Rechtbank Den Haag 08-04-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8959

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrechtelijke procedure waarin wordt gevorderd af te wijken van het wettelijk versterferfrecht op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Erflater liet een handgeschreven “tijdelijk document” na zonder notariële tussenkomst. De rechtbank oordeelt dat het document niet aan de vormvereisten voldoet en geen volstrekte zekerheid geeft over de uiterste wil. Afwijken van het stelsel is niet gerechtvaardigd; zus is enig erfgenaam. Alle vorderingen worden afgewezen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Datum publicatie22-04-2026
ZaaknummerC/09/687795 / HA ZA 25-587
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kan op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid worden afgeweken van het wettelijke versterferfrecht? In geschil is naar wie de nalatenschap van erflater gaat: de zus van erflater op grond van het wettelijk versterferfrecht, of naar de personen die zijn opgenomen in een handgeschreven document (waaronder ook de zus) dat erflater zelf, zonder tussenkomst van een notaris, een maand voor zijn overlijden heeft opgesteld. De rechtbank stelt vast dat de omstandigheid dat erflater een handgeschreven document heeft nagelaten niet rechtvaardigt dat van het wettelijk stelsel wordt afgeweken. De zus is daarom enig erfgenaam, dat leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaak- / rolnummer: C/09/687795 / HA ZA 25-587

Vonnis van 8 april 2026

in de zaak van

1 [eisers sub 1] te [woonplaats 1],
2. [eisers sub 2] te [woonplaats 2] ([land 1]),
3. [eisers sub 3] te [woonplaats 3],

voor zich, alsmede in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
4. [eisers sub 4] te [woonplaats 3],

voor zich, alsmede in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
5. [eisers sub 5] te [woonplaats 4],
6. [eisers sub 6] te [woonplaats 5],
7. [eisers sub 7] te [woonplaats 4],
8. [eisers sub 8] te [woonplaats 5],
9. [eisers sub 9] te [woonplaats 5],
10. [eisers sub 10] te [woonplaats 6],
11. [eisers sub 11] te [woonplaats 7],

12. [eisers sub 12] te [woonplaats 8],
13. [eisers sub 13] te [woonplaats 7],

eisers,

advocaat: mr. E.Z. Anink,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats 9],

gedaagde,

advocaat: mr. L.J.J. van Wijk,

Eisers worden hierna respectievelijk genoemd: ‘[eisers sub 1]’, ‘[eisers sub 2]’, ‘[eisers sub 3]’, ‘[minderjarige 1]’, ‘[minderjarige 2]’, ‘[eisers sub 4]’, ‘[eisers sub 5]’, ‘[eisers sub 6]’, ‘[eisers sub 7]’, ‘[eisers sub 8]’, ‘[eisers sub 9]’, ‘[eisers sub 10]’, ‘[eisers sub 11]’, ‘[eisers sub 12]’ en ‘[eisers sub 13]’ en gezamenlijk ‘[eisers]’.

Gedaagde wordt hierna genoemd: ‘[gedaagde]’.

1Waar gaat deze zaak over?

Deze zaak gaat over de vraag of op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken van het wettelijk versterferfrecht.

Tussen partijen is in geschil naar wie de nalatenschap van [erflater] gaat: naar de zus van erflater op grond van het wettelijk versterferfrecht, of naar de personen die zijn opgenomen in een handgeschreven document (waaronder ook zijn zus) dat erflater zelf, zonder tussenkomst van een notaris, een maand vóór zijn overlijden heeft opgesteld. De rechtbank zal hierna vaststellen dat de omstandigheid dat erflater een handgeschreven document heeft nagelaten niet rechtvaardigt dat van het wettelijk stelsel wordt afgeweken. Dat betekent dat de zus van erflater zijn enig erfgenaam is. Dit leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

2De procedure

2.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 28 mei 2025, met producties 1 tot en met 52;

  • de conclusie van antwoord van 20 augustus 2025, met producties 1 tot en met 11;

  • de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 217 Rv namens [eisers sub 12] en [eisers sub 13];

  • de conclusie van antwoord in het incident namens [gedaagde];

  • het vonnis in incident van 29 oktober 2025;

  • de akte vermeerdering van eis, tevens overlegging producties 53 tot en met 57;

  • de akte wijzing van verzoek en overlegging producties 12 tot en met 21 namens [gedaagde].

2.2.

Op 27 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zijn toegevoegd aan het procesdossier.

3De feiten

3.1.

Op [datum] 2025 is erflater overleden. De ouders van erflater waren ten tijde van het overlijden van erflater al overleden. Erflater had geen kinderen en is nooit getrouwd geweest. Erflater had één zus, [gedaagde], die is getrouwd met [naam 1]. [gedaagde] en [naam 1] hebben één kind: [naam 2].

3.2.

Erflater had sinds 2005 een relatie met [eisers sub 1]. Uit een vorige relatie van [eisers sub 1] zijn haar kinderen [eisers sub 2] en [eisers sub 3] geboren. [eisers sub 3] is getrouwd met [eisers sub 4], met wie ze twee kinderen heeft: [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.3.

[eisers sub 7] was een vriendin van erflater. [eisers sub 7] heeft twee kinderen: [eisers sub 5] en [eisers sub 6]. [eisers sub 8] en [eisers sub 9] zijn oude studievrienden van erflater en [eisers sub 10] was zijn klusjesman. [eisers sub 11] is de weduwe van een voormalig werknemer van erflater. [eisers sub 12] en [eisers sub 13] zijn voormalig werknemers.

3.4.

Erflater heeft in 1986 een bedrijf opgericht. Accountant van dit bedrijf is [naam 3].

3.5.

In 2015 heeft erflater contact opgenomen met [notariskantoor] in Delft (hierna: het notariskantoor) om een prijsopgave te vragen voor het laten opmaken van een testament. In een e-mailbericht van 1 juli 2015 aan het notariskantoor heeft erflater een globale uiteenzetting gegeven van zijn bezittingen waarna hij heeft afgesloten met:

“Na mijn overlijden wordt [naam 3] uit [plaats]) de curator.

Totale waarde moet dan bepaald worden (o.a. panden en bedrijven etc.).

Ik dacht daarna een verdeling gemaakt wie welk % van het geheel moet krijgen (10 a 15 personen / stichtingen).

Deze verdeling kan de komende jaren nog wel iets variëren..

Maar geen idee of dat zo kan/mogelijk is.”

3.6.

In 2019 heeft erflater opnieuw contact opgenomen met het notariskantoor. Naar aanleiding van dit contact heeft kandidaat-notaris mr. [naam 4] bij een e-mailbericht van 23 januari 2020 een “heel globaal concept” van een testament aan erflater gestuurd. In een e-mailbericht van 28 maart 2021 aan het notariskantoor heeft erflater laten weten dat hij dit concept niet meer had. Nadat erflater het concept opnieuw heeft ontvangen van het notariskantoor, heeft hij op 17 augustus 2021 het concept teruggestuurd, met daarin enkele opmerkingen en vragen van zijn kant. Op 12 oktober 2021 heeft erflater naar aanleiding van een telefoongesprek met [de notaris] een aangepaste versie van het concept ontvangen.

3.7.

Bij e-mailbericht van 24 februari 2023 heeft erflater het notariskantoor opnieuw gemaild. In zijn bericht heeft hij onder meer geschreven:

“Het opstellen van mijn testament. Dit loopt nu al vele jaren. Eerst door iemand die bij u werkte maar niet meer bij u werkt. Toen heb ik dit eind 2021 van u gekregen. Daarna is het weer stil gevallen. Na onderstaande mail hebben we telefonisch contact gehad.

Nog niet duidelijk voor mij is:

1. Welke gegevens heeft u nodig van de mensen/organisaties die een deel van mijn erfenis

krijgen (een % dus)

2. Is het noodzakelijk dat een ieder precies weet (ik wil geen ruzie in de kenniskring/familie

hierover).

a. hoeveel geld er was en

b. wat de anderen krijgen.

3. Wie of wat kan/mag ik aanwijzen als degene die het allemaal gaat regelen na mijn overlijden. (…)
De erfgenamen zijn ca 10-12 personen (volgens mijn huidige lijstje tenminste). Dit zijn oud medewerkers, familie, vrienden, organisaties.

Deze lijst actualiseer ik ca jaarlijks.”

Bij e-mailbericht van 11 maart 2023 heeft de notaris de e-mail van erflater beantwoord. Zij heeft daarin de vragen van erflater beantwoord en hem verzocht haar te bellen om één en ander te bespreken.

3.8.

Erflater was eigenaar van een woning in [land 2]. Bij e-mailbericht van 26 maart 2023 heeft erflater via de [website] enkele vragen gesteld over deze woning, waarvan hij aangeeft dat de eigendom na zijn overlijden naar [eisers sub 3] gaat.
In een reactie op deze vragen is erflater geadviseerd contact op te nemen met een op dat gebied deskundige.

3.9.

In januari 2025 heeft erflater een operatie ondergaan. Op 3 januari 2025, twee weken vóór de geplande operatiedatum, heeft erflater in een whatsappgesprek met [eisers sub 1], [eisers sub 3] en [eisers sub 4] het volgende geschreven:

“Ik ben nu een tijdelijk document aan het maken voor het geval dat….

Deze kopieer ik in twee-voud.

1. Voor [naam 3] (accountant, tevens executeur)|

2. Voor familie. (Moet nog ff bekijken waar en hoe).”

Erflater deelt vervolgens in het whatsappgesprek een afbeelding van een envelop met daarop de tekst “Niet openen. Pas na overlijden. [erflater]. Testament”, waarna hij vervolgt:

“Pfff. Moet ook nog bij notaris geregeld worden. Maar voor nu moet dit voldoende zijn.

[naam 3] (accountant) is executeur, [eisers sub 3] de contactpersoon/controleur van haar.

Alles is in legaten opgedeeld.

Nu maar hopen dat het voorlopig niet open gemaakt behoeft te worden.

En ja ik moet er nog mee naar de notaris maar dit voldoet voorlopig. Volledig handgeschreven verhaal. (En voor de leesbaarheid het ook nog maar een keer uitgetikt)”

Erflater heeft één exemplaar van het door hem genoemde ‘tijdelijke document’ in bewaring gegeven bij [naam 3]. Het is niet bekend wat er met het tweede exemplaar van het door erflater genoemde ‘tijdelijke document’ is gebeurd.

3.10.

Erflater is op 17 januari 2025 geopereerd. Hij is op [datum] 2025 overleden aan complicaties als gevolg van deze operatie.

3.11.

Op 28 februari 2025 is een verklaring van erfrecht opgesteld. Hierin staat dat erflater blijkens opgave door het Centraal Testamentenregister niet bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt, dat [gedaagde] de enige erfgename is en dat zij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.

3.12.

De tekst van het ‘tijdelijke document’ dat bij [naam 3] in bewaring is gegeven (hierna: het handgeschreven document) luidt als volgt:

[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]

4Het geschil

4.1.

[eisers] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de erfopvolging van de nalatenschap van erflater niet op grond van het wettelijk versterferfrecht plaats dient te vinden, maar op grond van het handgeschreven document;

II. voor recht verklaart dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de enige rechthebbenden zijn van de nalatenschapsgoederen van erflater en dat [gedaagde] wordt veroordeeld mee te werken aan wijziging van de tenaamstelling van alle goederen op naam en alle tot de nalatenschap behorende onroerende zaken;

III. [gedaagde] veroordeelt alle goederen van de nalatenschap - waaronder ook de administratie - ter beschikking te stellen aan (de wettelijk vertegenwoordigers van) [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

IV. [gedaagde] veroordeelt om aan (de wettelijk vertegenwoordigers van) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer over de nalatenschap;

V. voorwaardelijk, voor het geval [gedaagde] de nalatenschap van erflater zou hebben benadeeld, [gedaagde] veroordeelt om aan (de wettelijk vertegenwoordigers van) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad te betalen,

VI. voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] enig erfgenaam is, [gedaagde] veroordeelt tot uitvoering van de legaten zoals opgenomen in het handgeschreven document;

VII. voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] enig erfgenaam is, [gedaagde] veroordeelt tot afgifte van het legaat van de woning van erflater in [land 2] en [gedaagde] veroordeelt om mee te werken aan de notariële levering ten overstaan van een notaris in [land 2] en aan de ondertekening van alle benodigde stukken, en bepaalt dat alle met de afgifte van dit legaat gemoeid gaande belastingen en kosten door [gedaagde] uit de nalatenschap worden betaald;

VIII. voor recht verklaart dat [naam 3], indien zij de executeursbenoeming zoals opgenomen in het handgeschreven document aanvaardt, gehouden is de legaten genoemd onder sub VI en sub VII af geven;

IX. voorwaardelijk, voor het geval [gedaagde] het handschrift en/of de handtekening van erflater betwist op het handgeschreven document, een forensisch handschrift- en handtekeningonderzoek gelast op kosten van de nalatenschap en bepaalt dat [gedaagde] hieraan haar medewerking dient te verlenen;

X. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.

4.2.

[eisers] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de inhoud van het handgeschreven document de ware wil van erflater is geweest en dat dit, met een beroep op artikel 3:12 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zou moeten prevaleren boven vormvereisten die aan het opstellen van een testament verbonden zijn. Volgens [eisers] bevat het handgeschreven document de uiterste wil van erflater. Erflater heeft zijn vermogen willen nalaten aan zijn ‘chosen family’. Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als het handgeschreven document niet gevolgd zou worden, ook vanwege de familieverhoudingen, het feit dat erflater vlak voor een operatie een “noodtestament” heeft opgesteld en erflater erop vertrouwde dat dit testament uitgevoerd zou worden. [gedaagde] heeft in strijd met de goede trouw de nalatenschap aanvaard, terwijl zij wist dat dit niet de wil van erflater was. Zij dient de goederen uit de nalatenschap ter beschikking te stellen aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2], die erfgenamen zijn op grond van het handgeschreven document, aan hen rekening en verantwoording af te leggen en eventueel reeds aan de nalatenschap onttrokken goederen te vergoeden. Indien de rechtbank van oordeel is dat het handgeschreven document weliswaar de uiterste wil van erflater zou bevatten, maar geen erfstelling ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en [gedaagde] dus alsnog als enig erfgenaam wordt aanmerkt, dient [gedaagde] (dan wel de executeur [naam 3], indien zij de executeursbenoeming aanvaardt) op grond van artikel 4:117 lid 2 BW de in het handgeschreven document genoemde legaten af te geven aan de legatarissen (conform de vorderingen onder VI en VII).

4.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de werkelijke kosten van deze procedure.

4.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

Juridisch kader

5.1.

Volgens artikel 4:1 BW kan erfopvolging op twee manieren plaatsvinden: erfopvolging bij versterf (het wettelijk stelsel van erfopvolging) of erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking (een testament).

5.2.

Als er geen testament is opgesteld, bepaalt artikel 4:10 BW wie de erfgenamen van de overledene zijn. Is er een echtgenoot en/of zijn er kinderen, dan zijn deze personen de erfgenamen (op grond van 4:10 lid 1 onder a BW). Zijn deze personen er niet, dan zijn de ouders samen met de (half)broers en (half)zusters de erfgenamen (op grond van 4:10 lid 1 onder b BW).

5.3.

Het wettelijk stelsel van erfopvolging kan alleen (deels) opzij gezet worden door een uiterste wilsbeschikking (artikel 4:1 BW) . Op grond van artikel 4:94 BW kan een uiterste wil, behoudens de in de wet aangegeven noodgevallen (artikelen 4:97 tot en met 4:107 BW) die zich hier niet voordoen, alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. De waarborg van de tussenkomst van de notaris is dat deze op het moment van het passeren van de akte kan nagaan of hetgeen in de akte is opgenomen op dat moment ook daadwerkelijk de uiterste wil van erflater is. Dit is ook de reden waarom een notaris vóór het passeren van de akte aan de erflater de zakelijke inhoud van die akte meedeelt en daarop een toelichting geeft.

5.4.

Op grond van artikel 6:2 lid 2 BW wordt een rechtsregel buiten toepassing gelaten als toepassing van de regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Met deze bewoordingen heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de rechter deze mogelijkheid terughoudend moet toepassen. Het gaat er niet om of toepassing van een rechtsregel al dan niet onredelijk is, maar of die toepassing leidt tot onaanvaardbare gevolgen. Dat wordt niet snel aangenomen. Vaste rechtspraak is dan ook dat sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden.

5.5.

Bij de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen, moet de rechter op grond van artikel 3:12 BW rekening houden met algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke belangen. Daarnaast zal de rechter ook moeten letten op het systeem van de wet.

5.6.

Specifiek voor het erfrecht is het volgende van belang. Het erfrecht regelt de overgang van goederen (van de erflater op de erfgenamen). Dit raakt niet alleen de rechten van de erfgenamen, maar ook de rechten van anderen. Een belangrijk rechtsbeginsel in het erfrecht is dan ook het beginsel van rechtszekerheid, in de zin van zekerheid over wat de regels inhouden in een specifieke situatie. Zowel voor de erfgenamen als voor anderen is namelijk belangrijk dat snel definitief vaststaat op wie de goederen in de nalatenschap zijn overgegaan. Onzekerheid daarover belemmert de (definitieve) afwikkeling van een nalatenschap en een ordelijk rechtsverkeer. Gelet op de aard van het erfrecht moet de rechter dan ook extra voorzichtig zijn om op grond van artikel 6:2 lid 2 BW een erfrechtelijke regel buiten toepassing te laten.

5.7.

In de rechtspraak is ten aanzien van door een notaris opgestelde concept-testamenten de maatstaf ontwikkeld dat daaraan - op grond van artikel 6:2 lid 2 BW - enkel uitvoering moet worden gegeven indien er ‘volstrekte zekerheid’ is dat hetgeen is vastgelegd in het concept-testament, overeenstemt met de uiterste wil van de overledene op het moment van overlijden (zie o.a. Hof Den Haag 6 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2800). Aan deze maatstaf wordt niet snel voldaan. Die zeer hoge mate van zekerheid is nodig, omdat hiermee wordt voorbijgegaan aan de vormvereisten die gelden voor een rechtsgeldig testament. Die vormvereisten moeten op hun beurt waarborgen dat de wil van de erflater ten tijde van het passeren van de akte overeenstemt met hetgeen in het testament is vastgelegd.

De uiterste wil van erflater?

5.8.

In dit geval staat vast dat erflater in 2021, vier jaar vóór zijn overlijden, de notaris een concept-testament heeft laten opstellen. In 2023 heeft hij de notaris geschreven dat hij jaarlijks de erfstelling wilde actualiseren. Een recent (concept-)testament van een notaris was ten tijde van zijn overlijden niet voorhanden. Ook heeft erflater geen onderhandse akte bij een notaris in bewaring gegeven. Er is enkel het handgeschreven document dat erflater bij [naam 3] in bewaring heeft gegeven. [eisers] stelt dat dit document door erflater is opgesteld. Door [gedaagde] is in de conclusie van antwoord weliswaar aangevoerd dat dit niet volstrekt zeker is, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft zij daarmee deze stelling van [eisers] onvoldoende gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat zij het handschrift van haar broer herkent in het handgeschreven document en dat haar broer 20 jaar eerder, eveneens vóór een operatie, ook al eens een envelop bij [naam 3] heeft afgegeven ‘voor het geval dat’. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat het handgeschreven document door erflater zelf is opgesteld.

5.9.

Het handgeschreven document voldoet niet aan de wettelijke vereisten van een uiterste wilsbeschikking. Zo is er geen notaris aan te pas gekomen. Dit houdt in dat in beginsel het wettelijk versterferfrecht van toepassing is, op basis waarvan [gedaagde] enig erfgenaam zou zijn. Hiervan kan enkel worden afgeweken indien toepassing van het wettelijk versterfrecht in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.10.

[eisers] stelt dat er uitvoering moet worden gegeven aan het handgeschreven document. Zij stelt daarbij, onder verwijzing naar rechtspraak over concept-testamenten, dat er volstrekte zekerheid bestaat dat de inhoud van het handgeschreven document overeenstemt met de laatste wil van erflater. De bepalingen in het handgeschreven document komen overeen met wensen die erflater eerder heeft geuit. Zo heeft erflater al in eerdere contacten (onder andere met de notaris) de wens geuit om zijn personeel na zijn overlijden door te betalen, om [naam 3] als executeur aan te stellen, om zijn woning in [land 2] aan [eisers sub 3] te doen toekomen en om zijn vermogen te verdelen over zijn familieleden en vrienden. Dit alles past in een bestendige lijn die erflater de laatste jaren van zijn leven heeft gevolgd. Erflater vertrouwde erop dat zijn wensen zoals vastgelegd in het handgeschreven document uitgevoerd zouden worden. Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn die wil af te laten stuiten op een vormvereiste. Het zou bovendien gelet op de familieverhoudingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als de nalatenschap van erflater op grond van het wettelijk versterferfrecht enkel aan [gedaagde] zou toekomen, aldus [eisers]

5.11.

Het standpunt van [gedaagde] komt er in de kern op neer dat niet vastgesteld kan worden of het handgeschreven document de werkelijke wil van erflater bevat. Bij het opstellen van dit document is immers geen notaris aanwezig geweest. Juist de betrokkenheid van een notaris waarborgt dat de inhoud van een document de werkelijke wil van de opsteller weergeeft. Daarbij kan een notaris vaststellen wat de gemoedstoestand van de opsteller is en of hij de gevolgen van zijn wilsuitingen kan overzien. In dit geval is onduidelijk onder welke omstandigheden erflater het handgeschreven document heeft opgesteld. Daarnaast zijn er in het handgeschreven document bepalingen opgenomen die onuitvoerbaar zijn, zoals het doorbetalen van personeel (wat een aangelegenheid van de onderneming van erflater is en niet in een testament kan worden bepaald) en het ‘toewijzen’ van onroerend goed, waarbij de rangorde van schuldeisers in de nalatenschap wordt doorkruist. Samenvattend kan het handgeschreven document het wettelijk stelsel niet doorkruisen, aldus [gedaagde].

5.12.

De rechtbank is van oordeel dat het handgeschreven document van erflater geen doorkruising van het wettelijk stelsel rechtvaardigt. In de eerste plaats omdat dit document, anders dan in de door [eisers] aangehaalde uitspraken waarin is geoordeeld dat een afwijking van het wettelijk versterfrecht gerechtvaardigd is, geen concept-testament is dat door een notaris is opgesteld.

5.13.

Erflater heeft in de jaren voor zijn overlijden nagedacht over zijn nalatenschap en hij heeft meermalen voorbereidingen getroffen om een testament door een notaris op te laten stellen en te laten passeren. Het was voor erflater volstrekt duidelijk dat hiervoor de tussenkomst van een notaris vereist is. Ondanks die wetenschap is er nooit een testament gepasseerd en was er ten tijde van het overlijden van erflater geen concept-testament dat gereed was om gepasseerd te worden.

5.14.

Het handgeschreven document is opgesteld zonder tussenkomst van een notaris, zodat de hiervoor onder 5.3 beschreven waarborgen die daarmee samenhangen, niet in acht zijn genomen. Er is dus geen notaris geweest die heeft getoetst of dat wat in het handgeschreven document is opgenomen op dat moment ook daadwerkelijk de uiterste wil van erflater was, wat de gemoedstoestand van erflater ten tijde van het opstellen van het handgeschreven document was en of erflater de gevolgen van zijn wilsuitingen kon overzien. Er heeft ook geen overleg met een notaris plaatsgevonden over de juridische implicaties en de haalbaarheid van de wensen van erflater zoals opgenomen in het handgeschreven document, noch heeft de notaris de zakelijke inhoud van dit document aan erflater medegedeeld en daarop een toelichting gegeven. Het laatste contact met de notaris heeft begin 2023 plaatsgevonden, twee jaar vóór het overlijden van erflater. Enkel op basis daarvan kan, anders dan [eisers] heeft aangevoerd, niet vastgesteld worden dat erflater het handgeschreven document heeft opgesteld na hierover door de notaris te zijn geïnformeerd.

5.15.

Omdat het handgeschreven document geen door een notaris opgesteld concept-testament is, gaat een beroep op de door [eisers] aangehaalde rechtspraak en de leer van de volstrekte zekerheid niet op. Zelfs als het handgeschreven document gelijk zou worden gesteld met een concept-testament, kan naar het oordeel van de rechtbank nog steeds niet met volstrekte zekerheid vastgesteld worden dat wat staat vermeld in dit document de werkelijke wil van erflater op het moment van zijn overlijden is geweest.

5.16.

Uit de handelingen die erflater in de jaren voorafgaand aan zijn overlijden heeft verricht, waaronder zijn contacten met het notariskantoor, het in 2021 laten opstellen van een concept-testament, het opstellen van het handgeschreven document in 2025 en de uitlatingen die erflater heeft gedaan, kan weliswaar opgemaakt worden dat hij zijn nalatenschap anders heeft willen verdelen dan op grond van het wettelijk versterferfrecht. Er is echter niet met zekerheid vast te stellen wat erflater dan wel precies gewild heeft. Zijn wensen zijn in de loop der jaren op onderdelen gewijzigd en het handgeschreven document komt niet exact overeen met het laatste concept-testament van 12 oktober 2021.

5.17.

Tussen het moment waarop het handgeschreven document is opgesteld en het moment van overlijden zat bovendien een periode van een maand. Erflater stond ten tijde van het opstellen op het punt om geopereerd te worden en heeft kennelijk snel nog iets op papier willen zetten voor het geval hij zou komen te overlijden. Erflater wist op dat moment zoals gezegd echter dat tussenkomst van een notaris noodzakelijk was en heeft in zijn bericht van 3 januari 2025, waarbij hij een foto van de envelop (met daarin het handgeschreven document) met [eisers sub 1], [eisers sub 3] en [eisers sub 4] heeft gedeeld, zelf ook de kanttekening geplaatst dat dit “ook nog bij de notaris geregeld moet worden”. Erflater mocht er dan ook niet op vertrouwen dat het handgeschreven document voldoende zou zijn om daarmee zijn uiterste wil kenbaar te maken.

5.18.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het handgeschreven document geen aanleiding vormt om op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van het wettelijk versterferfrecht.

5.19.

Die aanleiding ziet de rechtbank ook niet in de door [eisers] gestelde familieverhoudingen. Het wettelijk versterferfrecht leidt er toe dat [gedaagde], de zus van erflater, enig erfgenaam is van erflater en dat het aan haar is om te beslissen wat er met de nalatenschap van erflater gebeurt. Volgens [eisers] behoorde [gedaagde] niet tot de intimi van erflater en waren de familieverhoudingen afstandelijk. Dit is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Vast staat in ieder geval dat erflater en [gedaagde] nog wel contact met elkaar hadden. Het lijkt er voorts op dat erflater aan [gedaagde], alsmede aan haar partner [naam 1] en zoon [naam 2], op grond van het handgeschreven document waar [eisers] zich op beroept tenminste een deel van zijn vermogen heeft willen nalaten. Toepassing van het wettelijk versterferfrecht leidt in dit geval dan ook niet tot onaanvaardbare gevolgen.

5.20.

Ten slotte kan ook de omstandigheid dat [gedaagde] na het overlijden van erflater aanvankelijk ervan uitging dat het handgeschreven document geldig en leidend is, zoals door [eisers] gesteld, niet tot een andere conclusie leiden. Uiteindelijk gaat het immers niet om de vraag wat [gedaagde] dacht of deed, maar of het handgeschreven document als uiterste wil van erflater kan worden beschouwd en of toepassing van het wettelijk versterferfrecht tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.

5.21.

[eisers] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de erfopvolging van erflater niet op grond van het wettelijk versterferfrecht plaatsvindt, maar op basis van het handgeschreven document. De overige vorderingen van [eisers] bouwen daar op voort. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank bij de erfopvolging van erflater het wettelijk versterferfrecht toepast. Dit houdt in dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen. Dit geldt ook voor de vorderingen die [eisers] voorwaardelijk heeft ingesteld, namelijk voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] enig erfgenaam is (de vorderingen onder VI en VII). Ook die voorwaardelijke vorderingen worden afgewezen, nu die vorderingen – blijkens de toelichting zoals door [eisers] ter zitting is gegeven – eveneens zijn gebaseerd op de inhoud en geldigheid van het handgeschreven document.

De proceskosten

5.22.

[eisers] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten. [gedaagde] heeft verzocht [eisers] in de werkelijke proceskosten te veroordelen, omdat zij – kort gezegd – misbruik van procesrecht heeft gemaakt door een evident kansloze procedure te starten. [gedaagde] heeft bovendien veel buitengerechtelijke kosten gemaakt door de procedure die [eisers] is gestart. De hoogte van die kosten rechtvaardigt ook een volledige proceskostenveroordeling, aldus [gedaagde].

5.23.

De rechtbank stelt voorop dat een veroordeling tot vergoeding van de volledige proceskosten alleen mogelijk is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Daarvan kan sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het fundamentele recht op toegang tot de rechter.

5.24.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze hoge drempel niet gehaald en heeft [eisers] geen misbruik van procesrecht gemaakt door onderhavige vordering in te stellen. Dat de vordering wordt afgewezen houdt niet in dat de vordering bij voorbaat kansloos was. De door [gedaagde] gemaakte buitengerechtelijke kosten rechtvaardigen evenmin een volledige proceskostenveroordeling. Dit houdt in dat [eisers] wordt veroordeeld in de (forfaitaire) proceskosten van [gedaagde], die worden begroot op:

- griffierecht

331,00

- salaris advocaat

1.306,00

(2 punten × tarief II van € 653,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.826,00

5.25.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst de vorderingen van [eisers] af;

6.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

6.3.

veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

6.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

3425



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733