Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding waarin hoofdverblijfplaats van drie kinderen bij vrouw is vastgesteld en zorgregeling om de week van vrijdag 17.00 tot zondag 17.00 uur is bepaald, met uitgebreide vakantieafspraken. Kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 848 per maand totaal. Verzoek afgifte paspoorten wordt afgewezen. Partneralimentatie wordt afgewezen wegens ontbrekende onderbouwing en geen draagkracht. Woning moet worden verkocht met uitstel transport zes maanden; aflossing/rente deels te verrekenen. Vrouw verbeurt € 87.000 ex art. 3:194 lid 2 BW.| Datum publicatie | 28-04-2026 |
| Zaaknummer | C/09/669328 (echtscheiding) en C/09/688015 (verdeling) |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Alimentatie; Familievermogensrecht; Opzettelijk verzwijgen 3:194 BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
volgtVolledige uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 24-4979 (echtscheiding) en FA RK 25-5083 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/669328 (echtscheiding) en C/09/688015 (verdeling)
Datum beschikking: 27 maart 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 8 juli 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. N.M. van Leeuwen te Gouda, nu mr. J.E. Sondorp te Gouda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.C.E. van den Hoek te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 22 juli 2024 van de advocaat van de man, met bijlage;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 27 oktober 2024 van de advocaat van de man, met bijlage;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 18 maart 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het verweerschrift van 28 mei 2025 van de advocaat van de man;
- het F9-formulier van 17 oktober 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 17 oktober 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 21 oktober 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het bericht van 29 december 2025 van [instelling] ;
- het aanvullend verzoekschrift van 13 februari 2026 van de advocaat van de man;
- het F9-formulier van 13 februari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 25 februari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.
Op 27 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk H. Rida;
- [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad);
- [naam 2] en [naam 3] , namens [instelling] .
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
- het F9-formulier van 6 maart 2026 van de advocaat van de man;
- het F9-formulier van 6 maart 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlage.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2019 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 3] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Deze rechtbank heeft op 18 september 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij, voor zover hier van belang:
- is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en is mitsdien bevolen dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- is bepaald dat de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben:
- twee zaterdagen twee uur per keer onder begeleiding van de vrouw of een door haar aan te wijzen derde bij Ballorig of op een soortgelijke plek;
- de daarop volgende twee zaterdagen vier uur per keer onder begeleiding van de vrouw of een door haar aan te wijzen derde;
- de hierop volgende twee zaterdagen van zes uur per keer, zonder begeleiding;
- hierna iedere zaterdag van 13.00 uur tot zondag 16.00 uur, zonder begeleiding, waarbij de man de kinderen zal ophalen en terugbrengen;
- is bepaald dat deze voorlopige weekendregeling de ene week met alle drie de kinderen zal plaatsvinden en de andere week met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- is bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 september 2024 voorlopig een kinderalimentatie van € 307,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- is vastgesteld dat partijen zijn verwezen naar [instelling] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.
Verzoek en verweer
De man heeft verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- primair: indien en voor zover partijen over de inhoud van het ouderschapsplan overeenstemming bereiken te bepalen dat de bepalingen in het nog over te leggen ouderschapsplan integraal deel zullen uitmaken van de beschikking;
- subsidiair, voor zover partijen geen overeenstemming zullen bereiken over de inhoud van een ouderschapsplan:
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen vast te stellen bij de vrouw;
- tussen de man en de kinderen de volgende zorgverdeling vast te stellen: de kinderen zullen ieder weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot en met zondagmiddag 17.00 uur bij de man verblijven alsmede gedurende de helft van alle schoolvakanties en wettelijke feestdagen, althans een zodanige zorgverdeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie redelijk acht;
- primair: indien en voor zover partijen over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap overeenstemming bereiken te bepalen dat de bepalingen in het nog over te leggen echtscheidingsconvenant integraal deel zullen uitmaken van de beschikking;
- subsidiair: de verdeling vast te stellen op de wijze zoals opgenomen onder
randnummer 20 van het verzoekschrift, althans de verdeling vast te stellen op een
zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie redelijk acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw heeft verzocht om de verzoeken van de man ten aanzien van het aanhechten van een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan aan de beschikking toe te wijzen. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht:
- de behoefte van de kinderen op € 410,- per kind per maand (totaal: € 1.232,50) vast te stellen, uitgaande van een zorgregeling van eens per veertien dagen of een dag per week waarbij een zorgkorting van 15% wordt gehanteerd, waarbij de vrouw heeft verzocht om een kinderalimentatie van € 335,00 per kind per maand op te leggen per datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
- te bepalen dat de man per datum van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking gehouden is de vrouw een bedrag aan partneralimentatie te betalen van € 480,86 per maand, onderhevig aan de jaarlijkse indexatie, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
- een zorgregeling ter zake van alle drie de kinderen op te leggen welke inhoudt: een
weekenddag per week zonder overnachting;
- ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, indien niet mogelijk is
gebleken om gezamenlijk een convenant of afspraken op te stellen: de vaststelling en verdeling zoals door de man is voorgesteld in de punten 17 tot en met 21 van het verzoekschrift tot echtscheiding toe te wijzen per peildatum; de vrouw heeft verzocht uit te gaan van 5 juli 2024 waarbij de vrouw aanspraak maakt op pensioenverevening en teruggave van haar sieraden;
althans een zodanige beslissing te nemen ter zake van bovengenoemde verzoeken als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man aanvullend verzocht:
- te bepalen dat er een zorgregeling tussen de man en de kinderen geldt, waarbij:
zolang de man nog niet beschikt over eigen woonruimte:
- de kinderen ieder weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot maandagmiddag 17.00 uur bij de man verblijven én iedere woensdagmiddag tussen 14.00 uur en 19.00 uur, alsmede tijdens de (school)vakanties, feestdagen en bijzondere dagen conform de schema’s zoals als productie 15 door de man is overgelegd, zulks onder aanhechting van deze schema’s aan de beschikking;
zodra de man beschikt over eigen woonruimte:
- de kinderen eens per veertien dagen van zondag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur (zijnde zeven dagen van de veertien dagen) bij de man verblijven, alsmede tijdens de (school)vakanties, feestdagen en bijzondere dagen conform de schema’s zoals als productie 15 door de man is overgelegd, zulks onder aanhechting van deze schema’s aan de beschikking;
- te bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking,
een kinderalimentatie voor de kinderen van € 208,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de verdeling van de tussen partijen geldende gemeenschap vast te stellen dan wel
de wijze van verdeling van de geldende gemeenschap te gelasten, waarbij:
a. de echtelijke woning aan de [adres] , binnen vier weken na de datum van de beschikking, bij [bedrijf] Makelaardij te [vestigingsplaats] door partijen te koop dient te worden aangeboden;
b. de vraag- en laatprijs voor de echtelijke woning in overleg door de verkopend makelaar dient te worden bepaald;
c. partijen alle adviezen en instructies van de verkopend makelaar in verband met de verkoop van de echtelijke woning dienen op te volgen;
d. de vrouw ervoor zorgt dat de woning in goede en opgeruimde staat verkeert voorafgaand aan iedere bezichtiging en voorafgaand aan het maken van de foto’s voor de verkoopbrochure van de woning;
e. partijen niet aanwezig mogen zijn bij de bezichtigingen van de echtelijke woning door de verkopend makelaar en de potentiële koper(s);
f. partijen mee dienen te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst zodra er een kandidaat-koper bereid is een bedrag te betalen dat ligt op of tussen de vraag- en laatprijs en wel zodanig dat de koopovereenkomst binnen twee weken wordt ondertekend door partijen nadat de definitieve koopovereenkomst door de makelaar wordt aangeboden;
g. de makelaarskosten door ieder van partijen voor de helft dienen te worden gedragen;
h. de echtelijke woning binnen drie maanden na het door de koper(s) ondertekenen van de koopovereenkomst, bij een door de koper(s) aan te wijzen notaris, door partijen aan de koper(s) dient te worden overgedragen c.q. notarieel te worden geleverd;
i. ieder van partijen op verzoek van de notaris een volmacht voor de overdracht c.q. notariële levering van de echtelijke woning aan de koper(s) dient te ondertekenen;
j. de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, na aflossing van (het restant van) de hypotheekschuld, voldoening van de makelaarskosten en eventuele andere verkoopkosten, tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, zulks onder nadere verrekening van de door de man voor de vrouw betaalde eigenaars- en gebruikerslasten c.q. de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding;
althans een verdeling van de gemeenschap vast te stellen c.q. te gelasten als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- voor het geval de vrouw niet uiterlijk binnen vier weken na de datum van de
beschikking meewerkt aan het te koop aanbieden van de echtelijke woning, dan wel voor het geval de vrouw weigert om uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop de koopovereenkomst door de makelaar wordt aangeboden de overeenkomst te ondertekenen, dan wel voor het geval de vrouw weigert om uiterlijk binnen drie maanden na ondertekening van de koopovereenkomst mee te werken aan de overdracht c.q. notariële levering van de echtelijke woning aan de koper(s):
- de man overeenkomstig artikel 3:174 lid 1 BW te machtigen om alles te doen wat noodzakelijk is om de echtelijke woning ten spoedigste ter verkoop aan te bieden alsmede hem te machtigen voor de daadwerkelijke verkoop van de echtelijke woning;
- en daarbij te bepalen dat de beschikking in plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor het in de verkoop geven van de echtelijke woning aan een makelaar alsmede voor het ondertekenen van de koopovereenkomst en voor het tekenen van de notariële akte;
- te bepalen dat de vrouw met ingang van 5 juli 2024 een gebruiksvergoeding aan de
man verschuldigd is ter grootte van € 632,00 per maand dan wel te bepalen dat de vrouw de door de man voorgeschoten eigenaars- en gebruikerslasten van de echtelijke woning ter grootte van € 632,00 per maand per 5 juli 2024 uit haar aandeel in de verkoopopbrengst van de echtelijke woning aan de man dient te voldoen;
- te bepalen dat ieder zijn bankrekeningen voortzet en dat de banksaldi op de
bankrekeningen, zoals opgenomen onder punt 36 en 37, op de peildatum van 5 juli 2024, tussen partijen bij helfte worden verdeeld en aldus te bepalen dat de vrouw een nader door de man te berekenen bedrag aan de man verschuldigd is en dient te voldoen;
- te bepalen dat aan de man toekomt de helft van het contante geld dat zich in de
echtelijke woning bevond op 5 juli 2024, zijnde een nader door de vrouw te concretiseren bedrag;
- te bepalen dat partijen de inboedelgoederen die zich bevinden in de echtelijke
woning alsmede de niet aan de vrouw verknochte sieraden tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld, conform een nader door de man te overleggen lijst;
- te bepalen dat de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag ad € 350,00 voor
de auto, een Dacia Logan, met kenteken [kenteken] , welke reeds is verkocht;
- te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij het
Sociaal Leenfonds;
althans een zodanige verdeling vast te stellen dan wel te gelasten als de rechtbank in goede justitie redelijk acht.
De vrouw heeft verzocht de verzoeken van de man ten aanzien van de verzochte verdeling van de echtelijke woning toe te wijzen onder de voorwaarde dat de verkoop in gang wordt gezet als de vrouw concreet zicht heeft op wanneer zij haar eigen woning kan betrekken. Ook heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man met betrekking tot het voortzetten van ieders eigen bankrekeningen met verdeling van de banksaldi per peildatum toe te wijzen. De vrouw heeft zich ten aanzien van het verzoek van de man met betrekking tot de verdeling van de auto en de toerekening van de schuld bij het Sociaal Leenfonds aan beide partijen, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw aanvullend verzocht:
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt
vastgesteld;
- te bepalen dat alleen een zorgregeling van eens per veertien dagen van zaterdag op
zondag met betrekking tot de twee oudste kinderen wordt vastgesteld en ter zake
van de jongste een opbouwende regeling voordat zij ook bij de man overnacht,
ter zake van de schoolvakanties/feestdagen/bijzondere dagen wacht de vrouw het
nader door de man aan te leveren schema als productie 15 af;
- te bepalen dat de vrouw de haar toebehorende sieraden weer terug ontvangt;
althans een zodanige beslissing te nemen ter zake van bovengenoemde verzoeken als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man bij wijze van incidenteel verzoek en voordat wordt beslist in de hoofdzaak, verzocht tot overlegging van de volgende stukken:
- afschriften van de banksaldi en bankrekeningen van de vrouw van zes maanden
voor de peildatum tot aan de peildatum, zijnde afschriften van de volgende bankrekeningen van de vrouw:
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ;
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;
- ING betaalrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;
- Flexibel Sparen met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 6] ;
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 7] ;
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 8] ;
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 9] ;
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 10] ;
- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 11] ;
- overige bankrekeningen voor zover de vrouw nog andere bankrekeningen heeft;
- overzicht van het contante geld dat voorafgaand aan het vertrek van de man uit de
echtelijke woning aanwezig was in de echtelijke woning;
- eigendomsakte van de woning in Griekenland en bankrekening in Griekenland;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag die de vrouw vanaf een week na de datum van de beschikking in gebreke blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.
De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van de zorgregeling gewijzigd en verzocht om een weekenddag per veertien dagen zonder overnachting.
De man heeft aanvullend verzocht:
- primair: te bepalen dat de man op grond van artikel 3:194 lid 2 BW recht heeft op een bedrag van € 101.000,00, dan wel € 70.000,00 van de vrouw in privé, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, welk bedrag ter gelegenheid van het notariële transport van de echtelijke woning aan hem wordt verrekend met het aan de vrouw toekomende bedrag en aan de man wordt vergoed en uitbetaald, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;
- subsidiair:
- te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft ter grootte van de helft van de waarde van de woning in Griekenland, dan wel € 35.000,00 jegens de vrouw rechtstreeks, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
- te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft ter grootte van de helft van € 31.000,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht,
welke bedragen ter gelegenheid van het notariële transport van de echtelijke woning aan hem worden verrekend met het aan de vrouw toekomende bedrag en aan de man wordt vergoed en uitbetaald, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;
- meer subsidiair:
- te bepalen dat de vrouw de schade aan de gemeenschap dient te vergoeden ex artikel 1:164 BW, ter grootte van € 101.000,00, dan wel € 70.000,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, welk bedrag ter gelegenheid van het notariële transport van de echtelijke woning aan hem wordt verrekend met het aan de vrouw toekomende bedrag en aan de man wordt vergoed en uitbetaald, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;
- een zorgregeling vast te stellen conform productie 35;
- afgifte van de paspoorten van de kinderen door de vrouw aan de man en te bepalen dat de man deze in beheer mag houden.
De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd en verzocht om met ingang van de datum van de beschikking een bedrag aan kinderalimentatie van € 367,00 per kind per maand (totaal € 1.102,-) op te leggen.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De vrouw heeft dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. De rechtbank is van oordeel dat het ouderschapsplan in redelijkheid niet kan worden overgelegd. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Beide partijen hebben verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Standpunt man
De man heeft verzocht om vaststelling van een zorgregeling met opbouw, in die zin dat de kinderen zolang de man niet over eigen woonruimte beschikt om het weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur contact hebben met de man in de woning van de vrouw. Zodra beide ouders zich in hun definitieve woning hebben gevestigd en de man een lokaal netwerk heeft opgebouwd, staat hij een zorgregeling voor, waarbij de kinderen de ene week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur bij hem verblijven en de andere week op woensdag van 13.00 uur tot 19.00 uur bij hem verblijven. De man heeft verzocht te bepalen dat vanaf september 2028, wanneer [minderjarige 3] start op de basisschool en alle kinderen een basisschoolrooster hebben, een co-ouderschapsregeling zal gelden, waarbij de kinderen van maandagmiddag uit de BSO tot maandagmorgen naar school de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven. De man heeft aangegeven dat deze opbouwregeling hem de herstelruimte geeft om op lange termijn een stabiele ouder voor de kinderen te zijn. Ook biedt deze regeling een stabiel ritme voor de kinderen. Daarbij heeft de man aangevoerd dat door de overdracht via school of de BSO te laten verlopen direct contact tussen de ouders wordt vermeden, waarmee spanningen voor de kinderen worden voorkomen. Verder heeft de man betwist dat hij de vrouw en de kinderen zou hebben mishandeld zoals de vrouw heeft gesteld. In dit kader heeft hij aangegeven dat de strafzaak vanwege mishandeling is geseponeerd.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft zich verzet tegen de zorgregeling die de man voorstaat. Zij is van mening dat de zorgregeling tussen de man en de kinderen geleidelijk moet worden hervat. Hiertoe heeft de vrouw aangevoerd dat de man haar en de kinderen heeft mishandeld. De vrouw heeft hiervan aangifte gedaan. De vrouw heeft zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man verblijven. Ook vertonen de kinderen weerstand tegen contact met de man. Het contact tussen de man en de kinderen vindt momenteel plaats in het huis van de ouders van de man onder toezicht van zijn ouders, waardoor de contactmomenten gestructureerd verlopen. De vrouw heeft aangegeven dat dit wellicht anders kan zijn als de kinderen bij de man zullen verblijven zonder de aanwezigheid van derden. Verder heeft de vrouw gesteld dat overnachten bij de man niet in het belang van de kinderen is. De vrouw heeft verzocht om vaststelling van een zorgregeling, waarbij de kinderen een weekenddag per veertien dagen bij de man verblijven en zij niet bij de man zullen overnachten.
Hulpverleningstraject
[instelling] heeft aangegeven dat er binnen het hulpverleningstraject onvoldoende stappen werden gezet in het verminderen van de zorgen, waardoor [instelling] zich zorgen maakt over de ontwikkeling van de kinderen. Ook maakt [instelling] zich zorgen over de strijd tussen de ouders. Beide ouders maken zich zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen bij de andere ouder. De ouders hebben geen vertrouwen in het ouderschap van de andere ouder. Bovendien komt de opvoedondersteuning moeizaam van de grond, doordat de man niet kan worden bezocht vanwege de afstand tussen de regio Midden-Holland en [plaats 2] . Daarbij verloopt de communicatie tussen de ouders moeizaam, waarbij regelmatig sprake is van verwijten en escalaties in de communicatie. [instelling] heeft daarom gevraagd om een gedegen onderzoek naar de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij beide ouders thuis. Verder heeft [instelling] verzocht om op te schalen naar een gedwongen kader, zodat iemand met mandaat beslissingen kan nemen in het belang van de kinderen.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken zijn de rechtbank geen zorgen gebleken over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man verblijven. De man woont momenteel in [plaats 2] bij zijn ouders en de vrouw in de echtelijke woning in [plaats 3] . De man woont aldus op aanzienlijke afstand van de vrouw en [minderjarige 1] gaat doordeweeks naar school. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij nu een zorgregeling voorstaat, waarbij de kinderen om de week een weekend bij hem verblijven. Gelet op de afstand tussen de woning van de man en de vrouw en het feit dat [minderjarige 1] doordeweeks naar school gaat, acht de rechtbank een weekendregeling op dit moment het meest haalbare. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kinderen om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven. Op de zitting heeft de man toegelicht dat hij mogelijk in [plaats 1] zal gaan wonen. Dit is een onzekere toekomstige omstandigheid waar de rechtbank nu niet op vooruit zal lopen. Daarnaast is onbekend waar de vrouw in de toekomst na verkoop van de echtelijke woning zal gaan wonen. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders in onderling overleg zullen bezien of de zorgregeling aanpassing behoeft als de man en/of de vrouw gaan/gaat verhuizen.
De man heeft ten aanzien van de vakanties en feestdagen een expliciet verzoek gedaan overeenkomstig het door hem overgelegde schema. De vrouw voert verweer tegen de verzochte verdeling van de vakanties, omdat zij van mening is dat het niet in het belang van de kinderen is om bij de man te overnachten. De rechtbank acht het ook in het belang van de kinderen om vakanties en feestdagen bij de man door te brengen.
De rechtbank is van oordeel dat het haalbaar is dat de kinderen in de zomervakantie van 2026 een week bij de man zullen verblijven, gelet op de leeftijd van de kinderen en aangezien de kinderen aan de nieuwe zorgregeling zullen moeten wennen en dat de kinderen met ingang van de zomervakantie 2027 zoals door de man is verzocht twee aaneensluitende weken in de zomervakantie bij de man zullen doorbrengen. Nu de verzoeken van de man over de verdeling van de overige vakanties en Vaderdag in het belang van de kinderen worden geacht, zal de rechtbank die toewijzen zoals hierna in het dictum staat vermeld.
Ten aanzien van de feestdagen zal de rechtbank bepalen dat de kinderen de helft van de feestdagen bij de man verblijven, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen, omdat mede gezien de relatief korte duur daarvan en de huidige woonafstand tussen de ouders daarvoor meer maatwerk nodig is. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders, in overleg met [instelling] , afspraken zullen maken over de verdeling van de feestdagen.
Verder ziet de rechtbank – net als de Raad – geen aanleiding voor een raadsonderzoek zoals geopperd door [instelling] . Zoals hiervoor is overwogen heeft de rechtbank geen grote zorgen over de kinderen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij zich door partijen en [instelling] voldoende voorgelicht acht om een eindbeschikking te wijzen.
Afgifte paspoorten kinderen
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de paspoorten van de kinderen aan de man moet afgeven en dat de man de paspoorten in beheer zal houden. Hiertoe heeft de man gesteld dat hij gegronde vrees heeft dat de vrouw met de kinderen naar het buitenland wil vertrekken. De vrouw heeft familieleden die in het buitenland wonen.
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek. Op de zitting heeft zij aangegeven dat zij de kinderen nooit aan het gezag van de man heeft onttrokken.
De rechtbank zal het verzoek van de man bij gebrek aan wettelijke grondslag afwijzen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Nu er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is bepaald, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2024-I, nu partijen in juni 2024 uit elkaar zijn gegaan.
Het gezin leefde uitsluitend van het inkomen van de man en toeslagen. Voor het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.700,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties van april tot en met juni 2024. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 229,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.052,- per maand in 2024. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Met het inkomen van de man hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 411,- per maand. Daarmee komt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen op € 4.463,- per maand (€ 4.052,- + € 411,-).
Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen (2024), leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.144,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.274,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht man
Voor de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 5.850,- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van december 2025 en januari 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 230,- per maand.
De man heeft aangegeven dat hij een auto van de zaak heeft en ervoor heeft gekozen om deze ook privé te gebruiken, omdat hij wekelijks twee keer op en neer moet rijden van [plaats 2] naar [plaats 3] , zijnde 1.668 kilometer per maand. Als de man ervoor had gekozen om de auto niet privé te rijden, zou hij € 326,- netto per maand meer salaris overhouden. De man acht het daarom redelijk om een bedrag van € 326,- onder post 134 van zijn draagkrachtberekening op te nemen. De vrouw heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het rapport en zal geen rekening houden met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak.
Verder heeft de man aangevoerd dat hij € 69,50 per maand aflost op een schuld bij het Sociaal Leenfonds. De rechtbank zal geen rekening houden met deze schuld, omdat zij de aflossing hiervan niet zwaarder wegend acht dan de onderhoudsplicht van de man voor zijn kinderen. Daarbij is gebleken dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld en deze eind 2026, dus op afzienbare termijn, volledig zal zijn afgelost. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de schuld mogelijk eerder kan worden afgelost met de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.214,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.110,- per maand
(70% x [4.214 - (0,3 x 4.214 + 1.365)]).
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat bij de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van een minimale draagkracht van € 50,- per maand. Nu gebleken is dat de vrouw geen inkomen heeft, zal de rechtbank uitgaan van een draagkracht van € 50,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
Gelet op de zorgregeling en nu de rechtbank ervan uitgaat dat de vakanties binnen afzienbare tijd bij helfte tussen partijen zullen worden gedeeld, vindt de rechtbank het redelijk om een zorgkorting van 25% toe te passen. De zorgkorting bedraagt dan € 319,- (25% van € 1.274,-).
De gezamenlijke draagkracht van de ouders is € 1.160,- per maand (€ 1.110,- + € 50,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de drie kinderen te voorzien. Er is een tekort van € 114,- (€ 1.110,- + € 50,- - € 1.274,-). De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking.
De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 262,- per maand (€ 319,- - € 57,-). Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 848,- per maand (€ 1.110,- - € 262,-).
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man, met ingang van de datum van deze beschikking, € 848,- per maand voor de drie kinderen samen aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.
Partneralimentatie
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft verzocht om vaststelling van een partneralimentatie van € 480,86 per maand. Zij heeft haar behoefte en aanvullende behoefte echter op geen enkele wijze onderbouwd. Het had, mede gelet op het door de man gevoerde verweer, op de weg van de vrouw gelegen haar verzoek deugdelijk te onderbouwen. Dit heeft de vrouw nagelaten. Daarbij moet de volledige draagkracht van de man worden aangewend voor de kosten van de kinderen, waardoor er aan de zijde van de man geen draagkracht meer resteert voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn op [dag] 2019 met elkaar gehuwd. Zij hebben op 11 juni 2019 huwelijkse voorwaarden opgemaakt, die op 27 maart 2020 en op 5 augustus 2020 zijn gewijzigd. De rechtbank stelt vast dat er per [dag] 2019 een algehele gemeenschap van goederen met uitzondering van erfenissen en schenkingen is overeengekomen. Bij wijziging van de huwelijkse voorwaarden op 27 maart 2020 is iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. Op 5 augustus 2020 zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd naar wederom de algehele gemeenschap van goederen waaronder uitdrukkelijk begrepen de op naam van de man staande woning te [adres] en de daaraan verbonden schulden, maar uitgezonderd kort samengevat toekomstige onroerende zaken en erfenissen en schenkingen die een echtgenoot heeft verkregen of zal verkrijgen of uit hetgeen door wederbelegging daarvoor in de plaats is getreden. Dit betekent dat een beperkte gemeenschap van goederen is overeengekomen.
Beperkte gemeenschap van goederen
De beperkte gemeenschap van goederen is door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ontbonden.
Bij de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden beperkte gemeenschap geldt als
peildatum 8 juli 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.
Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij de saldi van de bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 8 juli 2024.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de beperkte gemeenschap naar voren gebracht:
het woonhuis aan de [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening met nummer [rekeningnummer 12] ;
de inboedel;
contant geld dat zich in de woning bevindt;
e bankrekeningen;
1. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 13] op naam van de man;
2. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 14] op naam van de man;
3. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 15] op naam van de man;
4. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 16] op naam van de man;
5. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 17] op naam van de man;
6. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van de vrouw;
7. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
8. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
9. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw;
10. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw;
11. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 6] op naam van de vrouw;
12. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 7] op naam van de vrouw;
13. twee spaarrekeningen eindigend op [rekeningnummer 8] op naam van de vrouw;
14. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 10] op naam van de vrouw;
15. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 11] op naam van de vrouw;
16. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 18] op naam van de vrouw bij de Griekse Piraeus-Bank;
de auto van de man van het merk Dacia Logan met kenteken [kenteken] ;
een schuld bij het Sociaal Leenfonds (SUN).
Ad a. het woonhuis
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning moet worden verkocht. De vrouw heeft aangegeven dat zij hiermee instemt, op de voorwaarde dat het verkoopproces pas van start gaat zodra zij met de kinderen een huurwoning kan betrekken. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:178 BW volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Geen van beide partijen heeft verzocht om toedeling van de echtelijke woning. De rechtbank constateert dan ook dat beide partijen op zoek zullen moeten gaan naar andere woonruimte. De rechtbank zal partijen in deze procedure de duidelijkheid bieden die zij nodig hebben. De rechtbank zal aldus bepalen dat de woning moet worden verkocht aan een derde.
Daarbij heeft de man op de zitting aangegeven dat de vrouw nog zes maanden na de datum van deze beschikking met de kinderen in de echtelijke woning mag verblijven. De rechtbank zal daarom bepalen dat de datum van notarieel transport van de woning niet eerder zal zijn gelegen dan zes maanden na de datum van deze beschikking. De rechtbank overweegt dat de vrouw deze periode kan benutten om een andere woning te vinden voor haar en de kinderen. Dit brengt mee dat de vrouw de woning aldus over zes maanden moet hebben verlaten, ook als zij dan nog niet beschikt over nieuwe woonruimte. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw dit zal nakomen. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken van de man ten aanzien van de machtiging voor het geval de vrouw niet meewerkt aan de verkoop van de woning afwijzen. Verder heeft de man [bedrijf] Makelaardij te [vestigingsplaats] als verkoopmakelaar voorgesteld. Op de zitting is dit voorstel besproken en heeft de vrouw zich daar niet tegen verzet. De rechtbank zal daarvan uitgaan. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde.
Gebruiksvergoeding/verdeling gebruikers- en eigenaarslasten
De man heeft aangevoerd dat hij alle eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voldoet. Hij heeft verzocht te bepalen dat de vrouw per 5 juli 2024 een gebruiksvergoeding van € 632,- per maand aan de man verschuldigd is dan wel dat de vrouw per 5 juli 2024 de helft van de eigenaarslasten en de volledige gebruikerslasten van de woning voor haar rekening neemt te weten € 500,- gelijk aan 50% van de eigenaarslasten en € 132,- gelijk aan 100% van de gebruikerslasten. De man heeft aangegeven dat de (gebruiks)vergoeding kan worden verrekend met het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde van de woning.
De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft gesteld financieel niet in staat te zijn om de door de man verzochte gebruiksvergoeding te voldoen.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de vrouw sinds september 2024 de gebruikerslasten van de woning voldoet. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man voor zover dat betrekking heeft op vergoeding door de vrouw van de gebruikerslasten vanaf september 2024 afwijzen. De man heeft van de vrouw de helft van de eigenaarslasten en de volledige gebruikerslasten die hij vanaf 5 juli 2024 betaalt, gevorderd. Op grond van artikel 1:84 BW komen de kosten van de huishouding naar evenredigheid van hun inkomen/vermogen voor rekening van partijen samen. De eigenaarslasten van de echtelijke woning zijn, voor zover die niet vermogensvormend zijn, kosten van de huishouding. De rechtbank merkt de gebruikerslasten over de periode 5 juli 2024 – september 2024 en de hypotheekrentelasten tot aan de datum van ontbinding van het huwelijk aan als kosten van de huishouding. Gesteld noch gebleken is dat de man meer heeft bijgedragen dan waartoe hij op grond van de wet zou zijn gehouden. De rechtbank acht het redelijk dat de gebruikerslasten en de hypotheekrentelasten voor rekening komen van de man, nu hij beschikt over inkomen en de vrouw geen inkomen heeft. Nu de vrouw feitelijk het uitsluitend gebruik van de woning heeft, acht de rechtbank het redelijk dat zij na de ontbinding van het huwelijk de helft van de hypotheekrentelasten voor haar rekening neemt totdat de woning aan een derde is verkocht en overgedragen, voor zover mogelijk te voldoen/verrekenen met het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde van de woning op de datum van notarieel transport.
Door het betalen van aflossing via de twee annuïteitenhypotheken en de bankspaarhypotheek, wordt er vermogen gevormd. Immers, daardoor neemt de hypotheekschuld af en neemt de overwaarde toe. De aflossingen op de hypothecaire geldlening worden niet aangemerkt als kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW. De rechtbank zal bij de verdeling uitgaan van de omvang van de hypothecaire geldlening op de datum van het notarieel transport. Als gevolg daarvan deelt de vrouw mee in de toename van de overwaarde als gevolg van de aflossing door de man na de peildatum 8 juli 2024. Op grond van de artikelen 3:172 BW en 3:189 BW dienen partijen na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap naar evenredigheid van hun aandeel in de eigendom van de woning in deze kosten bij te dragen. Dit betekent dat de vrouw vanaf 8 juli 2024 tot de datum van notarieel transport van de woning gehouden is om de helft van de maandelijkse aflossing te betalen, voor zover mogelijk te voldoen/verrekenen met het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde van de woning op de datum van notarieel transport. De rechtbank is niet in staat om aan de hand van de ingediende stukken vast te stellen welke bedragen respectievelijk aan rente en aflossing verschuldigd zijn. De man is gehouden de vrouw voorafgaand aan het notarieel transport te voorzien van de stukken van de bank waaruit dit blijkt.
Verder overweegt de rechtbank ten aanzien van de gebruiksvergoeding als volgt. Op grond van artikel 1:165 lid 1 BW ziet het verzoek om een gebruiksvergoeding uitsluitend op de periode na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Nu de rechtbank oordeelt dat de vrouw vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot aan de verkoop van de echtelijke woning de helft van de hypotheekrentelasten moet betalen en daarnaast vanaf 8 juli 2024 tot de datum van notarieel transport de aflossing voor de helft voor haar rekening komt, terwijl ook de kinderen van partijen gedurende de volledige tijd gebruik maken van de woning, acht de rechtbank het niet redelijk om over de naar het zich laat aanzien relatief korte periode vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot de verkoop van de woning ook nog een gebruiksvergoeding aan de vrouw op te leggen. Gelet hierop zal de rechtbank dit verzoek van de man afwijzen.
Ad b. de inboedel en sieraden
De man heeft aangegeven dat hij de inboedel en de niet aan de vrouw verknochte sieraden bij helfte wenst te delen onder verrekening van de waarde. Hij heeft daarbij naar voren gebracht dat hij twee ringen aan de vrouw heeft teruggegeven.
De vrouw heeft gesteld dat de man zowel zijn eigen sieraden als sieraden van de vrouw heeft meegenomen. De vrouw wil haar sieraden ontvangen.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank overweegt dat de situatie van de sieraden onduidelijk is. Niet duidelijk is geworden welke partij over welke sieraden beschikt en wat de waarde daarvan zou zijn. Daarom kan de rechtbank daar niet over beslissen.
Na de zitting is gebleken dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de inboedel. De man heeft verzocht om de inboedel genoemd op de door hem overgelegde inboedellijst aan hem toe te delen zonder nadere verrekening met de vrouw. De vrouw heeft gereageerd op de door de man overgelegde inboedellijst. Zij wil dat de door haar gearceerde inboedel aan haar wordt toegedeeld. Daarbij gaat zij ervan uit dat de inboedel die niet op de lijst staat bij de vrouw zal blijven. Nu partijen over de inboedellijst geen overeenstemming hebben bereikt, zal de rechtbank bepalen dat de inboedel tussen partijen in onderling overleg bij helfte zal worden verdeeld.
Ad e. de auto
De man heeft aangegeven dat hij de auto contant heeft verkocht voor een bedrag van
€ 700,-. De man heeft verzocht te bepalen dat hij een bedrag van € 350,- aan de vrouw is verschuldigd.
De vrouw heeft zich aanvankelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de zitting heeft de vrouw gesteld dat de man mogelijk meer dan € 700,- voor de auto heeft ontvangen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door man overgelegde ANWB koerslijst (productie 24) blijkt dat de waarde van de auto bij verkoop door een particulier € 750,- zou bedragen. Gelet hierop komt de rechtbank de stelling van de man dat hij voor de auto € 700,- heeft ontvangen niet onaannemelijk voor. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd waarom van een hogere verkoopwaarde zou moeten worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom conform het verzoek van de man bepalen dat de man € 350,- aan de vrouw moet vergoeden.
Ad f. schuld bij SUN
De man heeft aangegeven dat partijen in juni 2023 een schuld bij SUN zijn aangegaan ter hoogte van € 2.500,-. De man heeft verzocht te bepalen dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld.
De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide partijen tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW. Partijen zijn het erover eens dat de schuld op de peildatum € 1.973,83 bedroeg. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de schuld bij SUN en dat ieder voor de helft daarvan draagplichtig is, op grond van artikel 1:100 BW.
Ad c en d. contant geld en bankrekeningen/overleggen stukken/verbeuren aandeel gemeenschap/vergoedingsrecht/benadeling gemeenschap
Gelet op de samenhang van deze onderwerpen zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken.
De man heeft verzocht te bepalen, bij wijze van incidenteel verzoek en voordat wordt beslist in de hoofdzaak, dat de vrouw afschriften van de banksaldi en bankrekeningen van de vrouw van zes maanden voor de peildatum tot aan de peildatum, een overzicht van het contante geld dat in de echtelijke woning aanwezig was, de eigendomsakte van de woning in Griekenland en de Griekse bankrekening van de vrouw dient te overleggen op straffe van verbeurte van een dwangsom. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen, nu de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht om een eindbeschikking te wijzen.
De vrouw heeft voorafgaand aan de peildatum op eigen naam een appartement gekocht in Griekenland. Dit staat niet ter discussie tussen partijen, zodat de rechtbank partijen daarin zal volgen. Wel staat tussen partijen ter discussie of de aankoop van dit appartement is gefinancierd met geld van de gemeenschap zoals de man heeft gesteld of met buiten de gemeenschap vallend privévermogen van de vrouw zoals de vrouw heeft gesteld.
De vrouw heeft aangevoerd dat het appartement in Griekenland geen onderdeel uitmaakt van de gemeenschap, omdat het is gekocht met geld dat afkomstig is uit haar aandeel in de erfenis van haar in 2009 overleden vader en de huwelijkse voorwaarden van partijen bepalen dat erfenissen geen onderdeel uitmaken van de gemeenschap van goederen. De door de vrouw ontvangen erfenis bestond uit een huis in Syrië en op 21 april 2024 heeft zij dit huis voor 1.576.000.000 SYP, omgerekend naar euro’s € 70.323,-, aan een broer verkocht. De vrouw heeft de koopsom diezelfde dag in contanten en in euro’s via een andere broer van de vrouw in Libanon ontvangen. Vervolgens heeft zij dit bedrag aan contanten meegenomen naar Griekenland en aldaar bij de douane aangegeven. De vrouw heeft in Griekenland voor € 30.000,- een appartement gekocht. Op de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij de resterende € 40.000,- aan een broer heeft betaald als vergoeding voor de kosten die hij voor haar had gemaakt in verband met het betalen van onder andere een mensensmokkelaar, vliegtickets en het verkrijgen van officiële documenten.
De man heeft betwist dat de vrouw een erfenis van haar vader heeft verkregen van € 70.000,-. De vrouw heeft aangetoond dat haar vader is overleden, maar alle overige stellingen heeft zij niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Daarnaast heeft de man gesteld dat de vrouw de afgelopen jaren aanzienlijke bedragen in contanten heeft opgenomen van de bankrekeningen. De man heeft aangegeven dat hij over de jaren 2022, 2023 en 2024 (tot juli) in totaal een bedrag van € 102.623,96 aan de vrouw heeft overgemaakt. De man ging ervan uit dat de vrouw dit geld op een spaarrekening apart zette. De man heeft gesteld dat de vrouw een bedrag van € 101.000,- heeft laten verdwijnen. De man heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vrouw dit bedrag, dan wel een bedrag van € 70.000,-, heeft zoekgemaakt/verborgen heeft gehouden terwijl zij wist dat dit geld tot de gemeenschap behoorde en dat zij daarom haar aandeel daarin aan de man heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. Subsidiair heeft de man gesteld dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt voor de helft van een bedrag van € 101.000,- dan wel € 70.000,-, op grond van artikel 1:95 lid 2 BW in samenhang met artikel 1:96 lid 4 BW met toepassing van de beleggingsleer dan wel met toepassing van de nominaliteitsleer. Meer subsidiair heeft de man gesteld dat er sprake is van benadeling door de vrouw van de gemeenschap in de periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum in de zin van artikel 1:164 BW ter grootte van € 101.000,- dan wel € 70.000,-, die de vrouw aan de gemeenschap dan wel de man moet vergoeden. Op de zitting heeft de man zijn subsidiaire verzoek voor zover dat ziet op de beleggingsleer ingetrokken. Ook heeft de man op de zitting zijn verzoeken gewijzigd, in die zin dat hij nu verzoekt om vergoeding van het totale bedrag aan door de vrouw opgenomen contant geld zoals blijkt uit de bankafschriften, in plaats van een bedrag van € 70.000,-.
Uit de bankafschriften die de vrouw kort voor de zitting in het geding heeft gebracht, leidt de rechtbank af dat zij in de periode van 8 januari 2024 tot 8 juli 2024 voor in totaal € 87.000,- aan contant geld heeft opgenomen van de op haar naam staande bankrekening bij de ING bank met nummer [rekeningnummer 4] . Hierbij is de rechtbank uitgegaan van alle contante geldopnames bij een geldautomaat van € 650,- of meer per opname. De vrouw heeft gesteld dat de bedragen die in 2022 en 2023 zijn opgenomen, zijn besteed aan de kosten van de huishouding. Voor zover de man heeft gesteld dat sprake is van bedragen die de vrouw in de periode voor 8 januari 2024 zoekgemaakt/verborgen heeft gehouden terwijl zij wist dat dit geld tot de gemeenschap behoorde, acht de rechtbank niet onaannemelijk dat deze bedragen zijn besteed aan kosten van de huishouding. Gelet op het verweer van de vrouw zal de rechtbank aan deze niet nader onderbouwde stelling van de man voorbijgaan. Desgevraagd heeft de vrouw op de zitting verklaard dat zij in 2024 geldbedragen opnam, omdat zij bang was dat de man haar geen geld meer zou geven voor het doen van boodschappen. Waar dit in 2024 voorafgaand aan de peildatum door de vrouw opgenomen geld is gebleven of waaraan het is besteed, is op de zitting onduidelijk gebleven.
In dit kader merkt de rechtbank op dat zij reeds in haar brief van 30 oktober 2025 de vrouw onder meer heeft verzocht om bankafschriften over te leggen van al haar bankrekeningen in binnen- en buitenland over de periode van 8 januari 2024 tot 8 juli 2024 en stukken waaruit blijkt hoe de op haar naam staande onroerende zaak in Griekenland is gefinancierd zodat het verloop van de geldstromen duidelijk wordt. De vrouw heeft pas twee dagen voor de zitting, op 25 februari 2026, stukken overgelegd, waaronder bankafschriften van één op haar naam staande Nederlandse bankrekening. Daarbij heeft de vrouw geen volledig inzicht verschaft in de geldstromen ten aanzien van de door de vrouw gestelde financiering met privévermogen van het appartement in Griekenland, aangezien de vrouw alleen een factuur van een Griekse notaris, een Nederlandse vertaling van het koopcontract van 26 april 2024 ten aanzien van een appartement in Griekenland bij de Griekse notaris en bewijzen van de Piraeus-Bank dat de vrouw in de periode 23 t/m 25 april 2024 in totaal afgerond € 50.000,- aan contanten heeft gestort op een bankrekening eindigend op [rekeningnummer 18] heeft overgelegd. Gelet hierop en nu de man de stellingen van de vrouw gemotiveerd heeft betwist, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat ze de aankoop van het appartement in Griekenland heeft gefinancierd met privévermogen dat afkomstig is uit haar erfdeel in de nalatenschap van haar vader. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw niet gewerkt en heeft de man het inkomen binnengebracht waarvan partijen hebben gespaard. Het heeft er daarom alle schijn van dat de vrouw het geld dat zij van de Nederlandse bankrekening heeft opgenomen naar Griekenland heeft meegenomen en onder meer heeft gebruikt om daar op eigen naam het appartement te kopen. Als de vrouw geld van de gemeenschap heeft gebruikt om op eigen naam een onroerende zaak te verwerven, vindt geen zaaksvervanging in de zin van artikel 3:167 BW plaats. Voor zaaksvervanging in een dergelijk geval is niet voldoende dat het goed verkregen wordt met middelen die aan partijen gemeenschappelijk toebehoren.
De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat de vrouw in 2024 voorafgaand aan de peildatum een bedrag van € 87.000,- heeft opgenomen van een op haar naam staande bankrekening die tot de gemeenschap behoorde en dit bedrag heeft zoekgemaakt/verborgen heeft gehouden, terwijl de vrouw wist dat het tot de gemeenschap behoorde. De wet kent hieraan de zware sanctie toe van het verbeuren van het eigen aandeel daarin. Een dergelijke zware sanctie is op zijn plaats omdat sprake is van een ernstige, en in een situatie van een gemeenschap gemakkelijk te plegen vorm van bedrog.
De rechtbank overweegt dat de vrouw haar aandeel heeft verbeurd en zal de vrouw veroordelen tot vergoeding aan de man van een bedrag van € 87.000,-. Dit bedrag zal ter gelegenheid van het notarieel transport van de echtelijke woning voor zover mogelijk worden verrekend met het aan de vrouw toekomende aandeel in de overwaarde.
Nu de rechtbank van oordeel is dat de vrouw haar aandeel in de contante opnames van de tot de gemeenschap behorende bankrekening aan de man heeft verbeurd en daarmee het primaire verzoek van de man wordt toegewezen tot een bedrag van € 87.000,-, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de man. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man te bepalen dat de man de helft van het contante geld toekomt dat zich op 5 juli 2024 in de echtelijke woning bevond afwijzen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ten aanzien van de Nederlandse bankrekeningen van partijen bepalen dat deze worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de rekening staat, met verrekening van de saldi per peildatum. De contante opnames door de vrouw hebben voor de peildatum plaatsgevonden, waardoor ook het saldo op de bankrekening van de vrouw eindigend op [rekeningnummer 4] per peildatum bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Hierbij is geen sprake van een dubbeltelling. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw inzage zal verschaffen in de saldi van alle op haar naam staande bankrekeningen op de peildatum, nu de man reeds inzage heeft verschaft in de saldi van alle op zijn naam staande bankrekeningen per peildatum.
Ten aanzien van de Griekse bankrekening van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor overwogen heeft de vrouw gesteld dat zij van het bedrag van € 70.000,- een bedrag van € 30.000,- heeft aangewend voor de koop van het appartement in Griekenland en de resterende € 40.000,- aan haar broer heeft betaald. Volgens de vrouw resteert er dan ook niets meer op de Griekse bankrekening. De man heeft gesteld dat er wel nog een bedrag op de Griekse bankrekening van de vrouw staat, te weten een bedrag van € 40.000,-. De rechtbank overweegt dat de vrouw geen inzage heeft verschaft in het saldo op de Griekse bankrekening op de peildatum. De rechtbank kan aldus niet vaststellen of, en zo ja welk bedrag er op de Griekse bankrekening stond op de peildatum. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat in het midden kan blijven wat de vrouw na het zoekmaken/verborgen houden van het geld van de gemeenschap daarmee heeft gedaan, is het niet ondenkbaar dat een deel daarvan op de peildatum aanwezig was op de Griekse bankrekening van de vrouw. Gelet hierop en om een mogelijke dubbeltelling met de veroordeling tot vergoeding door de vrouw van een bedrag van € 87.000,- aan de man te voorkomen, ligt het op de weg van de vrouw om volledige openheid van zaken te geven.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum van deze beschikking en het meer of anders verzochte ten aanzien van de afwikkeling van de beperkte gemeenschap van goederen afwijzen.
Pensioenverevening
De vrouw maakt aanspraak op pensioenverevening.
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 1:155 BW na echtscheiding recht bestaat op pensioenverevening overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze wet de toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten. Nu het recht op pensioenverevening rechtstreeks uit de wet volgt, zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot de pensioenverevening bij gebrek aan belang afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2019 te [plaats 1] ;
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de kinderen bij de man zullen zijn volgens de reguliere zorgregeling:
- om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
bepaalt dat voor de kinderen de volgende vakantie- en feestdagenregeling geldt:
- op Vaderdag: de kinderen verblijven bij de man;
- de kinderen zijn de helft van de feestdagen bij de man, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen;
- met betrekking tot de zomervakantie: de kinderen verblijven in de zomervakantie 2026 één week en met ingang van de zomervakantie 2027 twee weken aaneengesloten bij de man en de overige weken bij de vrouw, waarbij de man in de even jaren de eerste keus heeft en de vrouw in de oneven jaren de eerste keus heeft;
- ten aanzien van de herfstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- ten aanzien van de kerstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de eerste week inclusief de beide kerstdagen bij de man en de tweede week inclusief Oud & Nieuw bij de vrouw en in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
- met betrekking tot de voorjaarsvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- ten aanzien van de meivakantie: de kinderen verblijven in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 848,- per maand voor de drie kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening met nummer [rekeningnummer 12] :
1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week na de datum van deze beschikking een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan [bedrijf] Makelaardij te [vestigingsplaats] tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, waarbij geldt dat de notariële overdracht van de woning niet eerder zal zijn gelegen dan zes maanden na de datum van deze beschikking;
aan de man worden toegedeeld:
- in overleg met de vrouw de helft van de inboedel in de echtelijke woning;
- de bankrekeningen op naam van de man, onder verrekening van de helft
van de saldi per 8 juli 2024 met de vrouw;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- in overleg met de man de helft van de inboedel in de echtelijke woning;
- de bankrekeningen op naam van de vrouw, onder verrekening van de helft
van de saldi per 8 juli 2024 met de man;
bepaalt dat aan de man een vordering op de vrouw toekomt ter hoogte van de helft van de vermogensvormende maandelijkse aflossing op de hypothecaire geldlening, ingaande 8 juli 2024 tot de datum van het notarieel transport, welke vordering partijen voor zover mogelijk dienen te verrekenen met de overwaarde van de echtelijke woning;
bepaalt dat aan de man een vordering op de vrouw toekomt ter hoogte van de helft van de hypotheekrentelasten, ingaande de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot de dag van het notarieel transport, welke vordering partijen voor zover mogelijk dienen te verrekenen met de overwaarde van de echtelijke woning;
bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 350,- dient te voldoen uit hoofde van verkoop van de auto van de man;
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld bij het Sociaal Leenfonds (SUN) voor zijn/haar rekening dient te nemen;
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 87.000,- in verband met het verbeuren van haar aandeel in de gemeenschap tot dit bedrag op grond van artikel 3:194 lid 2 BW, ter gelegenheid van het notarieel transport van de echtelijke woning voor zover mogelijk te verrekenen met het aan de vrouw toekomende aandeel in de overwaarde;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding –uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 maart 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
