Essentie (gemaakt door AI)
Contractueel medehuurder (A) zegt huur op na relatiebreuk wegens huiselijk geweld. Verhuurder erkent telefonische opzegmelding maar wacht op formele schriftelijke opzegging. Kantonrechter: verhuurder had de telefonische mededeling als opzegging moeten afhandelen; conversie naar opzegging per 1-8-25 met opzegtermijn van één maand. A slechts hoofdelijk aansprakelijk tot juli 2025. Ontbinding + ontruiming jegens gedaagde 2 (B); toewijzing huurachterstand, gebruiksvergoeding en buitengerechtelijke kosten; proceskosten voor B.| Datum publicatie | 21-04-2026 |
| Zaaknummer | 12082904 \ CV EXPL 26-634 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Huurwoning; Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Opzegging door contractueel medehuurder na relatiebreuk. Verhuurder wel bekend met opzegging maar wacht op formulier. Hoofdelijke aansprakelijk voor ontstane huurachterstand.Volledige uitspraak
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12082904 \ CV EXPL 26-634
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING SERVATIUS,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Woningstichting Servatius,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,
procederend in persoon,
2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] .
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde 2] verleende verstek,
- de (mondelinge) conclusie van antwoord zijdens [gedaagde 1]
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Woningstichting Servatius verhuurt met ingang van 17 april 2025 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 733,33 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
[gedaagde 1] heeft in april 2025 wegens geweld door haar partner [gedaagde 2] de woning verlaten. [gedaagde 1] heeft de huur tot en met juni 2025 betaald. Zij heeft zich op 9 juni 20025 laten uitschrijven op dit adres en contact gezocht met Woningstichting Servatius, teneinde de huurovereenkomst voor haar zelf op te zeggen. Afspraak met [gedaagde 2] was dat hij de huur zou voortzetten. [gedaagde 2] heeft sedertdien echter niets meer betaald.
In de algemene voorwaarden (2023) is het volgende opgenomen:
Hoofdelijkheid, medehuur
’17.1 Indien meerdere personen zich als huurder hebben verbonden, zijn deze steeds hoofdelijk en ieder voor het geheel jegens verhuurder aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen.(…)
Iemand die samen met een of meer anderen de huurovereenkomst met verhuurder is aangegaan en heeft ondertekend, zonder dat er sprake is van wettelijk medehuurderschap, verliest zijn huurderschap niet door het gehuurde definitief te verlaten, Ook dan blijft hij hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Een contractuele medehuurder kan slechts samen met de andere huurder(s) de huurovereenkomst door opzegging beëindigen.
Beëindiging door opzegging
Opzegging van de huurovereenkomst dient te geschieden bij deurwaardersexploot of aangetekende brief.
Opzegging van de huurovereenkomst door huurder kan geschieden tegen elke dag van een kalendermaand mits deze niet valt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, in welk geval opgezegd wordt tegen de eerstvolgende werkdag erna. Huurder dient een opzegtermijn van één maand in acht te nemen.
Woningstichting Servatius heeft [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aangemaand op 4 november 2025 om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen. [gedaagde 1] heeft geen aanmaningen ontvangen. De bij dagvaarding gevoegde en aan haar gerichte aanmaning is aan het adres van de gehuurde woning gestuurd.
3Het geschil
Woningstichting Servatius vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 5.728,23 aan huurachterstand tot en met januari 2026, buitengerechtelijke incassokosten en nevenvorderingen.
Woningstichting Servatius legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in hun verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet aan hun betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Woningstichting Servatius de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
[gedaagde 2] heeft in deze procedure verstek laten gaan, [gedaagde 1] voert verweer. Zij geeft aan dat zij zich al op 9 juni 2025 heeft laten uitschrijven van het adres van de huurwoning en vervolgens ook (telefonisch) contact heet gezocht met Woningstichting Servatius om de huur voor haar zelf te kunnen opzeggen. [gedaagde 2] zou de huur voortzetten. Zij werd destijds verwezen naar de website van Woningstichting Servatius om te kunnen opzeggen, hetgeen zij naar eigen zeggen ook heeft gedaan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
[gedaagde 2] verstek heeft laten gaan en als zodanig geen verweer heeft gevoerd tegen de door woningstichting Servatius ingestelde vorderingen. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde 1] aldus dat zij zich verzet tegen haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor het niet betalen van de huur door [gedaagde 2] met ingang van 1 juli 2025.
[gedaagde 1] is contractueel medehuurder (en geen wettelijk medehuurder in de zin van artt. 7:266 of 267 BW) met betrekking tot de tussen partijen gesloten huurovereenkomst. Op basis van de bij dagvaarding overgelegde Algemene Voorwaarden (2013; zie hiervoor onder 2.3.) zou door [gedaagde 1] niet eenzijdig doch slechts samen met [gedaagde 2] kunnen worden opgezegd. Op deze bepaling heeft woningstichting Servatius zich echter ter onderbouwing van haar vordering op [gedaagde 1] niet beroepen. Zij stelt evenwel nimmer een schriftelijke opzegging van [gedaagde 1] te hebben ontvangen, waardoor deze opzegging niet kon worden afgewikkeld en [gedaagde 1] naast [gedaagde 2] ook (hoofdelijk) aansprakelijk bleef voor de ontstane huurachterstand.
Tijdens de mondelinge behandeling erkende mevrouw [naam] , werkzaam als financieel coach bij woningstichting Servatius, dat zij in juni 2025 inderdaad telefonisch contact heeft gehad met [gedaagde 1] over de door haar gewenste opzegging van de huur. Ook later in het jaar is er nog contact geweest, waarbij werd aangegeven dat nog geen formele opzegging was ontvangen en dat dit noodzakelijk was om de huur voor [gedaagde 1] te kunnen beëindigen. Ook daarop is geen opzegging ontvangen volgens Servatius.
Nu woningstichting Servatius zich niet heeft beroepen op het bepaalde onder art. 17.2 van de van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden en ook overigens uit haar reacties (via haar medewerkster mevrouw [naam] ) volgt, dat opzegging door één van de betrokken contractuele medehuurders als in de onderhavige kwestie geaccepteerd zou worden, zal ook de kantonrechter daarvan uitgaan.
Dan rest de vraag of er formeel geldig is opgezegd door [gedaagde 1] . Geen enkele van de door haar beweerdelijk verzonden opzeggingen is door woningstichting Servatius ontvangen. [gedaagde 1] heeft daarvan ook geen bewijs kunnen inbrengen (zoals bijvoorbeeld een bewijs van aangetekende verzending). Het verloren gaan en/ of niet ontvangen worden van door [gedaagde 1] verzonden formulieren (via internet dan wel papieren post), dient in principe voor haar rekening te blijven.
Gezien de bevestiging door mevrouw [naam] van woningstichting Servatius van het contact tussen haar en [gedaagde 1] in juni 2025, moet het voor woningstichting Servatius echter vanaf dat op moment duidelijk zijn geweest dat [gedaagde 1] voor haar zelf de huur wilde beëindigen. Ook veronderstelt de kantonrechter dat daarbij de omstandigheden die tot deze opzegging door [gedaagde 1] hebben geleid bij woningstichting Servatius bekend waren, zoals een (door huiselijke geweld veroorzaakt) einde aan een affectieve relatie, het reeds verlaten hebben van de woning door [gedaagde 1] en de wens van [gedaagde 2] om de huur voort te zetten. [gedaagde 2] heeft door in de woning te blijven wonen ook impliciet de afspraak met [gedaagde 1] tot voortzetting van de huur door hem bevestigd.
In het lichaam van de dagvaarding spreekt woningstichting Servatius zelf ook slechts van een met [gedaagde 2] gesloten huurovereenkomst en een toerekenbaar tekortschieten door [gedaagde 2] . [gedaagde 1] wordt daarbij niet vermeld, evenmin haar verweer, anders dan eerst bij de vordering tot hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] in het petitum van de dagvaarding.
Onder deze omstandigheden had de woningstichting naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid pro actief deze telefonische mededeling door [gedaagde 1] als een opzegging moeten afhandelen (in plaats van op een formele bevestiging te wachten). Er bestond ook geen beletsel nu er tot op dat moment geen huurachterstand was. Nu de kantonrechter er van uitgaat dat [gedaagde 1] op deze wijze in juni 2025 de huur heeft opgezegd, dient nog te worden uitgegaan van de geldende opzegtermijn van één maand, hetgeen betekent dat op basis van art. 7:271 BW (de conversie regel) [gedaagde 1] naast [gedaagde 2] nog wel hoofdelijk aan te spreken is voor de huur over de maand juli 2025. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde 1] als een verzoek tot een verklaring voor recht.
[gedaagde 2] heeft verder niet weersproken dat er een totale huurachterstand is die van juli 2025 tot en met januari 2026 berekend is op een bedrag van € 5.133,31. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
Woningstichting Servatius vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom zal een bedrag van € 594,91 worden toegewezen.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Woningstichting Servatius heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
1 De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
2
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand zeven maanden.
De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
Woningstichting Servatius wil ook dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 733,33, te rekenen vanaf de maand februari 2026 tot het moment dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gehuurde ontruimen. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog in het gehuurde verblijven. Deze vordering zal worden toegewezen ten aanzien van [gedaagde 2] , nu - zoals hiervoor overwogen - de huurovereenkomst ten aanzien van [gedaagde 1] reeds is geëindigd.
[gedaagde 2] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting Servatius worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
||
|
- griffierecht |
€ |
559,00 |
||
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
|
Totaal |
€ |
1.576,02 |
Inzake [gedaagde 1] worden partijen over en weer in het (on)gelijk gesteld, hetgeen de kantonrechter aanleiding geeft de kosten te compenseren. Dit betekent dat elke partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde tussen [gedaagde 1] en woningstichting Servatius per 1 augustus 2025 is geëindigd en dat deze huurovereenkomst nadien werd voortgezet door en voor rekening van [gedaagde 2] ,
ontbindt de tussen [gedaagde 2] en woningstichting Servatius bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] ,
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woningstichting Servatius zijn, en de sleutels af te geven aan Woningstichting Servatius,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om te betalen aan Woningstichting Servatius een bedrag van € 733,33 betreffende de huur over de maand juli 2025,
veroordeelt [gedaagde 2] om te betalen aan Woningstichting Servatius een bedrag van
- € 4.399,98 aan achterstallige huur van augustus 2025 tot en met januari 2026,
- € 733,33 per maand vanaf februari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde 2] om aan Woningstichting Servatius te betalen een bedrag van € 594,91 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 1.576,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
compenseert de kosten van deze procedure tussen [gedaagde 1] en woningstichting Servatius,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
