Rechtbank Gelderland 19-02-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2784

Essentie (gemaakt door AI)

CBM. Aansprakelijkheid beschermingsbewindvoerder voor niet aanvragen uitkering direct na aanvang bewind. Curator vordert schade wegens misgelopen Wajong omdat voormalig bewindvoerder geen (Wajong/PW-)aanvraag doet en onvoldoende inkomensonderzoek verricht. Verweren over gemeentelijke verantwoordelijkheid, vermeende klusinkomsten en onderhoudsplicht ouders slagen niet. Kantonrechter oordeelt dat bewindvoerder tekortschiet in zorg van een goed bewindvoerder art. 1:444 BW en stelt schade vast op € 1.852,89 art. 1:362 BW.

Datum publicatie24-04-2026
Zaaknummer11925526 CU VERZ 25-243
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsZutphen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid bewindvoerder/curator;
Meerderjarigenbescherming; Bewind
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

CBM. Aansprakelijkheid beschermingsbewindvoerder voor niet aanvragen uitkering direct na aanvang bewind.

Volledige uitspraak


RECHTBANK GELDERLAND

Team bewind

Zittingsplaats Zutphen

zaakgegevens 11925526 CU VERZ 25-243

beschikking van de kantonrechter van 19 februari 2026

op verzoek van

[curator] ,

correspondentieadres: [postcode en plaats] , [postbus] ,

hierna te noemen: curator,

betreffende

[curandus/rechthebbende] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [postcode en plaats] ,

hierna te noemen: curandus of rechthebbende,

over wiens goederen bewindvoerder was in de periode van 16 mei 2025 tot en met
28 juli 2025:

[voormalig bewindvoerder] ,

correspondentieadres: [postcode en plaats] , [postbus] ,

hierna te noemen: voormalig bewindvoerder.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het plan van aanpak met ondertekening d.d. 2 april en 8 mei 2025;

- het verzoekschrift, ontvangen op 7 oktober 2025;

- het verweerschrift, ontvangen op 5 december 2025;

- de reactie van de curator, ontvangen op 23 december 2025.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 2 februari 2026. Ter zitting zijn de voormalig

bewindvoerder en namens de curator, [naam medewerker] , verschenen.

De feiten

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2025 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan curandus onder bewind gesteld als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand en is voor hem een mentorschap ingesteld. Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 4 juli 2025 is de voormalig bewindvoerder met ingang van 16 juli 2025 op eigen verzoek ontslagen als bewindvoerder en mentor en is de curator in die functies benoemd. Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 29 juli 2025 is curandus onder curatele gesteld waardoor het bewind en mentorschap zijn geëindigd, met benoeming van de curator tot curator.

In het plan van aanpak dat door de bewindvoerder en rechthebbende ondertekend is d.d. 2 april 2025 en 8 mei 2025 staat onder meer: ‘inkomen via werkgever vs. Draagkracht. Aanvraag wajong, arbeidskracht beoordeling. (…) is momenteel alleen aan het “handje aan het meelopen” met moeder haar inzet (…) zijn inkomen is nu afhankelijk van zijn draagkracht of daadkracht. Nu geen inkomen meer! (…)”

Bij de vraag over verschaffen van budget voor reiskosten in verband met werk staat: “Momenteel niet voldoen aan participatie-eisen; de arbeidsdraagkracht nader onderzoeken. Beoordeling arbeidsvermogen via UWV; en het loon-waardemeting onderzoeken; nu: 60/40%”.

Het verzoek en het verweer

De curator stelt de voormalig bewindvoerder aansprakelijk voor de door curandus geleden schade. Zij stelt dat de voormalig bewindvoerder zich onvoldoende heeft ingezet om inkomsten te realiseren voor rechthebbende - in die zin dat de voormalig bewindvoerder heeft nagelaten een uitkering voor curandus aan te vragen, waardoor curandus inkomsten is misgelopen. De curator stelt de voormalig bewindvoerder aansprakelijk voor een bedrag van € 1.995,42 aan misgelopen Wajong-uitkering. Ter zitting heeft de curator de vordering met 3 dagen ad € 47,51 per dag verminderd. De curator heeft ter zitting ook nog gesteld dat de voormalig bewindvoerder de mogelijke werkgever had moeten bellen om deze te vragen naar de werk- en salarisafspraken en om die te vragen het eventuele salaris achter te houden in afwachting van een beheerrekening.

De voormalig – professioneel - bewindvoerder voert, samengevat, aan dat zij heeft nagelaten een uitkering aan te vragen omdat zij koos voor harmonisatie en balans. Omdat zij niet alle gegevens had of kon inzien, koos zij voor het voorkomen van onjuiste informatie. Zij heeft zaken afgetast, zoals of de moeder van curandus (hierna moeder) een uitkering passend achtte of zelf voor inkomen voor curandus wilde zorgen. Ook geeft zij aan dat curandus inkomen had uit werk/klussen. De bewindvoerder heeft met de moeder, de voormalig jobcoach en diverse anderen gesprekken gevoerd. Als wettelijk vertegenwoordiger acht zij zich niet verantwoordelijk voor het inkomen van een cliënt. De (gemeentelijke) overheid is verantwoordelijk voor de bestaanszekerheid van een inwoner. Zij wijst op de Grondwet, de financiële verantwoordelijkheid van ouders voor hun kind tot 21 jaar op basis van artikel 1:395a Burgerlijk Wetboek en de Participatiewet. Ter zitting heeft zij nog aangevoerd dat zij altijd in de veronderstelling is geweest dat curandus werkte of dat er uitzicht was op werk omdat curandus hiervoor begeleiding ontving. Zij heeft salarisstroken opgevraagd maar zij heeft deze nooit ontvangen. Daarnaast heeft zij diverse gesprekken gehad met de moeder waarin werd aangegeven dat de begeleiding naar werk niet goed verliep en gebeld met [werkleerbedrijf] maar de contactpersoon heeft nooit teruggebeld, aldus de voormalig bewindvoerder.

De beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:444 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de bewindvoerder jegens rechthebbende aansprakelijk als zij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend. Op grond van artikel 1:362 BW kan de kantonrechter op verzoek of ambtshalve de schade vaststellen die rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder heeft geleden en de bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.

Toerekenbare tekortkoming

De kantonrechter is van oordeel dat de voormalig bewindvoerder is tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens rechthebbende, thans curandus. Het is de taak van een bewindvoerder om te zorgen voor financiële stabiliteit. Eerste vereiste daarvoor is dat de rechthebbende een inkomen heeft waaruit de vaste lasten en overige uitgaven kunnen worden betaald.

Het verweer dat (de voormalig bewindvoerder niet verantwoordelijk is om voor curandus een uitkering aan te vragen omdat) de verantwoordelijkheid voor bestaanszekerheid bij de gemeente ligt, slaagt niet. De Participatiewet en de Wajong kennen een duidelijke regeling waarbij de noodzaak voor een uitkering eerst duidelijk gemaakt moet worden door het indienen van een aanvraag voordat de uitkeringsinstantie aan betrokkene een uitkering kan verstrekken.

De voormalig bewindvoerder heeft aangevoerd dat er inkomen uit werk/klussen was. Zij heeft dat standpunt niet nader onderbouwd of voldoende aannemelijk gemaakt. Zij heeft wel stukken bij haar verweerschrift gevoegd maar zij heeft daarbij niet aangegeven wat uit die stukken haar standpunt onderbouwt.

De kantonrechter constateert bovendien dat de overgelegde producties niet dateren van de start van het bewind. Het zijn stukken uit de fase van overdracht van het dossier van de voormalig bewindvoerder aan de curator of stukken die de voormalig bewindvoerder en de curator hebben gewisseld over de vordering waarover in deze beschikking wordt beslist. Het zijn ook bijna allemaal stukken waarin de voormalig bewindvoerder haar eigen perceptie weergeeft. De enige productie waarvoor dat niet geldt, is een mail van 13 november 2025 van een andere bewindvoerder met wie rechthebbende kennelijk in het voorjaar van 2025 een intakegesprek heeft gehad. In die mail staat “net als jij had ik de indruk dat hij werkte en dat ze beiden trots waren op eigen inkomen en hij was op kantoor in zijn werkkleding.” Onder die mail zitten mails uit maart 2025 tussen die andere bewindvoerder en (mogelijk) moeder, waarin staat dat rechthebbende niet meer in [plaats 1] maar in [plaats 2] werkt. Dat zegt echter niets over de stand van zaken op en na 15 mei 2025, de start van het bewind.

De kantonrechter constateert verder dat de voormalig bewindvoerder in haar verweerschrift, de producties en ter zitting een warrig verhaal vertelt over de contacten die zij vooral met de moeder van curandus had en over dat curandus klussen zou verrichten. Uit haar standpunt lijkt te volgen dat zij in de aanloop naar en bij de start van het bewind geen contact kreeg met rechthebbende en geen duidelijke informatie kreeg over of er een werkgever was en zo ja welk bedrijf. Zij voert aan dat zij per brief salarisstroken heeft opgevraagd, vele weken na aanvang van het bewind, maar dat zij die nooit heeft ontvangen. Ook voert zij aan dat zij gesprekken heeft gehad met de moeder waarin werd aangegeven dat de begeleiding naar werk niet goed verliep en dat zij heeft gebeld met [werkleerbedrijf] (het werkleerbedrijf voor diverse gemeenten) maar dat de contactpersoon nooit heeft teruggebeld.

De kantonrechter is van oordeel dat curandus zelf, niet zijn moeder, de (belangrijkste) bron van informatie van de bewindvoerder zou moeten zijn, dat het alleen per brief opvragen van inkomensinformatie inadequaat is en dat de voormalig bewindvoerder dat ook te laat deed.

De voormalig bewindvoerder is onvoldoende daadkrachtig geweest om te achterhalen hoe het zat met die klussen en het eventuele salaris daarvoor. Bovendien lijkt uit het plan van aanpak te volgen dat de bewindvoerder wel degelijk wist dat van een volwaardig inkomen uit arbeid en een realistisch verdienvermogen geen sprake was.

Hoe dit alles ook zij, de kantonrechter is van oordeel dat verwacht mag worden dat de voormalig bewindvoerder al in de intakefase informatie over het inkomen van rechthebbende en salarisstroken had opgevraagd van rechthebbende omdat het op zeer korte termijn na aanvang van bewind regelen van inkomsten, als deze ontbreken, of zorgen dat deze beschikbaar komen op de beheerrekening, de taak van de bewindvoerder is. Als er geen duidelijkheid is over het inkomen of als er twijfel is of rechthebbende een volwaardig inkomen heeft, is het de taak van de bewindvoerder of curator om preventief een (aanvullende) Participatiewet- en (in dit geval ook een) Wajong-uitkering aan te vragen omdat deze uitkeringen niet met terugwerkende kracht worden toegekend. De huidige curator heeft dat direct na haar benoeming gedaan, dat blijkt uit de toekenningsbeslissingen. De voormalig bewindvoerder heeft dat niet gedaan. Dat is een fout van de voormalig bewindvoerder.

Als er al een terecht vermoeden van werken/klussen was, staat dat bovendien niet in de weg aan de aanvraag van een uitkering omdat de uitkeringsinstantie inkomsten uit arbeid in mindering zal brengen op een toegekende uitkering. Het verweer over de inkomsten/klussen slaagt dus ook niet.

Dan heeft de voormalig bewindvoerder nog een verweer gevoerd over de onderhoudsplicht van de ouders. Ook dit slaag niet omdat de gemeente en niet de bewindvoerder beslist of de ouders een onderhoudsplicht hebben die aan een uitkering in de weg staat. In dit geval blijkt uit de PW-beslissing dat de onderhoudsplicht niet aan de uitkering in de weg staat.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de voormalig bewindvoerder ten onrechte geen aanvraag voor genoemde uitkering(en) heeft gedaan. Deze tekortkoming is volledig toe te rekenen aan de voormalig bewindvoerder.

Omvang van de schade

De curator stelt dat curandus 42 dagen geen inkomsten heeft gehad doordat de voormalig bewindvoerder geen uitkering heeft aangevraagd. Ter zitting is gebleken dat curandus gedurende de periode van het bewind van de voormalig bewindvoerder drie dagen in detentie heeft gezeten. Over deze periode bestaat geen recht op een uitkering zodat zij de vordering met drie dagen vermindert.

De voormalig bewindvoerder heeft over de omvang van de vordering (verder) geen verweer gevoerd.

Gebleken is dat curandus zowel een Wajong- als een PW-uitkering toegekend heeft gekregen toen deze zijn aangevraagd door de curator. De Wajong-uitkering van curandus is vastgesteld op € 47,51 per dag. De kantonrechter stelt de schade vast zoals gevorderd, dus op een bedrag van € 1.852,89 (42 min 3 = 39 x 47,51) en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De beslissing

De kantonrechter:

  • veroordeelt [voormalig bewindvoerder] als voormalig bewindvoerder van [curandus/rechthebbende] tot betaling aan [curandus/rechthebbende] (op diens beheerrekening) van een bedrag van € 1.852,89 (zegge achttienhonderd tweeënvijftig euro en negenentachtig cent);

  • wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.

Tegen deze beslissing kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

a. door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733