Hoge Raad 17-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:664

Essentie (gemaakt door AI)

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Hof stelt bijdragen vast voor zoon en dochter, maar laat kinderen van vader uit andere relatie buiten beschouwing wegens gebrek aan gegevens. Hoge Raad oordeelt dat bij meerdere onderhoudsverplichtingen in beginsel gelijkelijke verdeling geldt; ontbrekende gegevens moeten worden geschat met toepassing van art. 21 en 22 Rv,. Motivering hof schiet tekort. Beschikking van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen.

Datum publicatie17-04-2026
Zaaknummer25/01181
ProcedureCassatie
Formele relatiesConclusie: ECLI:NL:PHR:2026:112; In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:745
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Samengestelde gezinnen: geen gegevens partner; Samengestelde gezinnen: gelijk verdelen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Personen- en familierecht. Levensonderhoud. Kinderalimentatie. Rekening houden met onderhoudsverplichtingen jegens kinderen uit andere relatie.

Volledige uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/01181

Datum 17 april 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de man,

advocaat: N.C. van Steijn,

tegen

1. [de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna: de vrouw,

2. [de dochter],

wonende te [woonplaats],

hierna: de dochter,

VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen.

1Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/10/612071 / FA RK 21-620 van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2024;

b. de beschikking in de zaak 200.345.261/01 van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2025.

De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw en de dochter hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2025 en tot verwijzing.

De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Uitgangspunten en feiten

2.1

De man en de vrouw hebben met elkaar een relatie gehad. Zij hebben samen een minderjarige zoon (hierna: de zoon) en een jongmeerderjarige dochter (hiervoor al aangeduid als: de dochter). De man heeft ook twee minderjarige kinderen uit een andere relatie.

2.2

De vrouw heeft in dit geding onder meer verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon en de (bij aanvang van de procedure in eerste aanleg nog minderjarige) dochter vast te stellen van € 250,-- per kind per maand. De rechtbank 1 heeft dat verzoek afgewezen.

2.3

Het hof 2 heeft de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de kinderbijdragen vernietigd. Het heeft bepaald dat de man aan de vrouw ten behoeve van de zoon een bedrag van € 250,-- aan kinderalimentatie moet voldoen, en aan de (inmiddels meerderjarige) dochter een bedrag van € 105,-- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie. Het hof heeft onder meer het volgende overwogen:

Draagkrachtvergelijking

5.16.

De draagkracht van de man bedraagt, zoals hiervoor berekend, € 655,- per maand. Nu geen gegevens zijn overgelegd met betrekking tot de twee jongste kinderen van de man en zijn nieuwe partner, zal het hof deze bij de draagkrachtvergelijking buiten beschouwing laten. De draagkracht van de vrouw bedraagt € 769,- per maand, wat maakt dat partijen gezamenlijk een draagkracht hebben van [€ 665,- + € 769,- =] € 1.434,- per maand. Deze draagkracht is voldoende om in de totale behoefte van [€ 691,- + € 226,- =] € 917,- te voorzien.

5.17.

Het hof zal de draagkracht van de man naar rato van de behoefte over [de zoon] en [de dochter] verdelen. De behoefte van [de zoon] bedraagt € 691,-. Dit betekent dat van de draagkracht van de man een bedrag van [€ 665,- / € 1.434,- x € 691,- =] € 320,- beschikbaar is voor [de zoon]. De behoefte van [de dochter] bedraagt € 226,-, zodat [€ 665,- / € 1.434,- x € 226,- =] € 105,- beschikbaar is voor [de dochter].

Conclusie

5.18.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man toereikend genoeg is om de door de vrouw verzochte kinderalimentatie van € 250,- ten behoeve van [de zoon] te voldoen. Ook de bijdrage van € 105,- in de kosten van levensonderhoud en studie van [de dochter] kan de man, gelet op zijn draagkracht, voldoen. (…)”

3Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.16-5.18) dat het de kinderen van de man uit zijn andere relatie buiten beschouwing laat bij de vaststelling van de bijdragen voor de zoon en de dochter. Het voert onder meer aan dat het hof heeft miskend dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen de kinderen moet worden verdeeld, en dat de overweging van het hof dat geen gegevens zijn overgelegd met betrekking tot de twee jongste kinderen van de man en zijn nieuwe partner, zonder nadere motivering de ongelijke verdeling niet kan dragen. Volgens het onderdeel heeft de man wél gegevens overgelegd met betrekking tot de kinderen uit zijn andere relatie.

3.2

Bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder moet rekening worden gehouden met onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen. 3 Wanneer een onderhoudsplichtige ouder onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, moet het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. 4

Als de rechter niet de beschikking krijgt over de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de behoefte van de kinderen uit de andere relatie en de draagkracht van de andere ouder van die kinderen (hierna: de andere ouder), moet hij die behoefte en draagkracht zoveel als mogelijk schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens. Het staat hem daarbij, gelet op de art. 21 en 22 Rv, vrij rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Als de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat de andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van de kinderen uit die andere relatie. 5

De rechter moet zijn oordeel over (de hoogte van) de kinderbijdrage zodanig motiveren dat het voldoende inzicht geeft in de gedachtegang die daaraan ten grondslag ligt, teneinde dat oordeel voor zowel partijen als derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. 6

3.3

Het hof heeft bij de berekening van de onderhoudsverplichting voor de zoon en de dochter de onderhoudsverplichting van de man jegens de kinderen uit de andere relatie buiten beschouwing gelaten op de grond dat de man geen gegevens heeft overgelegd met betrekking tot die kinderen en zijn nieuwe partner. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet waarom het de behoefte van de kinderen uit de andere relatie en de draagkracht van de nieuwe partner niet, aan de hand van de wel beschikbare gegevens (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.17-3.19), heeft geschat, en daaruit blijkt evenmin van bijzondere omstandigheden die een ongelijke verdeling rechtvaardigen. Daarmee heeft het hof de hiervoor in 3.2 weergegeven regels miskend. De hiervoor in 3.1 genoemde klachten slagen dus.

3.4

De overige klachten van onderdeel 1 kunnen onbehandeld blijven.

3.5

De klachten van onderdeel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO) .

4Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 april 2026.

1

Rechtbank Rotterdam 27 mei 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:14122.

2

Gerechtshof Den Haag 12 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:745.

3

HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689, rov. 2.4.2.

4

HR 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1480, rov. 3.2.

5

Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, rov. 3.4.2.

6

Vgl. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, rov. 4.2.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733