Essentie (gemaakt door AI)
Gezamenlijk gezag afgewezen. Vader verzoekt om gezamenlijk gezag over minderjarige. Moeder verzet zich. Rechtbank past art. 1:253c lid 2 onder a en b BW toe en acht eenhoofdig gezag noodzakelijk in het belang van het kind. Verhouding tussen ouders is niet gelijkwaardig; vader is dominant en directief richting moeder, die zich timide voelt mede door eerder huiselijk geweld en een voormalig contactverbod. Hulpverlening om samenwerking te verbeteren is nog niet gestart. Verzoek van vader wordt afgewezen.| Datum publicatie | 20-04-2026 |
| Zaaknummer | C/16/588667 FO RK 25-151 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Gezag; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Gezamenlijk gezag afgewezen. Verhouding tussen ouders niet gelijkwaardig. Vader dwingend naar moeder. Eerder huiselijk geweld. Onvoldoende basis voor overleg.Volledige uitspraak
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/588667 / FO RK 25-151
Gezag
Beschikking van 24 maart 2026
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen,
tegen
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. N.A. de Kock.
1De procedure
De rechtbank heeft op 4 april 2025 de beslissing op het verzoek uitgesteld, omdat zij er vertrouwen in had dat de ouders konden toewerken naar het gezamenlijk gezag.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
-
de brief van de vader van 3 oktober 2025;
-
de brief van de moeder van 14 november 2025;
-
de brief van de vader van 14 november 2025;
-
het bericht van de moeder (met bijlagen) van 23 februari 2026.
Het verzoek is verder besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 24 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
partijen met hun advocaten;
-
mevrouw [A.] en mevrouw [B.] namens de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI).
De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich per e-mail van 23 februari 2026 afgemeld voor de zitting, omdat hij geen zittingsvertegenwoordiger beschikbaar had.
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] , de dochter van de ouders, niet gevraagd
wat zij van het verzoek vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of
ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
2Waar de procedure over gaat
De ouders hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij de moeder.
De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat de moeder de belangrijke beslissingen over [minderjarige] neemt.
Bij beschikking van 22 maart 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 22 maart 2024. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 oktober 2025 tot 22 september 2026.
Bij beschikking van 20 maart 2025 heeft de kinderrechter de omgangsregeling als volgt gewijzigd:
- [minderjarige] verblijft in de oneven weken van woensdag tot en met zondag bij de vader. De moeder brengt [minderjarige] op woensdag om 14.00 uur naar [woonplaats 1] , en de vader brengt haar op zondag om 16.00 uur terug naar de moeder in [woonplaats 2] . In de even weken verblijft [minderjarige] bij de moeder.
De vader blijft bij zijn verzoek aan de rechtbank om hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De moeder wil nog steeds dat de rechtbank het verzoek van de vader afwijst en anders wil zij dat de rechtbank het verzoek aanhoudt.
3De beoordeling
De beslissing
De rechtbank zal het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te worden belast afwijzen. Dit betekent dat de moeder alleen het gezag blijft uitoefenen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
De toelichting
Het wettelijk kader
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders het gezag over een kind gezamenlijk uitoefenen. Uit de wet volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten.
1 Het verzoek wordt slechts afgewezen, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen
2, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3
Daarbij overweegt de rechtbank dat voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, of tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen zodanig dat het kind niet klem over verloren raakt tussen de ouders. Het ontbreken van een goede communicatie is zonder meer onvoldoende.
Eenhoofdig gezag noodzakelijk in het belang van [minderjarige]
De rechtbank heeft in de beschikking van 4 april 2025 al overwogen dat de ouders van ver komen. Al gedurende de zwangerschap, en ook daarna, was er een zorgelijke situatie. De vader heeft namelijk huiselijk gepleegd tegen de moeder. De moeder en [minderjarige] hebben daarom tijdelijk in een opvanghuis verbleven. De vader heeft een contactverbod voor de duur van twee jaren opgelegd gekregen. Inmiddels is er geen contactverbod meer, en heeft de vader een ruime omgangsregeling met [minderjarige] . De rechtbank overwoog toen dat de ouders weliswaar veel stappen hadden gezet, maar dat zij geen ervaring hadden met gezamenlijk ouderschap. Het verleden had daarnaast zijn sporen nagelaten. De rechtbank heeft het verzoek toen aangehouden omdat de ouders hulp zouden krijgen om samen te werken en gezamenlijk beslissingen te nemen. Die hulp is tot op heden niet gestart.
De rechtbank constateert dat de vader, moeder en de GI het erover eens zijn dat tussen de ouders geen gelijkwaardige verhouding bestaat. Ze zijn het alleen niet eens over waar die ongelijkwaardigheid in zit, en op welke manier gelijkwaardigheid kan worden bereikt. De rechtbank is van oordeel dat de moeder en de GI voldoende hebben onderbouwd dat de ongelijkwaardigheid in de verhouding tussen de ouders maakt dat behoud van het eenhoofdig gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
De jeugdbeschermer en de moeder hebben tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader in de appgroep die de ouders, de jeugdbeschermer en iemand van het [naam] zitten, regelmatig dominant en directief is. Hij draagt de moeder als het ware dingen op en stelt veel vragen. De moeder voelt zich niet vrij om daar nee tegen te zeggen en doet dan wat de vader graag wil. De jeugdbeschermer vreest dat vanwege die dynamiek bij gezamenlijk gezag vooral beslist zal worden wat de vader graag wil. De jeugdbeschermer vindt dat niet in het belang van [minderjarige] . De moeder heeft naar voren gebracht dat zij zich, ook door het verleden, vaak timide en ondergesneeuwd voelt door de vader. Zij geeft dan vaak toe aan wat de vader graag wil, omdat zij niet tegen hem op kan. Dat, terwijl de vader aan de andere kant informatie niet deelt. Hij weigert namelijk om zijn adres met de moeder te delen. Zij weet dus niet waar [minderjarige] verblijft als ze bij haar vader is.
De vader erkent dat hij veel vragen stelt aan de moeder, maar verklaart dat juist vanuit zijn ongelijkwaardige positie als ouder zonder gezag. Zij heeft immers een betere informatiepositie dan hij, en hij is van haar afhankelijk voor informatie over [minderjarige] . Die disbalans maakt de verhouding met de moeder ingewikkeld. De vader denkt dat de gelijkwaardigheid die zal ontstaan door gezamenlijk gezag ook zal leiden tot een betere communicatie tussen de moeder en hem.
De rechtbank vindt dat de vader die stelling onvoldoende heeft onderbouwd, gelet op wat de moeder heeft gesteld en onderbouwd. De ouders hebben als gezegd geen ervaring met gezamenlijk ouderschap en met beslissingen nemen in overleg. Dat tijdens de zwangerschap en daarna sprake was van een disbalans staat voor de rechtbank vast, gelet op het genoemde contactverbod. De verstandhouding tussen de ouders is sindsdien niet verbeterd. Dat maakt dat de rechtbank meer gewicht toekent aan hoe de moeder (en de jeugdbeschermer) de ongelijkwaardigheid definieert, en wat de gevolgen daarvan zijn in het geval gezamenlijk gezag wordt toegekend, dan hoe de vader dat schetst. De vrees van de moeder, dat de houding van de vader zich zal vertalen in gezagsbeslissingen waarin zijn wens domineert, vindt de rechtbank dan ook gegrond. En dat is niet de manier waarop ouders bij gezamenlijk gezag beslissingen dienen te nemen, te weten in (gelijkwaardig) overleg en in gezamenlijkheid.
Hulpverlening
Ook nu de rechtbank beslist dat de vader niet wordt belast met het gezag is van belang dat de ouders hulp krijgen, bijvoorbeeld solo parallel ouderschap, gelet op de geschetste dynamiek. Duidelijk is immers dat [minderjarige] last heeft van de moeilijke verstandhouding tussen de ouders. Zij is inmiddels aangemeld voor hulpverlening. Hoewel dat op zichzelf natuurlijk goed is, is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ouders om die hulp te aanvaarden die nodig is om het voor [minderjarige] iets makkelijker te maken.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.
4De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vader af.
|
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. T. Dopheide, (kinder)rechter in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
Artikel 1:253c lid 2 onder a BW
Artikel 1:253c lid 2 onder b BW
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
