Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-04-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2117

Essentie (gemaakt door AI)

Moeder verzoekt opheffing ondertoezichtstelling of vervanging GI wegens onvoldoende oog voor veiligheid van haar en kinderen; beroep op Verdrag van Istanbul. Hof oordeelt dat ernstige ontwikkelingsbedreiging voortduurt, vrijwillig kader onvoldoende en dat GI betrokken moet blijven. Bekrachtiging afwijzing opheffing. Hoger beroep tegen afwijzing vervanging GI staat niet open; moeder is daarin niet-ontvankelijk, nu alleen cassatie in het belang der wet mogelijk is art. 807 onder a Rv. Hof bekritiseert GI wegens onvoldoende aandacht voor door vader veroorzaakte (

Datum publicatie17-04-2026
Zaaknummer200.363.873/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek moeder opheffen ondertoezichtstelling of vervangen GI. GI heeft onvoldoende oog voor veiligheid moeder en kinderen. Verdrag van Istanbul. Hoger beroep staat niet open tegen afwijzing verzoek tot vervanging GI.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.363.873/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 249015

beschikking van 9 april 2026

over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

advocaat: mr. M. Schuring te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI),

die is gevestigd in Assen,

en

[belanghebbende] (de vader),
die woont in [woonplaats2] ,

advocaat: mr. P.W. Huitema te Groningen.

1Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft de verzoeken van de moeder om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op te heffen of de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling, afgewezen. Het hof beslist dat het verzoek om de ondertoezichtstelling op te heffen, op juiste gronden is afgewezen. Over het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling beslist het hof dat het op grond van de wet niet mogelijk is hierover in hoger beroep te beslissen. Het hof legt hierna uit waarom.

2De feiten

2.1.

De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2017;

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020.

2.2.

De relatie van de moeder en de vader is geëindigd op 13 september 2022. Op die datum heeft de vader de moeder in het bijzijn van de kinderen mishandeld. De vader heeft daarvoor in voorarrest gezeten, heeft een contact- en locatieverbod gekregen en is uiteindelijk voor deze mishandeling strafrechtelijk veroordeeld door de politierechter.

2.3.

De kinderen wonen bij de moeder. Zij verblijven sinds 2023 bij de vrouwenopvang [naam1] .

2.4.

De kinderen staan sinds 19 april 2023 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 19 april 2026. De GI heeft op 26 februari 2026 een verzoek bij de kinderrechter ingediend om de ondertoezichtstelling van de kinderen met een jaar te verlengen.

2.5.

De vader is bij vonnis van 27 november 2024 door de rechtbank vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, te weten opzettelijke en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving van de jeugdbeschermers. De vader is veroordeeld voor het aan hem subsidiair ten laste gelegde feit, te weten dwang (door tegen de wil van de jeugdbeschermers hun te belemmeren zich te verwijderen uit de woning), tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van zestig uren. De vader heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij uitspraak van 21 november 2025 de vader voor hetzelfde feit veroordeeld, maar een andere straf opgelegd, te weten een onvoorwaardelijke taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Het hof heeft de proeftijd, die eerder aan de vader was opgelegd naar aanleiding van een andere veroordeling, verlengd met één jaar.

2.6.

De rechtbank heeft op 28 maart 2024 een verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen en haar alleen met het gezag te belasten, afgewezen. Verder heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader.

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.

Het hof heeft op 28 augustus 2025 de beslissing van de rechtbank van 28 maart 2024 ongedaan gemaakt (vernietigd). Het hof heeft het gezag van de vader over de kinderen beëindigd. Daarnaast heeft het hof een omgangsregeling vastgesteld, waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen een weekend bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur.

3De procedure bij de kinderrechter

3.1.

De moeder heeft verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen op te heffen of de uitvoering van de ondertoezichtstelling over te dragen aan een andere gecertificeerde instelling.

3.2.

De kinderrechter heeft de verzoeken van de moeder afgewezen.

3.3.

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 2 december 2025.

4De procedure bij het hof

4.1.

De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en één van haar verzoeken alsnog toewijst, bij voorkeur het verzoek om de ondertoezichtstelling op te heffen. Ook verzoekt zij het hof om de GI te veroordelen in de kosten van de procedures bij de kinderrechter en bij het hof.

4.2.

De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Over het verzoek van de moeder tot vervanging van de GI verzoekt de GI het hof een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3.

De vader wil dat de beslissing van de kinderrechter volledig in stand blijft.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.4.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift, ontvangen op 20 januari 2026;

  • de brief van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 9 februari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;

  • het verweerschrift van de GI;

  • de stukken van de moeder, ingediend op 12 maart 2026 en 16 maart 2026;

  • de stukken van de vader, ingediend op 16 maart 2026;

  • de spreekaantekeningen van de advocaten van de moeder en de vader, die zijn voorgedragen tijdens de zitting van 26 maart 2026.

4.5.

[de minderjarige1] heeft op 23 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de ondertoezichtstelling.

4.6.

De zitting bij het hof was op 26 maart 2026. Aanwezig waren:

  • de moeder met haar advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de GI;

  • de vader met zijn advocaat.

5Het oordeel van het hof

* Verzoek opheffing ondertoezichtstelling

Wat staat in de wet?

5.1.

De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen als de gronden voor de ondertoezichtstelling, zoals bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet langer aanwezig zijn. 1 Dat artikel bepaalt dat er een grond is om een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen 2. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.

Hoe oordeelt het hof?

5.2.

Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking onder r.o. 5.4. hierover onder meer het volgende overwogen:

“Gedurende een zeer lange periode zijn de kinderen blootgesteld aan de volwassenproblematiek en de onderlinge strijd tussen de ouders. De thuissituatie is

gekenmerkt door structurele onveiligheid en onvoorspelbaarheid waarin er veelvuldig

sprake is geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder en de kinderen. Dit

heeft ertoe geleid dat het hof in augustus van dit jaar het gezag van de vader over [de minderjarige1] en

[de minderjarige2] heeft beëindigd. Dat de moeder, als gevolg van de gezagsbeëindiging, geen overleg

meer hoeft te voeren met de vader als het gaat om gezagsbeslissingen ten aanzien van

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] en slechts in beperkte mate met de vader hoeft te communiceren, laat

onverlet dat de zorgen over (de ontwikkeling van) de kinderen onverminderd aanwezig zijn.

Er is nog steeds sprake van veel onvoorspelbaarheid en instabiliteit in het leven van de

kinderen.

(…)

Het voorgaande zorgt ervoor dat de kinderen nog steeds belast worden met de volwassenproblematiek die speelt en er een aanhoudend risico bestaat dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een loyaliteitsconflict raken. De kinderrechter is daarom van oordeel dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.”

5.3.

Het hof neemt - na eigen onderzoek - de hiervoor geciteerde motivering van de kinderrechter over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

5.4.

Er is nog altijd sprake van een forse, aanhoudende strijd tussen de ouders. Beide ouders worden volledig in beslag genomen door hun onderlinge strijd. Zij communiceren niet of nauwelijks met elkaar. Deze verhouding tussen de ouders heeft vooral te maken met het feit dat de vader gewelddadig is geweest richting de moeder, ook in het bijzijn van de kinderen. De vader is hiervoor door de politierechter veroordeeld. De moeder voelt zich niet veilig en verblijft daarom in een vrouwenopvang. Zij erkent (deels) dat de kinderen nog ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, in elk geval in die zin dat zij te maken hebben met de onveiligheid. Het hof acht het zorgelijk dat de vader niet onderkent dat zijn gedrag richting de moeder een ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen is. Het hof wijst de vader erop dat het op zijn weg ligt om ervoor te zorgen dat de moeder zich weer veilig voelt. Dat is zijn verantwoordelijkheid in de opvoeding van de kinderen.

De kinderen worden emotioneel belast door de verhouding tussen de ouders. Daar komt bij dat, zo wordt in het door de GI overgelegde gespreksverslag vermeld, [de minderjarige1] in februari 2026 tegen de jeugdbeschermer heeft gezegd dat hij twee of drie keer, de laatste keer was in 2025, bij zijn moeder een opname heeft teruggezien van het voorval dat zijn vader zijn moeder bij de keel greep. De moeder betwist dat zij deze opname aan [de minderjarige1] heeft laten zien. Zij denkt dat [de minderjarige1] dit heeft gezegd, omdat hij tijdens zijn EMDR-therapie in zijn hoofd terug moet naar een voor hem traumatisch moment en dat hij zelf het moment van deze mishandeling heeft gekozen, waardoor hij die mishandeling een aantal keren in zijn hoofd heeft ‘afgespeeld’. Het is het hof niet precies duidelijk geworden wat [de minderjarige1] al dan niet heeft gezegd of moeten doen, maar het baart het hof wel zorgen.

5.5.

Verder acht het hof voortzetting van hulpverlening in het gedwongen kader (de ondertoezichtstelling) nodig, juist vanwege de onveiligheid die de moeder door de vader ervaart en het feit dat de vader onvoldoende probleembesef hierover toont. In het vrijwillig kader zou de moeder zelf met de vader moeten communiceren. De vader heeft niet laten zien dat hij op een constructieve, neutrale manier kan reageren op informatie van de moeder. Het hof acht het niet in het belang van de kinderen dat de moeder als gezaghebbende ouder zelf, zonder begeleiding vanuit de GI, moet communiceren met de vader. Het hof heeft, evenals de GI, zorgen over hoe het contact tussen de ouders zal zijn en hoe zij afspraken gaan maken over de omgangsregeling, wanneer er geen toezicht meer is van een gecertificeerde instelling. Het hof acht het risico op escalaties op dit moment nog te groot.

Daarnaast zou de moeder de hulpverlening in het vrijwillig kader zelf moeten regelen. Gebleken is dat de moeder zelf de hulpverlening van [naam2] heeft ingezet. Vanwege de huidige situatie vindt zij het niet verantwoord om op dit moment daarnaast andere hulpverlening in te zetten voor de kinderen. De GI heeft echter aangegeven dat de door de moeder ingezette hulpverlening van [naam2] ontoereikend is. Deze hulpverlening kan namelijk niets zeggen over de sociaal-emotionele ontwikkeling en de identiteitsontwikkeling van de kinderen, terwijl de GI hier wel grote zorgen over heeft. Het hof is er dan ook niet van overtuigd dat de kinderen in het vrijwillig kader de hulpverlening krijgen die zij nodig hebben. Het hof acht het daarom in het belang van de kinderen noodzakelijk dat er een gecertificeerde instelling betrokken blijft, die het belang en de veiligheid van de kinderen tussen deze strijdende ouders kan waarborgen.

* Verzoek vervanging GI

5.6.

De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, op verzoek van die gecertificeerde instelling, de raad, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, vervangen door een andere gecertificeerde instelling. 3 Tegen een beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling kan geen hoger beroep worden ingesteld, maar alleen cassatie in het belang van de wet. 4 De moeder heeft ook geen beroep gedaan op, noch is gebleken dat sprake is van een doorbrekingsgrond van het appelverbod. Voor zover namens de moeder tijdens de zitting is verzocht de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling, is dit een nieuw verzoek dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Gelet daarop zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de vervanging van de gecertificeerde instelling.

5.7.

Als de moeder wil dat een andere gecertificeerde instelling de ondertoezichtstelling uitvoert, zal zij zich dus (opnieuw) moeten wenden tot de kinderrechter. Tijdens de zitting is gebleken dat op 14 april 2026 een mondelinge behandeling zal plaatsvinden bij de kinderrechter over het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met een jaar te verlengen. Het hof geeft de moeder (of de GI zelf) dringend in overweging de kinderrechter in die procedure (opnieuw) te verzoeken de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Het hof zal hierna uitleggen waarom.

5.8.

Het hof heeft bij beschikking van 28 augustus 2025 het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en bepaald dat het gezag voortaan aan de moeder toekomt. In deze beschikking is het hof uitgebreid ingegaan op het zorgelijke gedrag van de vader, het feit dat hij de moeder in het bijzijn van de kinderen heeft mishandeld en de veiligheid van de moeder en de kinderen in de situatie met de vader. Het hof heeft, onder verwijzing naar onder meer het Verdrag van Istanbul, overwogen dat bij beslissingen in deze zaak er rekening mee moet worden gehouden dat de rechten en de veiligheid van de moeder, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gewaarborgd zijn. Ook heeft het hof overwogen dat op veel plaatsen in de rapportages het huiselijk geweld van de vader richting de moeder en de kinderen niet expliciet wordt omschreven, maar dat bijvoorbeeld wordt gesproken over ‘huiselijk geweld tussen ouders’ en ‘strijd als ex-partners’ of dat wordt aangegeven dat moet worden ingezet op het verbeteren van de onderlinge communicatie. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de wijze waarop de hulpverlening is vormgegeven onvoldoende recht doet aan de bescherming waarop de moeder en de kinderen op grond van de in die beschikking genoemde verdragen aanspraak kunnen maken.

5.9.

Het hof constateert in deze procedure dat de GI in de beschikking van het hof van 28 augustus 2025 geen aanleiding heeft gezien om haar aanpak aan te passen. Zij blijft bij haar standpunt, ook tijdens deze procedure in hoger beroep, dat er geen sprake is van onveiligheid voor de kinderen bij beide ouders. De moeder heeft de GI moeten verzoeken om veiligheidsafspraken ten behoeve van de omgangsregeling op te stellen. Weliswaar heeft de GI dit vervolgens gedaan, maar bij deze afspraken wordt naar het oordeel van het hof (opnieuw) te weinig onderscheid gemaakt tussen de vader en de moeder. Uit de beschikking van het hof van 28 augustus 2025 blijkt duidelijk dat de onveiligheid door de vader wordt veroorzaakt. Het hof acht het zorgelijk dat de vader tijdens de zitting deze beschikking een “voor iedereen onbegrijpelijke uitspraak van het hof” heeft genoemd, dat hij opnieuw heeft ontkend dat er sprake is geweest van onveiligheid en dat namens hem juist is gesteld dat de zorgen en conflicten in hoofdzaak worden geïnitieerd door de moeder. Hiermee toont de vader geen inzicht in zijn aandeel in de ontstane situatie. De GI heeft onvoldoende oog voor en verbindt onvoldoende gevolgen aan de door de vader veroorzaakte onveiligheid voor de moeder en de kinderen. De GI neemt de moeder op deze manier onvoldoende serieus in de onveiligheid die zij ervaart richting de vader. Dit heeft zijn weerslag op de kinderen, die bij de moeder wonen. Dat maakt dat wanneer de GI haar standpunt en daarmee haar aanpak niet wijzigt, de ontwikkelingsbedreigingen voor de kinderen zullen blijven bestaan.

Proceskosten

5.10.

De moeder heeft verzocht de GI te veroordelen in de kosten van beide instanties. Zij heeft dit verzoek niet nader onderbouwd. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat iedere partij de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten), omdat het hier gaat om een ondertoezichtstelling.

6De beslissing

Het hof:

6.1.

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de vervanging van de gecertificeerde instelling;

6.2.

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 2 december 2025;

6.3.

compenseert de proceskosten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Coster, L. Pieters en A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

2

artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW

3

artikel 1:259 BW

4

artikel 807 onder a Rv



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733