.903,-(bijlage II).
Onderhoudsverplichting voor [dochter] en [zoon]
De man heeft bij brief van 20 juni 2025 zijn verzoek gewijzigd.
Hij heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met betalingen ten behoeve van zijn dochter [dochter] uit een eerder huwelijk, alsmede dat hij op 7 maart opnieuw in het huwelijk is getreden en op [geboortedatum] 2025 opnieuw vader is geworden van een zoon, [zoon]. De nieuwe echtgenote van de man en [zoon] verblijven op dit moment nog in Marokko. De geboorte van [zoon] is eveneens van invloed op zijn draagkracht, zo stelt de man.
Op welke wijze de geboorte van [zoon] van invloed is op zijn draagkracht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft de man verder niet toegelicht, behalve door het overleggen van een draagkrachtberekening. Over de hoogte van de behoefte van [dochter] en [zoon] en de draagkracht van hun moeders heeft de man niets gesteld en geen stukken overgelegd, behoudens eerdergenoemde draagkrachtberekening en een kopie van een ouderschapsplan d.d. 8 mei 2015.
De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342). Het is dus niet aan de rechter om uit een draagkrachtberekening of andere producties standpunten, stellingen en/of grieven van partijen af te leiden.
Het is in dit geval aan de man om te stellen, en bij betwisting te onderbouwen, wat de behoefte is van zowel [dochter] als [zoon] en op welke wijze zijn onderhoudsverplichting voor hen van invloed is op de hoogte van zijn bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waarbij ook de draagkracht van de moeders van [dochter] en [zoon] moet worden betrokken. Dat de man dit heeft nagelaten dient voor zijn rekening en risico te blijven. Dit heeft tot gevolg dat het hof bij het vaststellen van de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], geen rekening zal houden met enige onderhoudsverplichting van de man voor [dochter] en [zoon].
Zorgkorting
Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat een zorgkorting van 25% van toepassing is. Dit komt neer op een bedrag van in totaal € 387,63 in 2024.
Conclusie kinderalimentatie
Gelet op de door het hof in rov 5.4.2. berekende draagkracht kan de man dus ruimschoots de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 557,- per kind per maand met ingang van 1 augustus 2024 voldoen.
Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2025 € 593,21 per kind per maand.
Partneralimentatie (incidenteel hoger beroep)
Ingangsdatum
De vrouw verzoekt het hof een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen met ingang van 1 augustus 2024. De man stelt zich op het standpunt dat de bijdrage niet eerder dient in te gaan dan op de datum van indiening van het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, te weten 26 mei 2025.
Het hof stelt voorop dat partneralimentatie niet eerder kan ingaan dan de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, in dit geval 6 december 2024.
De man heeft niet onderbouwd dat hij niet eerder dan de datum van het verzoek in incidenteel hoger beroep rekening heeft kunnen houden met het vaststellen van een partnerbijdrage. De vrouw had immers in eerste aanleg al om vaststelling van een dergelijke bijdrage verzocht.
Uit pragmatische overwegingen zal het hof de bijdrage laten ingaan op 1 januari 2025, de eerste dag van de maand volgens op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Behoefte van de vrouw
De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen als onvoldoende onderbouwd.
Huwelijksgerelateerde behoefte
De vrouw verwijst naar hetgeen zij ten aanzien van het gezinsinkomen tijdens het huwelijk heeft aangevoerd in het kader van de kinderalimentatie. Zij berekent haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de Hofnorm op een bedrag van € 3.148,- per maand in 2024.
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw haar behoefte niet voldoende heeft onderbouwd. Volgens de man leefden partijen heel sober en heeft hij dit met een lijstje van uitgaven onderbouwd. De rekening-courantopnamen die tijdens (de laatste jaren van) het huwelijk zijn gedaan, zijn niet binnen het gezin besteed en dus niet bepalend voor de welstand tijdens het huwelijk. Het is aan de vrouw om haar behoefte te onderbouwen met een behoeftelijst, aldus de man.
Het hof oordeelt als volgt.
Het hanteren van de Hofnorm als enige maatstaf voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte is onvoldoende indien daarmee voorbij wordt gegaan aan door partijen aangevoerde relevante omstandigheden (HR 19 december 2003, LJN AM2379, NJ 2004/140 en HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050).
Het hof is van oordeel dat hetgeen de man stelt over de sobere levensstijl van partijen en het feit dat de rekening-courantopnamen buiten het gezin werden besteed, geen relevante omstandigheden zijn die maken dat de Hofnorm niet gehanteerd kan worden. Nog los van het feit dat de vrouw de sobere levensstijl tijdens het huwelijk heeft betwist, is het naar het oordeel van het hof niet van belang waaraan het geld werd besteed. Als er familieleden in Marokko werden onderhouden, schulden voor anderen werden betaald, een onderneming in Marokko werd opgezet en ‘externe activiteiten in de privésfeer’ werden bekostigd, dan behoorde de mogelijkheid om dit te doen dus tot de welstand die partijen tijdens het huwelijk gewoon waren.
Het hof gaat voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte daarom uit van het NBGI zoals vastgesteld in rov. 5.2.4., te weten € 6.630,- per maand. De kosten van de kinderen van € 1.460,- strekken hierop in mindering. Met toepassing van de Hofnorm komt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw daarmee op een bedrag van:
€ 6.630,- -/- € 1.460,- = 5.170,- x 60% = € 3.102,- netto per maand.
Rekening houdend met de jaarlijkse verhoging analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte in 2024 € 3.294,-.
Aanvullende behoefte
De vrouw ontvangt een uitkering op basis van de Participatiewet. Zij stelt door de gemeente te zijn vrijgesteld van haar sollicitatieverplichting. Omdat haar uitkering vanuit gemeenschapsgeld wordt voldaan, heeft zij een aanvullende behoefte ter hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte.
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw verdiencapaciteit heeft. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij inkomen uit arbeid verwerft. Zij is nog jong, zij heeft gedurende het huwelijk van partijen ook (af en toe) gewerkt en er is geen sprake van enige belemmeringen. De kinderen zitten op school en de vrouw zou fulltime kunnen gaan werken tegen in ieder geval het minimumloon. De vrouw heeft niet onderbouwd wat zij heeft ondernomen om werk te vinden.
De man stelt dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw dient te worden uitgegaan van een (fictief) bruto inkomen van € 2.245,- per maand en het kindgebonden budget dat de vrouw bij dit inkomen ontvangt.
Het hof oordeelt als volgt.
Dat de vrouw door de gemeente is vrijgesteld van sollicitatieplicht is, tegenover de betwisting door de man, door de vrouw niet met stukken onderbouwd. Daar komt bij dat het feit dat de gemeente iemand heeft vrijgesteld van sollicitatieverplichting niet maakt dat in een alimentatieprocedure geen rekening wordt gehouden met verdiencapaciteit. De vrouw heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat van haar niet verlangd kan worden dat zij inkomen uit arbeid verwerft.
Gelet op de leeftijd van de kinderen, het feit dat de zorg voor hen – onbetwist – voor het
grootste deel op de vrouw neerkomt en een van de kinderen kampt met een taalontwikkelingsachterstand, hetgeen extra tijde vraagt van de vrouw, is het hof van oordeel dat een dienstverband van maximaal 32 uur redelijk is. Gelet op het opleidingsniveau van de vrouw en het feit dat zij alleen werkervaring heeft als schoonmaakster in de Thuiszorg, gaat het hof in redelijkheid uit van een inkomen op basis van het minimumloon voor 32 uur per week. Dit komt neer op een inkomen van € 24.192,- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld.
Anders dan de man stelt zal het hof bij de vaststelling van de aanvullende behoefte geen rekening houden met door de vrouw ontvangen kindgebonden budget. De Hoge Raad heeft immers in zijn prejudiciële beslissing van 7 juli 2017 bepaald dat dit kindgebonden budget een overheidsbijdrage van aanvullende aard is, waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage niet mee moet tellen bij het vaststellen van de behoefte aan partneralimentatie (HR 7 juli 2027, ECLI:NL:HR:2017:1273).
Het hof houdt rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de inkomstenbelasting. Het NBI van de vrouw komt daarmee neer op een bedrag van € 2.016,-.
De vrouw heeft daarmee een netto aanvullende behoefte van (huwelijksgerelateerde behoefte € 3.294,- -/- NBI € 2.016,- =) € 1.278,- netto per maand. Dit komt neer op een bruto aanvullende behoefte van € 2.259,- per maand (bijlage III).
Draagkracht van de man
Voor de draagkracht van de man verwijst het hof naar rov. 5.4.2.
De vrouw heeft aangevoerd dat gerekend moet worden met de werkelijke woonlast van de man, nu het verschil tussen het woonbudget en de werkelijke woonlasten zodanig groot is, dat dit een onredelijke uitkomst met zich zou brengen.
Het hof zal, evenals bij de berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie, rekenen met het woonbudget, omdat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarop hiervan zou moeten worden afgeweken.
De man heeft draagkracht om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 1.564,- bruto per maand (bijlage II). De vrouw heeft een bijdrage verzocht van € 887,- per maand, zodat het hof dit bedrag zal opleggen.
6De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
6.1.Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
Het hof heeft berekeningen van het NBI van de man in 2023 (bijlage I), de draagkracht van de man (bijlage II) en de aanvullende behoefte van de vrouw (bijlage III). Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
7De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 29 augustus 2024, voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen een bedrag van € 887,- per maand met ingang van 1 januari 2025, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. van Leeuwen, E.M.C. Dumoulin en E.P. de Beij, en is op 4 september 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
