Essentie (gemaakt door AI)
HVP en omgang/zorgregeling worden drie maanden aangehouden in afwachting van ouderschapsbemiddeling, waarin ouders omgang tussen minderjarige en vader willen herstellen en drempel bij minderjarige willen verlagen. Beslissing over HVP volgt na regeling gezamenlijk gezag. Kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 616 p/m vanaf 9-7-2025 en op € 644 p/m vanaf 1-1-2026 (index). Ingangsdatum op datum verzoek. Zorgkorting 5% wegens geen feitelijke omgang. Vader is onderhoudsplichtig voor twee minderjarigen en heeft voldoende draagkracht om beide aandelen te voldoen.| Datum publicatie | 28-04-2026 |
| Zaaknummer | C/16/597068 / FL RK 25-810 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Lelystad |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Alimentatie; Percentage zorgkorting |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
HVP, omgang/zorgregeling aangehouden. Ouders willen omgang tussen mj en vader en drempel bij mj weg nemen. Ouders naar obm. Kinderalimentatie: vader onderhoudsplichtig voor 2 mjen. Draagkracht vader is voldoende om aandelen van beide kinderen te voldoen.Volledige uitspraak
Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/597068 / FL RK 25-810
Gezag, hoofdverblijfplaats, omgang en kinderalimentatie
Beschikking van 30 maart 2026
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. T.A. Bouman,
tegen
[de vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. S. Flantua.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 9 juli 2025;
-
het verweerschrift van de vader (met bijlagen) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 16 september 2025;
-
de brief van de vader (met bijlagen) van 5 februari 2026;
-
het aanvullende/gewijzigde verzoekschrift van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 9 februari 2026;
-
het bericht van de moeder (met bijlage) van 10 februari 2026;
-
het bericht van de vader (met bijlagen) van 10 februari 2026.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: de ouders met hun advocaten, [A] student-stagiair bij het kantoor van de advocaat van de moeder en [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige 1] , de zoon van de ouders, niet gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
2Waar de procedure over gaat
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
Zij hebben samen een kind: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] . [minderjarige 1] woont bij de moeder.
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] . Dat betekent dat de moeder zelfstandig de belangrijke beslissingen over het kind kan nemen.
De vader heeft met zijn huidige partner, [A] , een kind gekregen: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats 2] .
De moeder verzoekt, na wijziging en aanvulling van haar verzoeken:
I. te bepalen de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij haar is;
II. te bepalen dat de bijdrage van de vader aan de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van 12 februari 2025 wordt vastgesteld op een bedrag van € 676,- per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
III. primair: vaststelling van een omgangsregeling af te wijzen, althans aan te houden, nu omgang op dit moment niet in het belang van [minderjarige 1] is;
IV. subsidiair: te bepalen dat omgang tussen de man en [minderjarige 1] uitsluitend kan plaatsvinden in een begeleide setting en pas na een voorbereidend traject, waarbij het tempo en de frequentie worden afgestemd op wat [minderjarige 1] emotioneel aankan;
V. meer subsidiair: de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken onderzoek te doen, althans een bijzondere curator te benoemen, alvorens een beslissing te nemen over omgang.
De vader is het met het verzoek over de hoofdverblijfplaats eens. Hij verzoekt de rechtbank:
-
te bepalen dat [minderjarige 1] om de week van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, bij zijn vader zal verblijven;
-
te bepalen dat vader met ingang van 9 juli 2025 zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met een bedrag ad € 448,- per kind per maand, dan een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage die in overeenstemming is met de behoefte van [minderjarige 1] en de draagkracht van de man;
-
kosten rechtens, inhoudende dat iedere partij zijn/haar eigen kosten draagt.
3De beoordeling
Nog geen beslissing de hoofdverblijfplaats en de omgangs-/zorgregeling
De rechtbank zal nu nog geen beslissing de hoofdverblijfplaats en de omgangs-/zorgregeling nemen, maar de beslissing nog drie maanden uitstellen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De ouders waren in de veronderstelling dat zij gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] hadden geregeld, maar tijdens de zitting is hen duidelijk geworden dat dit niet het geval is. De ouders hebben afgesproken dat alsnog samen te gaan regelen. Tot die tijd beslist de rechtbank niet over de hoofdverblijfplaats. De moeder wil graag een beslissing op haar verzoek en de vader is het ermee eens, maar zolang de moeder alleen het gezag heeft kan zo’n verzoek niet bij de rechtbank worden gedaan, omdat de moeder het dan alleen mag bepalen. Zodra de ouders het gezamenlijk gezag hebben geregeld, zal de rechtbank hierover een beslissing nemen.
De rechtbank wil van de ouders daarnaast bericht krijgen of zij over de omgangs-/zorgregeling wel of niet samen afspraken hebben kunnen maken en hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.
De ouders hebben namelijk tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij met hulp van ouderschapsbemiddeling nog een keer met elkaar willen praten. De ouders hebben afgesproken dat zij zich bij KLEM.nu of PACT mediation aanmelden, of een andere geschikte hulpverleningsinstantie die de ouders (waar nodig na overleg met hun advocaten) inschakelen. De ouders hebben afgesproken de kosten van het hulpverleningstraject als volgt te dragen: de vader betaalt de eerste vijf sessies en daarna zullen de kosten 50/50 gedeeld worden. De rechtbank wil van de ouders over drie maanden een bericht krijgen of zij er wel of niet samen zijn uitgekomen en hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.
Sinds augustus 2025 is er geen contact meer tussen [minderjarige 1] en de vader. De ouders hebben wel geprobeerd om telefonisch contact te laten plaatsvinden, maar daarop gaf [minderjarige 1] zo’n heftige emotionele reactie dat er geen contact heeft plaatsgevonden. [minderjarige 1] is aangemeld bij de Kinderkliniek voor therapie. Hij heeft het 22q11 syndroom (Deletie syndroom) en een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Op school krijgt hij logopedie van Viertaal, maar de vraag is of vertraagde ontwikkeling door de TOS is te verklaren of dat er sprake is van bredere problematiek.
De moeder wil graag dat [minderjarige 1] zijn vader weer ziet, maar wil graag weten hoe ze hem kan helpen om de drempel die hij lijkt te voelen, over te gaan. De vader heeft verteld dat hij het ook heel moeilijk vindt als [minderjarige 1] zo’n weerstand voelt om naar hem toe te gaan, juist omdat hij dat in zijn jeugd zelf ook zoiets heeft meegemaakt en [minderjarige 1] niet wil dwingen. De rechtbank constateert dat beide ouders het erover eens zijn dat [minderjarige 1] een fijn contact met hen allebei moet hebben, maar worstelen met de vraag ‘hoe’. Daarom is het heel goed dat zij hulp willen en allebei deze stap voor [minderjarige 1] willen zetten. De Raad heeft de ouders hier ook over gecomplimenteerd. Hieruit blijkt dat beide ouders, ook in deze ingewikkelde situatie, het belang van [minderjarige 1] voorop zetten en daarbij letten op wat [minderjarige 1] nodig heeft. Verder is besproken dat de ouders kunnen beginnen door een informele ontmoeting te laten plaatsvinden tussen [minderjarige 1] en de vader, waarbij de ouders elkaar ‘toevallig’ tegenkomen op bijvoorbeeld de kinderboerderij.
Kinderalimentatie
De rechtbank beslist dat de vader een bedrag van € 616,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, vanaf 9 juli 2025. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de moeder en van de vader afwijst.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van de ouders, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting.
1 Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage vaststellen of wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum 9 juli 2025 (datum indiening verzoekschrift). De moeder vindt dat er met ingang van 12 februari 2025 al kinderalimentatie moet worden betaald, omdat haar advocaat toen een brief aan de vader heeft gestuurd en heeft aangegeven graag samen goede afspraken te willen maken over de te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] . Als er een latere datum wordt gehanteerd, voelt de moeder zich gestraft voor het feit dat zij eerst heeft geprobeerd om in overleg met de vader tot overeenstemming over de kinderalimentatie te komen, alvorens naar de rechter te gaan.
De rechtbank begrijpt wat de moeder zegt, en dat dit een lastige afweging is voor partijen en hun advocaten, maar vindt het toch redelijker om de datum van indiening van het verzoekschrift (9 juli 2025) als ingangsdatum te hanteren. Zoals de vader terecht heeft aangevoerd, heeft de moeder haar minnelijke verzoeken destijds niet onderbouwd. De vader kon toen redelijkerwijs dus ook nog niet kon inschatten wat hij dan had moeten betalen. Kortom: er lag in februari 2025 dus niet al een kant en klaar minnelijk verzoek met een berekening en onderliggende stukken. Dat had het oordeel van de rechtbank over de ingangsdatum mogelijk anders gemaakt, want de rechtbank is het wel eens met de stelling van de moeder dat ouders niet de dupe moeten worden als zij juist proberen minnelijke oplossingen te bereiken. In dit geval vindt de rechtbank de poging die gedaan is echter te weinig concreet om daarbij aan te knopen voor de ingangsdatum.
De behoefte van [minderjarige 1]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 1] vast op een bedrag van € 937,- per maand in 2025. Zij heeft dat als volgt berekend.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2024, omdat de ouders toen nog samen waren.
Voor het inkomen van de moeder in 2024 gaat de rechtbank uit van de aangifte inkomstenbelasting 2024 waar een inkomen bij [bedrijf] B.V. staat van
€ 27.099,- bruto per jaar. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting waar de moeder toen recht op had. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder bedroeg dan in 2024 € 2.258,- per maand.
2
Voor het inkomen van de vader gaat de rechtbank uit van de gemiddelde winst uit onderneming van Renes Bouw over de jaren 2022 tot en met 2024. De vader zegt dat de winst in 2022 € 49.012,- bruto per jaar bedroeg. De rechtbank heeft daarvan geen stukken, maar zal daarvan uitgaan omdat de moeder het daarmee eens is. De winst in 2023 bedroeg € 87.637,- en in 2024 € 76.138,- bruto per jaar. Dit blijkt uit het aangiftebiljet 2023 van [website] en het rapport aangifte inkomstenbelasting 2024 van de vader. Verder wordt rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek. Het netto besteedbaar inkomen van de vader bedroeg dan in 2024 € 4.247,- per maand.
3
Het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders bedroeg dan € 6.505,- per maand in 2024.
Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan het kind werd uitgegeven en wat dus de behoefte van het kind is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.505,-, gemiddeld € 880,- per maand uitgaven voor hun kind in 2024. Geïndexeerd in verband met de inflatie is dat in 2025 € 937,- per maand.
4
De behoefte van [minderjarige 2]
De vader is onderhoudsplichtig voor al zijn kinderen, dus niet alleen voor [minderjarige 1] , maar ook voor [minderjarige 2] . Om te kunnen beoordelen wat de behoefte van [minderjarige 2] is, moet de rechtbank vaststellen wat de vader en zijn partner nu te besteden hebben. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 2] vast op een bedrag van € 384,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit bedrag komt.
Uit de overgelegde stukken – het adres op de uitkeringsspecificaties van de partner, de toekenning van haar bijstandsuitkering en het adres op de jaarstukken van de vader – concludeert de rechtbank dat de vader en zijn partner niet samenwonen. De rechtbank volgt daarom de aanbeveling die de Expertgroep Alimentatie voor die situatie geeft. Die aanbeveling houdt in dat in dat geval de behoefte wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief kindgebonden budget). Zo wordt bij iedere ouder de behoefte berekend alsof het kind bij die ouder opgroeit. Ook met andere (fictieve) fiscale aanspraken, zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting, wordt rekening gehouden.
Voor het inkomen van de vader gaat de rechtbank uit van de gemiddelde van de winst uit onderneming in 2024 (€ 76.138,-) en de prognose 2025 (€ 44.818,-). De rechtbank vindt het niet redelijk om uit te gaan van het gemiddelde over de jaren 2022 en 2023, omdat de vader toen nog geen relatie had met zijn huidige partner en [minderjarige 2] in 2025 is geboren. Het inkomen van de vader bedraagt € 3.800,- per maand
5. Nu de rechtbank weet wat de vader te besteden heeft, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan het kind kan worden uitgegeven en wat dus de behoefte van het kind is op basis van het inkomen van de vader. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat een ouder bij een inkomen van € 4.160,- per maand, inclusief kindgebonden budget, gemiddeld € 567,- per maand uitgeeft voor zijn kind in 2025.
6
De partner van de vader ontvangt vanaf 17 november 2025 een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder. Dat volgt uit de brief van de gemeente Almere van 28 januari 2026. Het inkomen van de partner bedraagt dan € 1.369,- netto per maand
7. Volgens de tabellen geeft een ouder bij een inkomen van € 1.861,- per maand, inclusief kindgebonden budget, gemiddeld € 200,- per maand uit voor haar kind in 2025.
8
De behoefte van het kind stelt de rechtbank vast op het gemiddelde van de twee berekende behoeftes, namelijk ((567 + 200) / 2 =) € 384,- per maand.
De draagkracht van de onderhoudsplichtigen
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kind voorzien.
9
Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
Bij een netto besteedbaar inkomen tot € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ waarin vaste bedragen aan draagkracht zijn vermeld. In die tabel wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Daarvan is, afhankelijk van de hoogte van het netto besteedbaar inkomen, 70% tot 100% beschikbaar voor kinderalimentatie.
De draagkracht van de moeder
De draagkracht van de moeder berekent de rechtbank op € 467,- per maand.
10 De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2025 bij N.W. Hesselmans & Zonen B.V., waarop een belastbaar loon van € 27.991,- bruto per jaar is vermeld. De ouders zijn het hierover eens. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget van € 5.900,- per jaar en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen is dan
€ 2.824,- per maand.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de moeder een draagkracht van (70% [2.824 – (0,3 x 2.824 + 1.310)]=) € 467,- per maand.
De draagkracht van de vader
De draagkracht van de vader berekent de rechtbank op € 1.132,- per maand.
11 De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van het gemiddelde van de winst uit onderneming van Renes Bouw in 2023, 2024 (zie 3.12) en de prognose 2025 (€ 44.818,-). De ouders zijn het hierover eens. Verder wordt rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 4.182,- per maand.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vader een draagkracht van (70% [4.182 – (0,3 x 4.182 + 1.310)]=) € 1.132,- per maand.
De draagkracht van de partner van de vader
De draagkracht van de partner van de vader berekent de rechtbank op € 25,- per maand.
12 De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder en een kindgebonden budget van € 5.900,- per jaar. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 1.861,- per maand.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachttabel geldend in 2025 heeft de partner van de vader een draagkracht van € 25,- per maand.
De verdeling van de kosten
Bij het bepalen van het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is, zal zoals hiervoor ook is overwogen rekening moeten worden gehouden met de onderhoudsplicht van de andere onderhoudsplichtige ouders, aangezien de omvang van ieders onderhoudsverplichting in beginsel moet worden vastgesteld naar rato van ieders draagkracht.
De rechtbank zal per ‘gezin’ de volledige draagkracht van iedere onderhoudsplichtige met elkaar vergelijken om het aandeel van iedere onderhoudsplichtige in de kosten van zijn/haar kind te bepalen.
Daarna zal worden bekeken of iedere onderhoudsplichtige voldoende draagkracht heeft om de berekende aandelen te kunnen betalen.
Voor [minderjarige 1] hebben de vader en de moeder in totaal (1.132 + 467 =) € 1.599,- per maand beschikbaar. De behoefte van [minderjarige 1] is € 937,- per maand. De vader en de moeder hebben dus samen voldoende draagkracht voor de kosten van [minderjarige 1] . Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] bedraagt ((1.132 / 1.599) x 937 =) afgerond € 663,- per maand.
Voor [minderjarige 2] hebben de vader en zijn partner in totaal (1.132 + 25 =) € 1.157,- per maand beschikbaar. De behoefte van [minderjarige 2] is in totaal € 384,- per maand. De vader en zijn partner hebben dus samen voldoende draagkracht voor de kosten van [minderjarige 2] . Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 2] bedraagt ((1.132 / 1.157) x 384 =) afgerond € 376,- per maand.
De aandelen van de vader in de kosten van de kinderen bedragen dan in totaal
(663 + 376 =) € 1.039,- per maand. De draagkracht van de vader van € 1.132,- per maand is voldoende om deze aandelen allebei te kunnen voldoen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de draagkracht van de vader nog verder te verdelen over de kinderen.
De zorgkorting
De rechtbank kan de bijdrage van de vader verlagen met een percentage van de behoefte van het kind of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
Het percentage van de zorgkorting hangt af van de omgangs/zorg-regeling. Bij de regeling die de ouders hadden afgesproken, past een zorgkorting van 15%. De vader vindt dat er wel een zorgkorting toegepast moet worden, want hij vindt dat hij niet ‘gestraft’ moet worden voor het stopzetten van de regeling door de moeder, want de vader wil(de) graag omgang. De rechtbank houdt echter geen rekening met 15% zorgkorting, omdat er nu geen omgang plaatsvindt. Door dat hogere percentage wel toe te passen, zou [minderjarige 1] daarvan de dupe worden. Voor zijn levensonderhoud wordt dan immers minder bijgedragen, terwijl hij die zorg ook niet in natura heeft gekregen. De rechtbank vindt het wel redelijk om een zorgkorting toe te passen van 5% van de behoefte (5% x € 937 = € 47,-), omdat de ouders beide willen dat de omgang weer wordt opgestart. Zodra de omgang is opgebouwd, kunnen de ouders zelf de hogere zorgkorting toepassen.
Dat betekent dat de vader een bedrag van (663 -/- 47 =) € 616,- per maand moet betalen.
Indexering
Aangezien de door de vader te betalen kinderalimentatie van € 616,- per maand ingaat op een datum die is gelegen vóór 1 januari 2026, verhoogt de rechtbank voormeld bedrag per
1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4.6%. De kinderalimentatie bedraagt dan per 1 januari 2026 € 644,- per maand.
Alimentatie vooruitbetalen
De rechtbank beslist dat de vader de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing deels uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.
4De beslissing
De rechtbank:
beslist dat de vader vanaf 9 juli 2025 een bedrag van € 616,- per maand en vanaf
1 januari 2026 een bedrag van € 644,- per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] ;
beslist dat de vader vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de omgangs-/zorgregeling voor drie maanden aan, in afwachting van de uitkomst van de ouderschapsbemiddeling, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:
-
of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
-
of een nieuwe zitting nodig is;
-
of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;
|
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de moeder 2024
|
Partij |
Alimentatiegerechtigde |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
Kinderalimentatie |
|
Tarieven |
2024-2 |
|
Datum uitdraai |
18-03-2026 |
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
60 |
Loon volgens jaaropgaaf |
€ |
27.099 |
||||
|
|
|||||||
|
59 |
Inkomsten (transport) |
€ |
27.099 |
||||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020) |
€ |
10.018 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
27.099 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
10.018 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
10.834 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.211 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
5.215 |
jaar |
||||
|
Combinatiekorting |
€ |
2.408 |
jaar |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
2.258 |
||||
Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de vader 2024
|
Partij |
Alimentatieplichtige |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
Kinderalimentatie |
|
Tarieven |
2024-2 |
|
Datum uitdraai |
18-03-2026 |
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
65 |
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek) |
€ |
70.929 |
||||
|
70 |
Winst uit onderneming |
€ |
70.929 |
||||
|
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde) |
|||||||
|
Winst uit onderneming 2022 |
€ |
49.012 |
jaar |
||||
|
Winst uit onderneming 2023 |
€ |
87.637 |
jaar |
||||
|
Winst uit onderneming 2024 |
€ |
76.138 |
jaar |
||||
|
|
|||||||
|
71/ 72 |
Zelfstandigenaftrek |
- |
€ |
3.750 |
|||
|
- Zelfstandigenaftrek |
€ |
3.750 |
|||||
|
MKB Winstvrijstelling |
- |
€ |
8.942 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020) |
€ |
14.084 |
|||||
|
- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517 |
€ |
7.445 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
70.929 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
21.529 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
4.662 |
|||
|
117 |
Verschuldigde inkomensheffing |
- |
€ |
16.867 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
1.146 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
3.516 |
jaar |
||||
|
|
|||||||
|
Winst uit onderneming |
€ |
58.237 |
|||||
|
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
58.237 |
|||||
|
Maximum bijdrage loon |
€ |
71.628 |
|||||
|
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd |
€ |
71.628 |
|||||
|
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
58.237 |
|||||
|
Percentage Zvw |
% |
5,32 |
|||||
|
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
€ |
3.098 |
|||||
|
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
- |
€ |
3.098 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
4.247 |
||||
Bijlage 3: netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding en eigen aandeel kosten kinderen
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
NBI voor scheiding Alimentatieplichtige |
€ |
4.247 |
|||||
|
NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde |
€ |
2.258 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
Ouders hebben in gezinsverband geleefd |
ja |
||||||
|
NBGI voor scheiding |
€ |
6.505 |
|||||
|
Tabel aantal kinderen |
1 |
||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
# |
Indexeren |
ja |
|||||
|
Startjaar |
2024 |
||||||
|
Eindjaar |
2025 |
||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
Bijlage 4: netto besteedbaar inkomen van de vader 2025
|
Partij |
Alimentatieplichtige |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (597068) |
|
Berekening |
Berekening |
|
Tarieven |
2025-2 |
|
Datum uitdraai |
18-03-2026 |
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
65 |
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek) |
€ |
60.478 |
||||
|
70 |
Winst uit onderneming |
€ |
60.478 |
||||
|
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde) |
|||||||
|
Winst uit onderneming 2024 |
€ |
76.138 |
jaar |
||||
|
Prognose 2025 |
€ |
44.818 |
jaar |
||||
|
|
|||||||
|
71/ 72 |
Zelfstandigenaftrek |
- |
€ |
2.470 |
|||
|
- Zelfstandigenaftrek |
€ |
2.470 |
|||||
|
MKB Winstvrijstelling |
- |
€ |
7.367 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) |
€ |
13.769 |
|||||
|
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817 |
€ |
4.572 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
60.478 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
18.341 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
6.125 |
|||
|
117 |
Verschuldigde inkomensheffing |
- |
€ |
12.216 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
1.659 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
4.466 |
jaar |
||||
|
|
|||||||
|
Winst uit onderneming |
€ |
50.641 |
|||||
|
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
50.641 |
|||||
|
Maximum bijdrage loon |
€ |
75.864 |
|||||
|
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd |
€ |
75.864 |
|||||
|
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
50.641 |
|||||
|
Percentage Zvw |
% |
5,26 |
|||||
|
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
€ |
2.664 |
|||||
|
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
- |
€ |
2.664 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
3.800 |
||||
Bijlage 5: behoefteberekening op basis van het inkomen van de vader en de partner van de vader
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
Ouders hebben in gezinsverband geleefd |
nee |
||||||
|
|
|||||||
|
NBI voor scheiding |
€ |
3.800 |
|||||
|
Bij: Kindgebonden budget inclusief AOK |
€ |
360 |
|||||
|
NBI totaal |
€ |
4.160 |
|||||
|
Tabel aantal kinderen |
1 |
||||||
|
Eigen aandeel in de kosten kinderen volgens tabel |
€ |
567 |
|||||
|
|
|||||||
|
NBI voor scheiding |
€ |
1.369 |
|||||
|
Bij: Kindgebonden budget inclusief AOK |
€ |
492 |
|||||
|
NBI totaal |
€ |
1.861 |
|||||
|
Tabel aantal kinderen |
1 |
||||||
|
Eigen aandeel in de kosten kinderen volgens tabel |
€ |
200 |
|||||
|
|
|||||||
|
Eigen aandeel ouder Alimentatieplichtige |
€ |
567 |
|||||
|
Eigen aandeel ouder Alimentatiegerechtigde |
€ |
200 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
# |
Indexeren |
nee |
|||||
Bijlage 6: netto besteedbaar inkomen van de partner van de vader 2025
|
Partij |
Alimentatiegerechtigde |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (597068) |
|
Berekening |
Berekening |
|
Tarieven |
2025-2 |
|
Datum uitdraai |
18-03-2026 |
|
|
|||||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
3.068 |
|||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.068 |
jaar |
||||
|
Bij: Bijstandsuitkering |
€ |
16.428 |
|||||
|
Saldo |
€ |
16.428 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
1.369 |
Bijlage 7: draagkracht van de moeder
|
Partij |
Alimentatiegerechtigde |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
Kinderalimentatie, draagkracht |
|
Tarieven |
2025-2 |
|
Datum uitdraai |
18-03-2026 |
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
60 |
Loon volgens jaaropgaaf |
€ |
27.991 |
||||
|
|
|||||||
|
59 |
Inkomsten (transport) |
€ |
27.991 |
||||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) |
€ |
10.026 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
27.991 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
10.026 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
10.829 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.068 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
5.259 |
jaar |
||||
|
Combinatiekorting |
€ |
2.502 |
jaar |
||||
|
Bij: Kindgebonden budget |
€ |
5.900 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
2.824 |
||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie |
€ |
2.824 |
||||
|
Draagkracht wordt berekend op basis van |
Formule |
||||||
|
122a |
Kosten van levensonderhoud |
€ |
1.310 |
||||
|
123a |
Woonbudget |
€ |
847 |
||||
|
135a |
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie |
€ |
2.157 |
||||
|
136a |
Draagkrachtruimte |
€ |
667 |
||||
|
137a |
Draagkrachtpercentage |
% |
70 |
||||
|
Beschikbaar |
€ |
467 |
|||||
|
140a |
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
€ |
467 |
||||
Bijlage 8: draagkracht van de vader
|
Partij |
Alimentatieplichtige |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
Kinderalimentatie, draagkracht |
|
Tarieven |
2025-2 |
|
Datum uitdraai |
18-03-2026 |
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
65 |
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek) |
€ |
69.531 |
||||
|
70 |
Winst uit onderneming |
€ |
69.531 |
||||
|
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde) |
|||||||
|
Winst uit onderneming 2023 |
€ |
87.637 |
jaar |
||||
|
Winst uit onderneming 2024 |
€ |
76.138 |
jaar |
||||
|
Prognose 2025 |
€ |
44.818 |
jaar |
||||
|
|
|||||||
|
71/ 72 |
Zelfstandigenaftrek |
- |
€ |
2.470 |
|||
|
- Zelfstandigenaftrek |
€ |
2.470 |
|||||
|
MKB Winstvrijstelling |
- |
€ |
8.517 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) |
€ |
13.769 |
|||||
|
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817 |
€ |
7.534 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
69.531 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
21.303 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
5.036 |
|||
|
117 |
Verschuldigde inkomensheffing |
- |
€ |
16.267 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
1.159 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
3.877 |
jaar |
||||
|
|
|||||||
|
Winst uit onderneming |
€ |
58.544 |
|||||
|
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
58.544 |
|||||
|
Maximum bijdrage loon |
€ |
75.864 |
|||||
|
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd |
€ |
75.864 |
|||||
|
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
58.544 |
|||||
|
Percentage Zvw |
% |
5,26 |
|||||
|
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
€ |
3.079 |
|||||
|
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
- |
€ |
3.079 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
4.182 |
||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie |
€ |
4.182 |
||||
|
Draagkracht wordt berekend op basis van |
Formule |
||||||
|
122a |
Kosten van levensonderhoud |
€ |
1.310 |
||||
|
123a |
Woonbudget |
€ |
1.255 |
||||
|
135a |
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie |
€ |
2.565 |
||||
|
136a |
Draagkrachtruimte |
€ |
1.617 |
||||
|
137a |
Draagkrachtpercentage |
% |
70 |
||||
|
Beschikbaar |
€ |
1.132 |
|||||
|
140a |
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
€ |
1.132 |
Bijlage 9: draagkracht van de partner van de vader
|
Partij |
Alimentatiegerechtigde |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (597068) |
|
Berekening |
Berekening, draagkracht |
|
Tarieven |
2025-2 |
|
Datum uitdraai |
18-03-2026 |
|
|
|||||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
3.068 |
|||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.068 |
jaar |
||||
|
Bij: Kindgebonden budget |
€ |
5.900 |
|||||
|
Bij: Bijstandsuitkering |
€ |
16.428 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
1.861 |
||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie |
€ |
1.861 |
||||
|
Draagkracht wordt berekend op basis van |
Tabel |
||||||
|
Afwijken van de tabel? |
nee |
||||||
|
140a |
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
€ |
25 |
||||
Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de moeder 2024.
Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de vader 2024.
Bijlage 3: netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding en eigen aandeel kosten kinderen.
Bijlage 4: netto besteedbaar inkomen van de vader 2025.
Bijlage 5: behoefteberekening op basis van het inkomen van de vader en de partner van de vader.
Bijlage 6: netto besteedbaar inkomen van de partner van de vader 2025.
Zie bijlage 5.
Bijlage 7: draagkracht van de moeder.
Bijlage 8: draagkracht van de vader.
Bijlage 9: draagkracht van de partner van de vader.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
