Essentie (gemaakt door AI)
Afwijzing contactregeling en toewijzing informatieregeling. Vader verzoekt wekelijks videobellen en, subsidiair, raadsonderzoek; moeder verzoekt afwijzing. Gelet op eerdere bedreiging, overtreden contactverbod en recente intimiderende berichten acht de rechtbank omgang thans in strijd met zwaarwegende belangen van het kind art. 1:377a BW en wijst omgang en raadsonderzoek af. Informatieregeling wordt toegewezen: moeder informeert vader maandelijks per e‑mail met een toelichting en een recente foto, met waarborging van haar veiligheid.| Datum publicatie | 23-04-2026 |
| Zaaknummer | C/02/440039 / FA RK 25-4856 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Zorgregeling / omgang / informatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwijzing contactregeling en toewijzing informatieregelingVolledige uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/440039 / FA RK 25-4856
datum uitspraak: 16 maart 2026
beschikking betreffende omgang en informatie
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.M. Neervoort,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat: mr. N. Schietekatte te Rotterdam,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 22 september 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 6 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de F9-formulieren van 6 februari 2026 van mr. Neervoort, waarvan één een bijlage bevat.
Op 12 februari 2026 heeft er een zitting plaatsgevonden. Hierbij is verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk. Tevens is verschenen de vrouw met haar advocaat. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
2De feiten
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
-
partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren;
-
de man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw heeft alleen het gezag over [minderjarige] ;
-
[minderjarige] woont bij de vrouw;
-
de man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit;
-
de man en [minderjarige] hebben elkaar in november 2021 voor het laatst fysiek gezien.
3Het verzoek
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man eenmaal per week met [minderjarige] zal videobellen op donderdag om 18.00 uur, waarbij indien nodig hulpverlening aanwezig zal zijn, en waarbij met hulpverlening zal worden gekeken of deze contactregeling kan worden uitgebreid naar een omgangsregeling waarbij [minderjarige] de man fysiek zal zien,
dan wel te bepalen dat de Raad onderzoek zal doen naar de (on)mogelijkheden om contact en/of omgang tussen de man en [minderjarige] te laten plaatsvinden,
dan wel in deze een beslissing te nemen welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
II. te bepalen dat de vrouw de man maandelijks een mail zal sturen met een foto van [minderjarige] en een toelichting hoe het met [minderjarige] gaat en wat er voor belangrijke gebeurtenissen en/of ontwikkelingen zijn geweest in de afgelopen periode.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt primair deze verzoeken af te wijzen. Subsidiair verzoekt de vrouw de verzoeken van de man tot vaststelling van een omgangsregeling en informatieregeling aan te houden, in afwachting van een door de rechtbank te gelasten onderzoek door de Raad.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4De standpunten
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat partijen een relatie met elkaar hebben gekregen in een onrustige tijd, waarin de man in een vechtscheiding zat met zijn voormalige partner, met wie hij twee kinderen heeft. Sinds 2019 heeft de man geen contact met deze kinderen uit zijn eerdere relatie, waar hij veel verdriet van heeft. De vrouw heeft de man toen bijgestaan in een tijd van enorm hoge stress en hem beloofd dat zij hem nooit het contact met [minderjarige] zou onthouden. Na het stranden van de relatie van partijen wilde de vrouw niet meewerken aan een ouderschapsplan en gaf de vrouw de man te kennen dat hij [minderjarige] niet meer mocht zien. Dit was voor de man een enorme trigger, waardoor hij zijn emoties niet onder controle had en heeft hij de vrouw met de dood bedreigd. De vrouw is toen voor de man gevlucht en heeft aangifte gedaan. Uiteindelijk is de man op 14 november 2021 veroordeeld voor bedreiging van de vrouw en is hem een contactverbod opgelegd van twee jaar. De periode daarna heeft de man meer rust in zichzelf gezocht en heeft hij de vrouw met rust gelaten, ondanks het sterke gemis van [minderjarige] in zijn leven. De man heeft diverse hulpverlening gehad en stond op de wachtlijst voor individuele traumatherapie.
Bij nader inzien heeft de man besloten om de individuele traumatherapie niet te gaan volgen, omdat dit hem teveel energie kost en het hem toch niets zou opleveren. Zijn kinderen zien zou voor de man een vorm van therapie zijn. Na afloop van het contactverbod wilde de man erg graag weer contact met [minderjarige] . De man heeft de vrouw daarover toen meerdere keren gemaild. De vrouw reageerde hier in eerste instantie goed op; er werden over en weer spraakberichten uitgewisseld en [minderjarige] gaf ook aan zijn vader te willen zien. De man erkent dat hij daarna via Whatsapp lelijke berichten naar de vrouw heeft gestuurd. De man geeft toe dat hij dat niet had moeten doen, maar dat dat voortkwam uit emotie vanwege het niet snel genoeg mogen zien van [minderjarige] . Van omgang tussen hem en [minderjarige] is het daarna niet meer gekomen. De man ervaart het als een groot onrecht dat hem en [minderjarige] wordt aangedaan om het contact tussen hen niet mogelijk te maken. Hij mist [minderjarige] nog steeds enorm en zou het contact met hem erg graag willen herstellen. Hij staat open voor een opbouwregeling in de vorm van videobellen en begeleide omgang. Ook wenst de man informatie over [minderjarige] te ontvangen van de vrouw.
De vrouw acht het herstellen van het contact tussen [minderjarige] en de man niet in het belang van het kind en voert daartoe het volgende aan. De relatie van partijen kenmerkte zich door nare gebeurtenissen en veel geweld, waarbij de man kampte met een wietverslaving en PTSS. Hierdoor raakte de man snel getriggerd en was hij agressief. Na de doodsbedreigingen door de man en het contactverbod in 2021, verbleef de vrouw met [minderjarige] en haar twee kinderen uit een eerdere relatie, maandenlang in een vrouwenopvang. Desondanks bleef de man pogingen tot contact ondernemen. Begin 2025 heeft de man de vrouw via Facebook een bericht gestuurd dat hij [minderjarige] weer wilde zien. In het belang van [minderjarige] is de vrouw hier op ingegaan en hebben partijen ongeveer twee weken via Whatsapp contact gehad. Omdat de man sneller dan de vrouw het contact wilde herstellen, ontving zij van de man weer vele verwijten via Whatsapp. Dit sterkt de vrouw in haar overtuiging dat het gedrag van de man niet is veranderd. De vrouw heeft nog steeds grote zorgen over de mentale gesteldheid van de man. Deze zorgen worden niet minder, nu de man niet bereid lijkt te zijn om nog traumatherapie te volgen. Een andere zorg is er voor de vrouw in gelegen dat [minderjarige] de man in feite niet kent en hij een vreemde is voor hem. Dit geheel maakt dat de vrouw het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] acht om het contact met de man te herstellen, althans dat er in ieder geval te weinig informatie beschikbaar is om te kunnen beoordelen of dat het geval is. De vrouw stelt zich daarom primair op het standpunt dat het verzoek van de man behoort te worden afgewezen. Subsidiair acht de vrouw een onderzoek van de Raad aangewezen. De vrouw verklaart zich bereid om de man eens per drie maanden per e-mail te gaan informeren over belangrijke ontwikkelingen [minderjarige] betreffende. De vrouw vraagt zich echter wel af welke informatie zij met de man moet delen, zonder dat daarmee de veiligheid in het gedrang komt.
De Raad geeft aan dat er sprake is van een zeer zorgelijke situatie. Zij verwijst hierbij onder meer naar de inhoud van de door de man aan de vrouw verstuurde Whatsapp berichten in 2025 en noemt deze schokkend. Het is een gemiste kans dat de man de hulpverlening voor zijn persoonlijke problematiek heeft afgewezen. De man zou er goed aan doen om daar alsnog mee aan de slag te gaan, zodat hij handvatten aangeleerd krijgt hoe in het vervolg om te gaan met situaties waarin hij getriggerd wordt en zijn emoties de overhand dreigen te krijgen. Een Raadsonderzoek acht de Raad niet aangewezen. Het ligt eerst op de weg van de man om aan de slag te gaan met zijn persoonlijke problematiek, waarna hij vervolgens het tempo van [minderjarige] en de vrouw dient te volgen bij mogelijk contactherstel. Op dit moment is daarvoor echter geen plaats.
5De beoordeling
Omgang
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
a. omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
b. de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
c. het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
d. er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank overweegt dat er op dit moment geen ruimte is om het contact tussen de man en [minderjarige] te herstellen. Gebleken is dat de relatie van partijen turbulent is geweest, in ieder geval vlak voor en na het beëindigen van de relatie in 2021. Zo is de man veroordeeld voor bedreiging van de vrouw en heeft hij een contactverbod opgelegd gekregen wat, onbetwist gesteld door de vrouw, door de man herhaaldelijk is overtreden. De gebeurtenissen rondom het beëindigen van de relatie in 2021 en het contact tussen partijen in 2025, kenmerken zich telkens door dreigend en intimiderend gedrag van de man naar de vrouw. In de Whatsappberichten uit 2025 wordt de vrouw door de man ernstig gediskwalificeerd als vrouw en als moeder. Het lijkt erop dat de man getriggerd wordt wanneer zijn behoefte niet snel genoeg wordt vervuld of wanneer hij zijn zin niet krijgt. Hier lijkt een patroon in te zitten. De man doet zijn gedrag af als een emotionele reactie vanwege het gemis van [minderjarige] , maar lijkt niet in staat om daadwerkelijk te reflecteren op zijn gedrag. De man lijkt vooral vanuit zichzelf te redeneren en heeft geen oog voor het effect van zijn gedrag op de vrouw als de opvoeder van [minderjarige] en uiteindelijk vermoedelijk ook op [minderjarige] zelf. Ook ter zitting lijkt de man nog steeds onvoldoende verantwoordelijkheid te willen nemen voor het voorval in 2025. Hij geeft hierbij aan dat wanneer hij (al) zijn kinderen weer zal mogen zien, hij dit gedrag niet meer zal vertonen. Dat de man (ook) de pijn draagt van het gemis van zijn andere twee kinderen is te begrijpen, maar dit kan naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele manier dienen als rechtvaardiging voor zijn gedrag jegens de vrouw.
Voor het herstellen van het contact tussen de man en [minderjarige] , hoe minimaal ook, dienen nog de nodige stappen gezet te worden. De rechtbank volgt daarom de Raad in diens advies dat de man alsnog hulpverlening dient in te schakelen voor zijn persoonlijke problematiek, alvorens gesproken kan worden over de mogelijkheid van contact met [minderjarige] . De man heeft weliswaar aangegeven dat hij inmiddels aan zichzelf heeft gewerkt, maar hij laat na toe te lichten wat dit concreet betekent of dit met stukken te onderbouwen. Daarbij heeft de man ter zitting aangegeven dat hij ook niet meer van plan is om de traumatherapie te volgen waarvoor hij eerder op de wachtlijst stond omdat dit hem niets zou opleveren. Gelet op deze feiten en omstandigheden wordt omgang voor dit moment in strijd geacht met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] en wordt voldaan aan de hiervoor onder d. genoemde (ontzeggings)grond. De rechtbank gaat daarom niet mee in het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling dan wel het instellen van een raadsonderzoek. De rechtbank wijst het verzoek van de man af.
Informatieregeling
Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. De man verzoekt hiervoor een maandelijkse regeling vast te stellen.
Gebleken is dat de vrouw bereid is om de man met een frequentie van eenmaal per kwartaal over [minderjarige] te gaan informeren, mits haar veiligheid en die van [minderjarige] niet in gevaar komt.
Zo wenst de vrouw niet dat bij de man bekend wordt waar zij met [minderjarige] woont.
Omdat de vrouw zich niet verzet tegen het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, ligt dit verzoek van de man voor toewijzing gereed.
Nu de man echter geheel verstoken zal blijven van omgang met [minderjarige] , acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw de man, eens per maand zal gaan informeren over belangrijke ontwikkelingen die [minderjarige] betreffen waarbij zij hem dan telkens ook een goed lijkende foto van [minderjarige] zal verstrekken. Ten aanzien van de vindbaarheid van de vrouw, ligt het op haar weg om in dat opzicht gepaste maatregelen te nemen. Tijdens de zitting is gesproken over de aanmaak van een nieuw e-mailadres specifiek voor dit doeleinde en de te verstrekken informatie zo te formuleren dat de vrouw niet te traceren is voor de man. De rechtbank benadrukt dat de man zich dient te onthouden van reacties op de informatie die hij van de vrouw zal ontvangen. Dit brengt met zich dat de door de man verzochte vaststelling van een informatieregeling wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de vrouw de man éénmaal per maand schriftelijk/per e-mail informeert over de belangrijke ontwikkelingen van [minderjarige] waarbij telkens ook een goed lijkende foto van [minderjarige] wordt verstrekt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
