Essentie (gemaakt door AI)
Geschil over bestaan en omvang van een legaat van € 50.000 voor achterstallig onderhoud en over de kwalificatie van notaris- en advocaatkosten als kosten van executele. Het hof oordeelt dat het legaat niet vervalt, maar op € 27.000 uitkomt omdat erflaatster bij leven € 23.000 aan kozijnen betaalde. Notariskosten deels, advocaatkosten slechts beperkt aan te merken als executeurskosten. Verklaring voor recht dat geen aanspraak meer bestaat uit de leveringsakte op vervanging dak en goot. Bekrachtiging, behoudens ondergeschikt onderdeel.| Datum publicatie | 29-04-2026 |
| Zaaknummer | 200.348.720/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Legaat; Uitleg testament |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Geschil over bestaan en omvang legaat. Uitleg testament. Notaris- en advocaatkosten slechts gedeeltelijk te kwalificeren als kosten van executele en dus als schulden van de nalatenschap.Volledige uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.348.720/01
zaaknummer rechtbank : C/15/341691 / HA ZA 23-378
arrest van de meervoudige familiekamer van 14 april 2026
inzake
[executeur] ,
in privé, dan wel in zijn hoedanigheid van executeur
in de nalatenschap van [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster),
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,
hierna te noemen: [erflaatster],
advocaat: mr. P.F. Keuchenius te Hoorn,
tegen
1 [naam 1] ,
wonende te [plaats B] ,
2. [naam 2] ,
wonende te [plaats B] ,
3. [naam 3] ,
wonende te [plaats C] , gemeente [gemeente 2] ,
4. [naam 4] ,
wonende te [plaats D] , gemeente [gemeente 3] ,
5. [naam 5] ,
wonende te [plaats E] ,
6. [naam 6] ,
wonende te [plaats F] ,
7. [naam 7] ,
wonende te [plaats G] , gemeente [gemeente 4] ,
8. [naam 8] ,
wonende te [plaats F] ,
9. [naam 9] ,
wonende te [plaats H] , gemeente [plaats F] ,
10. [naam 10] ,
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
hierna samen te noemen: [XX ]
advocaat: mr. M.A. Pool te Alkmaar,
en
11 [naam 11] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
12. [naam 12] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
13. [naam 13] ,
wonende te [plaats I] , gemeente [gemeente 5] ,
hierna samen te noemen: [XXX],
alle drie niet verschenen.
1De zaak in het kort
Deze erfrechtzaak gaat over de vraag of [erflaatster] nog aanspraak kan maken op (een deel van) een ten gunste van hem door erflaatster in haar testament opgenomen legaat van € 50.000,- voor achterstallig onderhoud van zijn woning en of bepaalde kosten (notariskosten en advocaatkosten) door [erflaatster] als kosten van executele ten laste mogen worden gebracht van de nalatenschap van erflaatster. De rechtbank heeft geoordeeld dat het legaat nog € 27.000,- bedraagt, omdat erflaatster al tijdens haar leven € 23.000,- aan achterstallig onderhoud heeft betaald. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de notariskosten en een deel van de advocaatkosten zijn te kwalificeren als kosten van de executele en dus als schulden van de nalatenschap. Het na aftrek van het legaat en de kosten van executele resterende deel van de nalatenschap van erflaatster dient vervolgens te worden overgemaakt naar de erfgenamen, overeenkomstig ieders deelgerechtigdheid (1/36e deel dan wel 1/12e deel). Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank, met uitzondering van een ondergeschikt onderdeel.
2Het geding in hoger beroep
[erflaatster] is bij dagvaarding van 2 december 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 november 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [erflaatster] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [XX ] en [XXX] als gedaagden in conventie en [XX ] tevens als eisers in reconventie, hierna te noemen: het bestreden vonnis.
De verschenen partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 1 tot en met 3;
- memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens incidenteel hoger beroep, met productie 1;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met productie 4.
De verschenen partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 25 september 2025 doen toelichten door hun advocaten aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd. [XX ] hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog een akte overlegging producties in het geding gebracht, met daaraan gehecht productie 2.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten en procesverloop
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Ook het hof zal daarvan uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere relevante feiten die in dit geding zijn komen vast te staan, de volgende.
[in] 2020 is erflaatster overleden. Zij had geen kinderen of partner.
Erflaatster heeft op 21 december 2010 haar testament laten opmaken. Daarin heeft zij de kinderen van haar broer [naam 14] en die van haar zus [naam 15] tot erfgenamen benoemd. [erflaatster] en [XXX] (geïntimeerden 11 t/m 13) zijn kinderen van [naam 14] . [XX ] zijn de nog levende kinderen van [naam 15] (te weten geïntimeerden sub 4 t/m 10) en de kinderen van [naam 16] , een zoon van [naam 15] die [in] 2014 is overleden (geïntimeerden sub 1 t/m 3)
Erflaatster heeft in haar testament [erflaatster] tot executeur benoemd. Verder zijn in het testament legaten opgenomen ten gunste van [erflaatster] . Deze legaten luiden als volgt:
“2. Legaten
Ik legateer, vrij van rechten en kosten, vrij van inbreng, af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden, aan:
mijn neef, de heer [executeur] (…), zonder inbreng in- of verrekening bij mijn nalatenschap, boven zijn erfdeel, de (door hem bewoonde) woning met tuin, plaatselijk bekend [adres] , (…), te vermeerderen met een bedrag van vijftig duizend euro voor achterstallig onderhoud in verband met vervanging kozijnen, goten en dak.
De reden van dit legaat is gelegen in het feit dat Kees als laatste is overgebleven van de vennoten die destijds het ouderlijk bedrijf hebben overgenomen. Hij heeft daardoor alle verplichtingen en het daaropvolgend faillissement op zich genomen en viel drie jaar onder de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Ik ben van mening dat enige compensatie hiervoor op zijn plaats is (…)”.
De kozijnen van de aan [erflaatster] gelegateerde woning (hierna: de woning) zijn in 2011 vervangen. De nieuwe kozijnen hebben € 23.000,- gekost. Dit bedrag is door erflaatster betaald.
Erflaatster heeft de woning op 29 december 2014 aan [erflaatster] in eigendom overgedragen. In de leveringsakte van 29 december 2014 (hierna: de akte van levering) is onder andere het volgende opgenomen:
“(…)
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Verkoper is nog verplicht voor dier rekening en risico de navolgende onderhouds-werkzaamheden ten gunste van koper te laten verrichten:
- het verwijderen en vervangen van het lekkende astbestdak;
- het vervangen van de lekkende goten en dak;
- het aansluiten van het verkochte op de gasleiding van NUON;
- het repareren van de CV-ketel.”.
In 2016 zijn de cv-ketel en de radiatoren in de woning op kosten van erflaatster vervangen.
[erflaatster] heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard. De meeste erfgenamen van erflaatster hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Alle veertien partijen in deze zaak zijn erfgenaam. De kinderen van [naam 16] (geïntimeerden sub 1, 2 en 3) zijn ieder gerechtigd tot 1/36e deel van de nalatenschap en de overige partijen in deze zaak zijn ieder gerechtigd tot 1/12e deel van de nalatenschap.
De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, heeft bij beschikking van 19 april 2023 het verzoek van [XX ] om [erflaatster] als executeur te ontslaan en een vereffenaar te benoemen afgewezen.
Bij inleidende dagvaarding van 29 juni 2023 heeft [erflaatster] gevorderd te bepalen 1) dat de nalatenschap van erflaatster € 69.288,25 bedraagt, 2) dat hem als legataris uit de nalatenschap een bedrag van € 50.000,- toekomt, 3) dat het resterende deel van de nalatenschap de erfgenamen ieder voor gelijke delen toekomt ten titel van hun erfdeel, en 4) dat [erflaatster] gemachtigd wordt tot uitbetaling van het legaat aan zichzelf en tot uitbetaling van de erfdelen.
[XX ] hebben in reconventie gevorderd dat de rechtbank de omvang van de voor verdeling beschikbare nalatenschap bepaalt op € 84.441,45 en tevens bepaalt dat [erflaatster] hiervan aan [XX ] sub 1 t/m 3 ieder € 2.557,92 en aan de overige erfgenamen ieder € 7.663,77 dient te voldoen.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat de vorderingen van [erflaatster] en [XX ] erop neerkomen dat de rechtbank het batig saldo van de nalatenschap, waarop de erfgenamen aanspraak kunnen maken, vaststelt en daarna de wijze van verdeling. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de nalatenschap bestond uit twee banktegoeden van in totaal € 89.628,25, waarop in mindering komen de uitvaartkosten van € 5.366,80. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [erflaatster] voldoende heeft onderbouwd dat de notariskosten van [X] Notarissen van € 4.219,67 zijn aan te merken als kosten van executele. Van de door [erflaatster] opgevoerde advocaatkosten van € 12.126,66 heeft de rechtbank een bedrag van € 1.228,- als kosten van executele in aanmerking genomen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het legaat niet met de akte van levering is komen te vervallen, dat het legaat moet worden uitgelegd, en dat uitleg van het testament van erflaatster met zich brengt dat het legaat ten gunste van [erflaatster] nog € 27.000,- bedraagt, nu de kozijnen al op kosten van erflaatster voor € 23.000,- zijn vervangen en dit bedrag op de totaal door erflaatster gewilde compensatie van € 50.000,- in mindering moet worden gebracht. De rechtbank heeft beslist dat het resterende banksaldo dient te worden overgemaakt naar de erfgenamen, overeenkomstig ieders deelgerechtigdheid (1/36e deel of 1/12e deel).
Zowel [erflaatster] (principaal hoger beroep) als [XX ] (incidenteel hoger beroep) zijn met drie grieven tegen het vonnis van 13 november 2024 opgekomen.
4Omvang van het geschil en beoordeling
Principaal hoger beroep
[erflaatster] heeft – na wijziging van eis bij dagvaarding in hoger beroep - geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. zal bepalen dat de nalatenschap van erflaatster € 69.288,25 bedraagt, althans voor recht zal verklaren dat de omvang van de nalatenschap € 85.634,58 bedroeg, waarin per datum inleidende dagvaarding een bedrag van € 16.346,33 aan kosten is gemaakt, zodat € 69.288,25 resteert voor legaat en erfdelen behoudens daarna nog gemaakte en eventueel nog te maken kosten;
II. voor recht zal verklaren dat door [erflaatster] in de uitoefening van zijn taak nadien nieuwe kosten zijn gemaakt voor een bedrag van € 7.972,72, te weten € 3.887,69 aan […] Advocaten en € 4.185,03 aan […] Advocaten N.V., die door [erflaatster] op grond van het testament ten laste van de te verdelen nalatenschap kunnen worden gebracht;
III. zal bepalen dat aan [erflaatster] uit de nalatenschap van erflaatster een bedrag van € 50.000,- toekomt uit hoofde van het legaat;
IV. zal bepalen dat, na uitbetaling van het legaat aan [erflaatster] , het resterende deel van de nalatenschap de erfgenamen ieder voor gelijke delen toekomt ten titel van hun erfdeel;
V. [erflaatster] zal machtigen om over te gaan tot uitbetaling van het legaat aan zichzelf en tot uitbetaling van de respectievelijke erfdelen aan de erfgenamen van de bankrekening van erflaatster en om vervolgens deze bankrekeningen op te (laten) heffen;
VI. [XX ] en [XXX] zal veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Incidenteel hoger beroep:
[XX ] hebben – na eiswijziging - geconcludeerd:
Primair
I. dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en
opnieuw rechtdoende:
II. zal verklaren voor recht dat het legaat van [erflaatster] is komen te vervallen;
III. zal verklaren voor recht dat [erflaatster] uit hoofde van de akte van levering uit 2014 geen aanspraak meer kan maken op vervanging van het dak en de goot van zijn woning;
IV. zal bepalen dat de voor verdeling beschikbare omvang van de nalatenschap een bedrag groot € 84.411,45, althans een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen ander bedrag bedraagt;
V. de wijze van verdeling aldus zal vaststellen dat [XX ] sub 1 t/m 3 ieder gerechtigd zijn tot 1/36e deel van de nalatenschap en de overige erfgenamen ieder tot 1/12e deel van de nalatenschap;
VI. [erflaatster] zal veroordelen om – binnen twee weken na het in deze te wijzen arrest – uit hetgeen hij uit hoofde van het bestreden vonnis teveel heeft ontvangen, aan [XXX] en [XX ] te voldoen;
VII. De proceskosten in beide instanties zal compenseren;
Subsidiair
I. Indien en voor zover het primaire onder II door [XX ] gevorderde zal worden afgewezen, het bestreden vonnis zal bekrachtigen;
II. De proceskosten in beide instanties zal compenseren.
Het legaat
Grief 1 van [erflaatster] en de grieven 1 en 2 van [XX ] hebben betrekking op (de omvang van) het legaat en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat het legaat niet met de akte van levering van 29 december 2014 (zie onder 3.6 hiervoor) is komen te vervallen en dat het recht van [erflaatster] om op kosten van erflaatster vervanging te vorderen van de goten en het dak van de woning niet gelijk te stellen is aan het vorderingsrecht dat erflaatster bij uiterste wilsbeschikking aan [erflaatster] heeft toegekend (het legaat van € 50.000,-). De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat in het testament duidelijk tot uitdrukking is gebracht dat erflaatster met de legaten, dat wil zeggen met de woning en een bedrag van € 50.000,-, [erflaatster] wilde compenseren voor de negatieve gevolgen die [erflaatster] had ondervonden van het feit dat hij als enige vennoot van het ouderlijk bedrijf overbleef. Uit de bewoordingen van het legaat volgt duidelijk dat het bedrag van € 50.000,- was bedoeld om de kozijnen, de goten en het dak te vervangen. Omdat de kozijnen na het testament op kosten van erflaatster voor € 23.000,- zijn vervangen, dient dit bedrag op de totaal door erflaatster gewilde compensatie in mindering te worden gebracht. Het legaat ten gunste van [erflaatster] bedraagt daarmee € 27.000,-, aldus de rechtbank.
[erflaatster] komt in zijn grief 1 op tegen het oordeel van de rechtbank dat nog slechts € 27.000,- van het legaat resteert. Het bedrag van € 50.000,- dat erflaatster aan [erflaatster] legateerde, was volgens [erflaatster] volstrekt ontoereikend voor het vervangen van kozijnen, goten en dak en uit niets blijkt dat erflaatster een gemotiveerd idee had over het bedrag van de benodigde gelden. Erflaatster is zelf al direct na het tot stand komen van het testament begonnen met het op haar kosten vervangen van de kozijnen, wat alleen al € 23.000,- bleek te kosten. Daarin heeft zij geen aanleiding gezien haar testament te veranderen. De reden hiervoor kan goed zijn dat [erflaatster] dan tekort zou komen. Aanwijzing daarvoor is volgens [erflaatster] dat erflaatster bij de overdracht van de woning alsnog op zich heeft genomen om goten en dak op haar kosten te vervangen. Dat is weliswaar een doublure met het legaat, maar drukt wel duidelijk haar bedoeling uit. Overigens zou [erflaatster] op grond van de akte van levering van 29 december 2014 aanspraak kunnen maken op de volledige kosten van vervanging van goten en dak, te weten een bedrag van € 84.442,11, maar hij neemt genoegen met het in het testament genoemde bedrag van € 50.000,-.
[XX ] stellen zich in hun grieven 1 en 2 primair op het standpunt dat het legaat is komen te vervallen doordat erflaatster bij leven 1) de kozijnen van de woning al heeft laten vervangen, 2) de woning om niet aan [erflaatster] heeft overgedragen en 3) zich in de akte van levering verplicht om de goot en het dak te vervangen. Indien een gelegateerd goed niet meer tot de nalatenschap behoort, komt het legaat te vervallen. Erflaatster heeft in de akte van levering uit 2014 niet (opnieuw) de verplichting op zich genomen om ook de kozijnen van de woning te vervangen, terwijl zij wel opnieuw de verplichting om het dak en de goot te herstellen in die akte heeft doen vermelden. Die werkzaamheden waren – anders dan het vervangen van de kozijnen – namelijk nog niet uitgevoerd. Hieruit blijkt dat erflaatster de akte van levering uit 2014 als vervanging van het legaat heeft beschouwd en zij het legaat dus niet meer heeft gewild. Zoals echter valt af te leiden uit randnummer 4.14 van de memorie van grieven, heeft [erflaatster] in rechte afstand gedaan van zijn recht op nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de akte van levering uit 2014, zodat er geen verplichting meer voor de erfgenamen bestaat achterstallig onderhoud aan [erflaatster] te vergoeden. Het subsidiaire standpunt van [XX ] is dat het legaat van € 50.000,- met € 23.000,- moet worden verminderd, omdat erflaatster de kozijnen van de woning al bij leven heeft vervangen, een en ander overeenkomstig het oordeel van de rechtbank. Uit niets blijkt – aldus [XX ] – dat erflaatster [erflaatster] volledig heeft willen compenseren. Tot slot betwisten [XX ] evenals in eerste aanleg dat de kosten voor vervanging van de goten en het dak een bedrag van € 84.442,11 zouden bedragen.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [erflaatster] als productie 8 bij inleidende dagvaarding overgelegde beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 april 2023, waarbij het verzoek van [XX ] om [erflaatster] als executeur te ontslaan en een vereffenaar te benoemen is afgewezen, valt af te leiden dat [erflaatster] zich in eerste instantie op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van de leveringsakte van 29 december 2014 een vordering had op de nalatenschap van erflaatster voor een bedrag van € 83.442,11 wegens vervanging kozijnen, goten en dak. Op de zitting in die procedure is namens [erflaatster] echter gezegd dat hij niet langer een beroep deed op een vordering uit de leveringsakte, maar slechts op het aan hem toekomende legaat uit het testament van erflaatster van € 50.000,-. In punt 25 van de inleidende dagvaarding in deze zaak lijkt het alsof [erflaatster] hierop terugkomt: daar staat dat [erflaatster] zich bij een vermindering van het legaat zal beroepen op de verplichtingen die erflaatster uit hoofde van de akte van levering had. In de pleitnota voor de zitting in deze zaak bij de rechtbank is namens [erflaatster] echter expliciet meegedeeld dat [erflaatster] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken uit de leveringsakte. [XX ] hebben terecht erop gewezen dat [erflaatster] dit standpunt in punt 4.14 van zijn memorie van grieven heeft herhaald. Het hof is dan ook van oordeel dat [XX ] zich terecht op het standpunt stellen dat [erflaatster] inderdaad afstand heeft gedaan van zijn recht op nakoming van de onderhoudsverplichtingen, voortvloeiende uit de akte van levering. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van [erflaatster] nog wel het standpunt ingenomen dat slechts voorwaardelijk afstand van recht zou zijn gedaan, namelijk voor het geval – zo begrijpt het hof – geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt op het (volledige) legaat. Het hof gaat aan dat betoog voorbij. [XX ] hebben terecht aangevoerd dat zij de stellingen van [erflaatster] niet zo hebben begrepen en gelet op hetgeen hiervoor is besproken, bestond ook geen aanleiding voor hen dit standpunt van [erflaatster] aldus te begrijpen. Een en ander houdt in dat de bij wege van eisvermeerdering ingestelde primaire vordering onder III van [XX ] , te weten dat het hof voor recht verklaart dat [erflaatster] uit hoofde van de akte van levering geen aanspraak meer kan maken op vervanging van het dak en de goot van zijn woning, voor toewijzing in aanmerking komt.
Het meest verstrekkende verweer van [XX ] in hoger beroep is (wederom) dat een en ander betekent dat er geen verplichting meer voor de erfgenamen bestaat om nog enig achterstallig onderhoud aan [erflaatster] te vergoeden, nu het legaat niet meer bestaat en [erflaatster] in rechte afstand heeft gedaan van zijn recht op nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de akte van levering uit 2014. Het hof volgt [XX ] niet in (het eerste onderdeel van) dit verweer en wel om de volgende reden. Artikel 4:49 BW bepaalt dat een ten laste van een erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed, of van een op een bepaald goed te vestigen recht, vervalt, indien het goed bij het openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat erflater de beschikking niettemin heeft gewild. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning ten tijde van het overlijden van erflaatster niet meer tot de nalatenschap behoorde, omdat erflaatster deze woning reeds in 2014 aan [erflaatster] had overgedragen. Dat geldt echter niet voor het onderdeel van het legaat dat ziet op een vorderingsrecht in verband met achterstallig onderhoud ten bedrage van € 50.000,-. Het gaat hier om een verplichting tot betaling van een geldbedrag en geld is een naar soort bepaald goed (soortzaak ofwel genuszaak), waardoor ten aanzien van dit onderdeel van het legaat geen sprake is van een bepaald goed zoals bedoeld in artikel 4:49 lid 1 BW, terwijl vaststaat dat de nalatenschap van erflaatster over voldoende middelen beschikt om dit legaat te voldoen. Het hof gaat in dit verband – ook gelet op onderstaande overwegingen over de uitleg - voorbij aan het andersluidende bericht van [X] Notarissen van 6 juli 2023, dat als productie 2 bij akte overlegging producties van de zijde van [XX ] is overgelegd. Datzelfde geldt voor de stelling van [XX ] dat opname in de leveringsakte van de verplichting van erflaatster om de goten en het dak voor haar rekening te vervangen, moet worden gezien als een vroegtijdige afgifte van het legaat; vervanging van de goten en het dak door erflaatster voor haar rekening en risico is niet een zelfde verplichting en heeft bovendien niet plaatsgevonden tijdens haar leven. De conclusie is dan ook dat het legaat van € 50.000,- niet vervallen is. Daarmee faalt dan ook grief 1 van [XX ]
De vraag is vervolgens of [erflaatster] nu nog aanspraak kan maken op het gehele legaat van € 50.000,-, zoals hij stelt in grief 1, of slechts nog op een bedrag van € 27.000,-, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, omdat al tijdens het leven van erflaatster voor haar rekening de kozijnen zijn vervangen voor een bedrag van € 23.000,-. De rechtbank heeft terecht overwogen dat beantwoording van die vraag uitleg van het testament vergt. De wet geeft in artikel 4:46 BW regels voor de uitleg van testamenten (uiterste wilsbeschikkingen). Daarbij moet worden gelet op de verhoudingen die de erflater kennelijk wenste te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen alleen bij de uitleg worden gebruikt als het testament zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. Feiten en omstandigheden van na het maken van de uiterste wil zijn van belang omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt of van verhoudingen die erflater in zijn uiterste wil kennelijk wenste te regelen.
Tussen partijen is allereerst niet in geschil (zie punt 4.4 van de memorie van grieven en punt 3.12 van de memorie van antwoord in principaal [X] , tevens incidenteel [X] ) dat de reden voor het bewuste legaat is geweest dat [erflaatster] als enige in het familiebedrijf is blijven werken en dus als enige door het faillissement van dit bedrijf financieel is geraakt, waardoor hij in de schuldsanering is terechtgekomen. Uit het testament van erflaatster komt duidelijk naar voren dat zij [erflaatster] hiervoor in enige mate (“enige compensatie”) heeft willen compenseren. Deze compensatie bestond eruit dat erflaatster ervoor zou zorgen dat [erflaatster] zijn woning, die erflaatster vanwege het faillissement al eerder van hem had overgenomen, terugkreeg en wel in bewoonbare staat, waartoe zij een bedrag van € 50.000,- ter beschikking stelde voor de vervanging van kozijnen, goten en het dak. Daarnaast staat vast dat kort na het opstellen van het testament de kozijnen van de woning op kosten erflaatster zijn vervangen. Zoals onder 4.3.2 uiteengezet, betoogt [erflaatster] in hoger beroep dat het bedrag van € 50.000,- volstrekt ontoereikend was voor het vervangen van kozijnen, goten en dak en dat uit niets blijkt dat erflaatster een gemotiveerd idee had over het bedrag van de benodigde gelden. Het was de notaris die per se een bedrag in het legaat wilde opnemen en het bedrag van € 50.000,- was een ongemotiveerde lekenschatting. Daarin past volgens [erflaatster] het feit dat erflaatster – nadat zij in 2011 op haar kosten de kozijnen had laten vervangen – geen aanleiding heeft gezien haar testament te veranderen. De reden hiervoor kan goed zijn dat [erflaatster] dan tekort zou komen. Aanwijzing daarvoor is volgens [erflaatster] dat erflaatster bij de overdracht van de woning alsnog op zich heeft genomen om goten en dak op haar kosten te vervangen.
Naar het oordeel van het hof biedt het testament van erflaatster onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van [erflaatster] dat hij, ondanks het feit dat erflaatster in 2011 op haar kosten de kozijnen van de woning heeft laten vervangen, nog steeds aanspraak kan maken op een bedrag van € 50.000,-. Integendeel, uit het testament van erflaatster kan nu juist worden afgeleid dat zij [erflaatster] met een bedrag van maximaal € 50.000,- heeft willen compenseren voor de kosten van achterstallig onderhoud aan kozijnen, goten en dak. Dit volgt uit de duidelijke bewoordingen “te vermeerderen met een bedrag van vijftig duizend euro voor achterstallig onderhoud in verband met vervanging kozijnen, goten en dak”. Indien erflaatster had gewild dat alle kosten van [erflaatster] voor het achterstallig onderhoud aan de kozijnen, de goten en het dak aan [erflaatster] zouden worden vergoed, had zij dat in haar testament kunnen bepalen. Dat nu is niet gebeurd. Zoals gezegd, spreekt erflaatster slechts over “enige compensatie”. De stelling dat erflaatster bij de hoogte van het bedrag is afgegaan op een advies van de notaris en dat zij zelf geen idee had van de omvang van de totale kosten van herstel van kozijnen, goten en dak, zoals [erflaatster] betoogt, maakt een en ander niet anders, nog daargelaten de juistheid van deze door [XX ] gemotiveerd betwiste stelling. Erflaatster heeft heel specifiek een budget van € 50.000,- in haar testament opgenomen ten behoeve van duidelijk omschreven achterstallig onderhoud. Kennelijk vond erflaatster dit bedrag een passende vergoeding voor het te verrichten achterstallig onderhoud aan 1) de kozijnen, 2) de goten en 3) het dak. Waar erflaatster al in 2011 de kozijnen voor haar rekening had laten vervangen voor een bedrag van € 23.000,-, ligt het dan ook niet voor de hand om aan te nemen dat erflaatster de bedoeling heeft gehad dat [erflaatster] voor het nog te verrichten achterstallig onderhoud aan de goten en het dak alsnog het volledige bedrag van € 50.000,- zou krijgen. Voor zover [erflaatster] bewijs heeft aangeboden op dit punt – en dan met name omtrent het advies van de notaris – is dat aanbod dus niet ter zake dienend en gaat het hof daaraan voorbij.
Dat erflaatster bij levering van de woning aan [erflaatster] in 2014 in de akte van levering de verplichting op zich heeft genomen om nog bepaalde onderhoudswerkzaamheden voor haar rekening te nemen ten gunste van [erflaatster] , maakt het voorgaande niet anders. Volgens [erflaatster] in zijn memorie van grieven vormde de leveringsakte een doublure met het legaat, waaraan hij ter zitting desgevraagd heeft toegevoegd dat erflaatster met de latere obligatoire overeenkomst zeker wilde stellen dat haar wil zou worden uitgevoerd. Daarmee is geheel in overeenstemming dat in de opsomming van de onderhoudswerkzaamheden in de akte van levering die voor rekening en risico van erflater zouden komen het vervangen van de kozijnen ontbreekt en – voor zover van belang – nog slechts over het vervangen van de goten en het dak wordt gesproken. Voor zover uit de stellingen van [erflaatster] moet worden afgeleid dat hij zich erop beroept dat hij desondanks uit de betreffende bepaling mocht afleiden dat hij alsnog recht had op € 50.000,- voor het vervangen van de goten en het dak, heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit hij een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen putten. Daarbij acht het hof van belang dat [erflaatster] – zoals hij zelf heeft gesteld - in 2010 al volledig op de hoogte was van de inhoud van het testament van erflaatster met daarin het bewuste legaat van (slechts) € 50.000,- voor achterstallig onderhoud aan drie specifiek genoemde zaken, waarvan er één in 2011 al was uitgevoerd. Daarom is ook geen ruimte voor een bewijsopdracht op dit punt.
De conclusie is dat – gelet op de verhouding die erflaatster in haar testament kennelijk wenste te regelen en de omstandigheden van na het maken van de uiterste wil – het testament van erflaatster zo moet worden uitgelegd dat het bedrag van € 50.000,- was bedoeld voor achterstallig onderhoud van drie bij name genoemde zaken en, nu een van de drie zaken al voor het overlijden van erflaatster op haar kosten was vervangen, dit bedrag in mindering komt op het totale door erflaatster aan [erflaatster] ter beschikking gestelde budget. Grief 1 van [erflaatster] faalt derhalve en datzelfde geldt voor grief 2 van [XX ] . De door [XX ] bij wege van eiswijziging primair onder II gevorderde verklaring voor recht dat het legaat van [erflaatster] is komen te vervallen, als ook de primaire vordering onder IV van [XX ] , voor zover daarin wordt gevorderd te bepalen dat de voor verdeling beschikbare omvang van de nalatenschap een bedrag van € 84.411,45 bedraagt, komen dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
Notaris- en advocaatkosten
Grief 2 van [erflaatster] en grief 3 van [XX ] lenen zich eveneens voor gezamenlijke bespreking, nu deze betrekking hebben op de vraag of [erflaatster] de door hem opgevoerde advocaatkosten ten laste van de nalatenschap kan brengen.
In zijn inleidende dagvaarding heeft [erflaatster] een bedrag van € 12.126,66 aan advocaatkosten opgevoerd. Na eiswijziging heeft hij daaraan een bedrag van € 7.972,72 aan advocaatkosten toegevoegd. De rechtbank heeft de eiswijziging buiten beschouwing gelaten en slechts de oorspronkelijke vordering beoordeeld. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat [erflaatster] zijn (voormalig) advocaat niet alleen heeft ingeschakeld in verband met zijn door [XX ] verzochte ontslag als executeur, maar dat deze ook zijn (privé) belangen behartigde in de discussie over zijn aanspraken als legataris en als (gewone) schuldeiser op grond van de akte van levering. Omdat de vorige advocaat van [erflaatster] dus ook voor [erflaatster] optrad in zijn hoedanigheid van legataris/schuldeiser, kan de rechtbank niet “zomaar” concluderen dat de advocaatkosten van € 12.126,66 als kosten van executele zijn aan te merken. Omdat vaststaat dat [erflaatster] door zijn voormalig advocaat werd bijgestaan in de procedure, waarin [XX ] zijn ontslag als executeur verzochten, acht de rechtbank een vergoeding van € 1228,-- (2 punten x tarief II van het liquidatietarief) voor advocaatkosten redelijk.
In grief 2 wijst [erflaatster] allereerst op het testament van erflaatster, waarin onder “Het loon” is opgenomen dat de door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten voor rekening van de nalatenschap komen. Waar het de taak van de executeur is om de schulden van de nalatenschap te voldoen en de afgifte van een legaat een schuld is van de nalatenschap, en [erflaatster] deze zaak als executeur heeft uit te voeren, komen de door hem daarbij gemaakte kosten ten laste van de nalatenschap. Er is – aldus [erflaatster] – geen twijfel dat [XX ] zich in en buiten rechte hebben verzet tegen de door [erflaatster] in overeenstemming met de wil van erflaatster voorgestane wijze van afdoening. Het beroep door [erflaatster] op de rechtbank in de onderhavige procedure kan daarom op geen enkele wijze worden gezien als onnodig, onterecht of ongerechtvaardigd. Volgens het petitum, zoals dat in de appeldagvaarding luidt, vordert [erflaatster] in hoger beroep een bedrag van € 12.126,66 aan advocaatkosten en het eerder bij wege van – geweigerde – eiswijziging opgevoerde bedrag van € 7.972,72. Daaraan heeft hij in de memorie van grieven nog een rekening van [X] Notarissen van 2 december 2024 voor een bedrag van € 893,48 inclusief btw toegevoegd, die volgens [erflaatster] dient te worden begrepen onder gemaakte en eventueel nog te maken kosten als bedoeld onder I van het petitum.
[XX ] betwisten de stellingen van [erflaatster] en voeren in grief 3 van hun memorie van antwoord aan dat de door [erflaatster] opgevoerde advocaatkosten in het geheel niet ten laste van de nalatenschap kunnen komen. Het beroep van [erflaatster] op de bepaling in het testament van erflaatster omtrent het loon van de executeur kunnen [XX ] niet volgen, aangezien die bepaling ziet op de door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten, en van dat laatste is nu juist geen sprake. Volgens [XX ] zijn de kosten voor de procedure rondom het ontslag als executeur uitsluitend gemaakt omdat [erflaatster] ten onrechte aanspraak maakte op het legaat van € 50.000,-. Deze kosten hadden kunnen worden voorkomen als [erflaatster] zijn taken behoorlijk had vervuld of ontslag had genomen als executeur wegens tegenstrijdige belangen, zodat een derde dit had kunnen vervullen. Uit het testament blijkt verder niet dat erflaatster heeft willen afwijken van het wettelijk systeem met betrekking tot de executeurskosten. Ook buitengerechtelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, aldus nog steeds [XX ]
Wat betreft de door [erflaatster] opgevoerde advocaatkosten is het hof van oordeel dat hetgeen [erflaatster] op dit punt in hoger beroep heeft aangevoerd – ook in het licht van het gemotiveerde verweer van [XX ] – volstrekt onvoldoende is om aan te nemen dat de aan hem door zijn advocaten verleende rechtsbijstand uitsluitend betrekking heeft (gehad) op executeurs-werkzaamheden. Zoals de rechtbank heeft overwogen, behartig(d)en de advocaten van [erflaatster] ook belangen van [erflaatster] in deze procedure over zijn aanspraken als legataris en als (gewone) schuldeiser op grond van de akte van levering. [erflaatster] heeft op dit punt niet kunnen volstaan met de stelling dat het de taak van de executeur is om de schulden van de nalatenschap te voldoen, dat de afgifte van een legaat een schuld is van de nalatenschap, dat [erflaatster] deze taak als executeur heeft uit te voeren, en de door hem daarbij gemaakte kosten dus ten laste van de nalatenschap komen. Van [erflaatster] had mogen worden verwacht dat hij nader had toegelicht welk deel van de door hem opgevoerde advocaatkosten betrekking heeft op zijn werkzaamheden als executeur en welk deel ziet op bijstand aan [erflaatster] in zijn hoedanigheid van legataris/gewone schuldeiser. Nu [erflaatster] dit heeft nagelaten, is het hof van oordeel dat grief 2 van [erflaatster] faalt.
Hetzelfde geldt voor grief 3 van [XX ] , die – voor zover het hof deze begrijpt – uitsluitend nog betrekking heeft op het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 1.228,- aan advocaatkosten met betrekking tot de procedure in verband met het verzoek van [XX ] tot ontslag van [erflaatster] als executeur. [XX ] stellen in dit verband dat deze kosten van [erflaatster] niet nodig waren geweest als [erflaatster] zijn taken als executeur behoorlijk had vervuld. Het hof gaat voorbij aan deze stelling, simpelweg omdat niet is komen vast te staan dat [erflaatster] zijn taken als executeur niet naar behoren heeft vervuld. Een en ander betekent dat grief 3 niet kan leiden tot de vaststelling van een lagere omvang van de nalatenschap dan volgens het vonnis van de rechtbank, zodat de primaire vordering van [XX ] onder IV ook om die reden wordt afgewezen.
[erflaatster] heeft zijn vordering voor wat betreft de notariskosten vermeerderd in de memorie van grieven met een bedrag van € 893,48 ter zake van een als productie 3 overgelegde rekening van [X] Notarissen van 2 december 2024. [XX ] hebben in hoger beroep betwist dat deze factuur als schuld van de nalatenschap kan worden aangemerkt, nu niet kan worden vastgesteld welke werkzaamheden door [X] Notarissen zijn verricht en niet uitgesloten kan worden dat deze factuur ziet op werkzaamheden in het belang van [erflaatster] als legataris. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, heeft [erflaatster] onvoldoende onderbouwd dat deze factuur betrekking heeft op werkzaamheden die ten laste van de nalatenschap dienen te komen. De vermeerderde eis wordt dan ook afgewezen.
Proceskosten eerste aanleg
In grief 3 stelt [erflaatster] dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten in eerste aanleg (in conventie en reconventie) heeft gecompenseerd. Erflaatster heeft gewild en bepaald dat de in de uitvoering van zijn taak door [erflaatster] gemaakte kosten voor rekening van de nalatenschap komen. Er is dan ook geen grond om te bepalen dat de door [erflaatster] gemaakte kosten voor zijn eigen rekening komen, aldus [erflaatster] . Deze grief faalt op dezelfde gronden als grief 2 van [erflaatster] . Hij is er niet in geslaagd aan te tonen dat de door hem gemaakte advocaatkosten zien op zijn hoedanigheid van executeur. Daarom is er geen reden om deze kosten ten laste van de nalatenschap te brengen.
Slotsom en televisie
De slotsom is dat zowel de grieven van [erflaatster] , als die van [XX ] geen doel treffen en dat de eiswijziging van [erflaatster] wordt afgewezen. Aangezien [XX ] ter zitting van het hof hebben meegedeeld dat zij geen aanspraak meer maken op de opbrengst van de televisie, kan onderdeel 5.2 van het vonnis niet in stand blijven, doch uitsluitend voor zover het de verwijzing naar 4.29 van het bestreden vonnis betreft, waarin de rechtbank heeft bepaald dat de tot de nalatenschap behorende televisie aan een derde moet worden verkocht en de verkoopopbrengst aan de erfgenamen toekomt. Het hof zal het vonnis in zoverre vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Onderdeel V van het primair door [XX ] gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu deze vordering reeds in eerste aanleg is toegewezen. Het bij wege van eiswijziging primair gevorderde onderdeel VI deelt hetzelfde lot, nu daaraan – voor zover het hof begrijpt – reeds uitvoering is gegeven. Wel zal het hof de bij wege van eisvermeerdering door [XX ] in onderdeel III primair gevorderde verklaring voor recht toewijzen, zoals hiervoor overwogen onder 4.3.4. Tot slot ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.
5Beslissing
Het hof:
in principaal en in incidenteel hoger beroep:
vernietigt onderdeel 5.2 van het dictum van het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover het de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster betreft zoals vastgesteld in 4.29 van het vonnis;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast zoals in 4.28 en 4.30 van het bestreden vonnis is vermeld;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
en in aanvulling daarop:
verklaart voor recht dat [erflaatster] uit hoofde van de akte van levering van 29 december 2014 geen aanspraak meer kan maken op vervanging van het dak en de goot van zijn woning;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, H.A. van den Berg en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
