Rechtbank Limburg 20-02-2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4142

Essentie (gemaakt door AI)

Wrakingsverzoek ingediend namens de minderjarigen door vader als wettelijk vertegenwoordiger, tegen de meervoudige familiekamer in zaken over gezag en ondertoezichtstelling. Minderjarigen zijn belanghebbenden art. 798 lid 1 Rv, maar geen partij in de zin van art. 36 Rv volgens HR [[ECLI:NL:HR:2014:3535]]. Omdat wraking alleen door een partij kan worden verzocht, is het verzoek niet-ontvankelijk. Afdoening zonder zitting op grond van art. 39 Rv.

Datum publicatie29-04-2026
ZaaknummerC/03/349821 HA RK -26-35
ProcedureWraking
ZittingsplaatsMaastricht
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilieprocesrecht; Wraking / verschoning;
Kinderen;
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wrakingsverzoek ingediend namens de minderjarigen, door wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen. De minderjarigen zijn naar het oordeel van de wrakingskamer belanghebbenden in de aanhangige procedures. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij kan worden gewraakt. De Hoge Raad heeft bepaald dat een minderjarige weliswaar belanghebbende is, maar geen processueel belanghebbende, dus geen partij. Het wrakingsverzoek is niet ontvankelijk.

Volledige uitspraak


beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Wrakingskamer

Zaaknummer C/03/349821 HA RK -26-35

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van [verzoeker], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen:

[minderjarige 1] ,

en,

[minderjarige 2] ,

hierna samen ook te noemen: de minderjarigen,

dat strekt tot wraking van de meervoudige familiekamer, bestaande uit

mr. M.A.M. van Uum, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, rechters in de rechtbank Limburg, hierna: de rechters.

1De procedure

Op 23 februari 2026 is er een zitting van de meervoudige familiekamer gepland waarop bovengenoemde rechters twee verzoeken zullen behandelen. Het ene verzoek is ingediend door de moeder van de minderjarigen (C/03/278317FA RK-20-1896). Dit verzoek gaat over het gezag over de minderjarigen. Het tweede verzoek (C/03/342186/ JE RK 25-912) is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming. Zij vragen een ondertoezichtstelling van de minderjarigen.

De minderjarigen hebben op 18 februari 2026 een verzoek tot wraking ingediend. De wrakingskamer heeft hen, bij beslissing van 19 februari 2026, niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek, omdat minderjarigen op basis van artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek handelingsonbekwaam zijn en niet zelfstandig in rechte kunnen optreden.

Op 20 februari 2026 heeft de vader van de minderjarigen, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen, een nieuw wrakingsverzoek ingediend. Vader vermeldt daarbij uitdrukkelijk dat het wrakingsverzoek namens de minderjarigen wordt gedaan en geen persoonlijk wrakingsverzoek is.

Op 20 februari 2026 heeft een van de rechters van de familiekamer, mede namens de andere twee rechters, de wrakingskamer laten weten dat zij niet in het wrakingsverzoek berusten.

Op basis van artikel 39 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal de wrakingskamer de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen.

2De beoordeling

Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Artikel 798, eerste lid, Rv bepaalt dat onder belanghebbende onder meer wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Dit maakt dat de minderjarigen naar het oordeel van de wrakingskamer als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt in de aanhangige procedures. De vraag is of de minderjarigen dan ook de mogelijkheid hebben om op basis van artikel 36 Rv een verzoek tot wraking te doen, nu dit artikel bepaalt dat “een partij” dat kan doen. De Hoge Raad heeft bepaald (ECLI:NL:HR:2014:3535) dat een minderjarige weliswaar belanghebbende is, maar geen processueel belanghebbende, dus geen partij.

Dit betekent dat de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.

3De beslissing

De wrakingskamer

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, mr. M.M. Beije en

mr. W.F.J. Aalderink, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733