Gerechtshof Den Haag 31-03-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:505

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep in vermogensafwikkeling ex-echtgenoten waarin is beslist over regres, verjaring en verrekening. Regresvorderingen ontstaan pas na betaling >50% en verjaren na 5 jaar. Verrekening met reeds verjaarde vorderingen strandt (HR 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:93). Man heeft onrechtmatig gehandeld jegens vrouw en wordt veroordeeld in haar proceskosten in beide instanties.

Datum publicatie16-04-2026
Zaaknummer200.352.655/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2024:12260, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Titel 7 Wettelijke gemeenschap van goederen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Heeft de man een regresvordering op de vrouw met betrekking tot de betaling van een gemeenschapsschuld? Verjaring vorderingen? Verrekening verjaarde vorderingen (HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93). Man wordt veroordeeld in de proceskosten van zijn ex-echtgenote. Man heeft onrechtmatig gehandeld jegens zijn ex-echtgenote.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.352.655/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/677713 / HA ZA 24-338

Arrest van 31 maart 2026

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, hierna de man,

advocaat: mr. L.S. van Meurs te Den Haag,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, hierna de vrouw,

advocaat: mr. S. Broekzitter-Nieuwland te Spijkenisse.

1Procesverloop in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 5 maart 2025 waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 11 december 2024 (hierna: het bestreden vonnis);

- de memorie van grieven, met bijlagen;

- de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, met bijlagen;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel, met bijlage;

- de akte overleggen producties van de man van 23 januari 2026 met producties.

1.2

Op 5 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd.

2Procedure bij de rechtbank en het vonnis van de rechtbank

2.1

De man heeft, kort gezegd, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, gevorderd dat de rechtbank:

- de vrouw veroordeelt om binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis volledige inzage te geven in de door haar ontvangen inkomsten en belastingaangiften over de periode van 1 januari 2014 tot heden, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat zij hieraan niet voldoet;

- de vrouw opdraagt om mee te werken tot nakoming aan de beschikking van 25 oktober 2016 (FA RK 14-6561 en FA RK 15-6250), op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat zij daaraan niet voldoet;

- de vrouw veroordeelt aan de man te betalen een bedrag van € 160.287,80 + P.M., te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vrouw veroordeelt in de proceskosten.

2.2

De vrouw heeft in conventie verweer gevoerd en in reconventie, kort gezegd, na vermindering van haar eis ter zitting gevorderd dat de rechtbank, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:

- de man veroordeelt om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 14.506, -, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de man veroordeelt openheid van zaken te geven betreffende het door hem doorlopen schuldsaneringstraject, in het bijzonder verificatoire stukken te overleggen waarmee wordt aangetoond welke schulden zijn gesaneerd en voor welk bedrag deze zijn gesaneerd, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man hieraan niet voldoet;

- voor zover de rechtbank zou bepalen dat er tot verrekening en verdeling dient te worden overgegaan betreffende de periode vanaf 1 januari 2014 tot de datum van inschrijving van de echtscheiding of tot de peildatum van verdeling d.d. 1 augustus 2014, of over enige andere periode, de man veroordeelt om van de betreffende periode alle bankafschriften van zijn bank- en spaarrekening(en) en van de gezamenlijke rekening over te leggen, en door middel van verificatoire bescheiden inzage te geven in de geldstromen inzake het krediet van [bank] dat in 2013 is verstrekt, onder straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man hieraan niet voldoet.

- In zowel conventie als in reconventie vordert de vrouw dat de rechtbank de man veroordeelt in de proceskosten.

2.3

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank:

- de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 9.410,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag van betaling;

- het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

3Vorderingen in hoger beroep

3.1.

De man is in hoger beroep gekomen en vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende, en onder verbetering van gronden:

I. de vorderingen in conventie van de man in eerste aanleg voor zover in het bestreden vonnis niet reeds toegewezen alsnog toewijst met inachtneming van de volgende wijzigingen c.q. vermeerderingen van eis en:

i.de vordering van de man op de vrouw uit hoofde van de gezamenlijke schuld aan [B.V.] op 1 augustus 2014 vaststelt op € 25.619,50, te vermeerderen met de op grond van artikel 6:119 BW verschuldigde (wettelijke) rente vanaf 25 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en de vrouw veroordeelt dit bedrag aan de man te voldoen;

ii. in dit hoger beroep voor recht verklaart dat de vrouw in verzuim is geweest onder haar verplichting om in de periode van 1 juli 2014 tot en met 4 september 2015 maandelijks haar nettosalaris minus € 300,-, inclusief in deze periode ontvangen vakantiegeld, dertiende maand en/of eindejaarsuitkering op de destijds met de man aangehouden gezamenlijke bankrekening te storten;

iii. de schade die de man lijdt ten gevolge van het niet nakomen van de verplichting als bedoeld onder ii. begroot en vaststelt c.q. schat op:

a. een bedrag van € 43.750, - wegens gederfde verkoopopbrengst van de woning aan [adres] , te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 4 september 2015 en de vrouw veroordeelt dit bedrag aan de man te voldoen;

b. de helft van het in de periode van 1 juli 2014 tot en met 4 september 2015 ontvangen nettosalaris, vakantiegeld en overige emolumenten, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de dag(en) waarop de vrouw ter zake in verzuim is (geweest) tot aan de dag der algehele voldoening;

iv. de vrouw ter vaststelling van de (schade)vergoedingsverplichting als bedoeld onder iii sub b. veroordeelt om uiterlijk binnen twee weken na betekening van het te wijzen arrest volledige inzage te geven in al haar salarisinkomsten in de periode van 1 juli 2014 tot 5 september 2015 aan de hand van onder meer salarisstroken, jaaropgaven en/of belastingaangiften, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 50.000,-;

v.de vrouw ten titel van voorschot op de schadevergoedingsverplichting als bedoeld onder iii sub b. veroordeelt tot betaling aan de man van een bedrag van € 25.000,-;

vi. de vrouw veroordeelt aan de man te betalen een bedrag van € 5.765,87 uit hoofde van de regresvordering van de man op de vrouw over de periode 1 augustus 2014 – september 2015, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente van 1 oktober 2015 (einde periode waarin deze vordering is ontstaan) tot aan de dag der algehele voldoening;

II. de vorderingen in reconventie van de vrouw in eerste aanleg alsnog afwijst;

III. de vrouw veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen de man ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan aan de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, en met veroordeling van de vrouw tot vergoeding van de schade die de man heeft geleden en zal lijden ten gevolge van de uitvoering van het bestreden vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is geleden tot de dag van vergoeding van die schade;

IV. de vrouw veroordeelt in de kosten van beide instanties, alsmede de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente voor zover de vrouw na betekening van het te wijzen arrest in verzuim is deze kosten te voldoen.

3.2

De vrouw voert verweer en

(I.) vordert in het principaal appel dat het hof de vorderingen van de man afwijst. In incidenteel appel vordert de vrouw

(II.) dat het hof het bestreden vonnis vernietigt uitsluitend voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de proceskosten waar is bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt en opnieuw rechtdoende en onder verbetering van gronden:

- de man veroordeelt in de proceskosten van de eerste aanleg alsmede de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente voor zover de man na betekening van het te wijzen arrest in verzuim is deze kosten te voldoen.

De vrouw vordert voorts dat het hof

(III.) het bestreden vonnis voor het overige bekrachtigt;

(IV.) de man veroordeelt in de proceskosten in hoger beroep alsmede de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente voor zover de man na betekening van het te wijzen arrest in verzuim is deze kosten te voldoen.

Beoordeling in hoger beroep

4.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten tenzij daartegen een grief is gericht.

Verjaring algemeen (grieven 1 tot en met 3).

4.2.

In de grieven 1 tot en met 3 stelt de man aan de orde dat een aantal vorderingen van de man op de vrouw niet zijn verjaard. De man is van mening dat de navolgende schulden niet zijn verjaard: 1) de VISA Creditcard schuld van de man; (2) de schuld bij de [gemeente] ; (3) de schuld bij [financiële instelling] ; (4) de schuld bij [deurwaarder] , en (5) de schuld bij [B.V.] Volgens de man is door de rechtbank een onjuiste verjaringstermijn gehanteerd doordat deze vorderingen (mede) zijn gegrond op tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2016. De man is van mening dat de verjaringstermijn twintig jaar bedraagt en niet vijf jaar zoals de rechtbank heeft beslist. In de visie van de man kan hij gedurende een periode van twintig jaar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2016 jegens de vrouw ten uitvoer te leggen. Voorts wordt door de man aangevoerd dat er nog twee stuitingshandelingen zijn verricht. In zijn memorie van grieven verwijst hij naar productie 49 en 50. Dit dient te zijn productie 53 en 54. Tot slot is de man van mening dat brieven die [B.V.] aan de vrouw heeft verstuurd als een stuitingshandeling moeten worden aangemerkt. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Uit het verweer van de vrouw volgt dat uitgegaan moet worden van een verjaringstermijn van vijf jaar en dat zij zich met betrekking tot de verjaring kan vinden in hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld.

4.3.

Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld met betrekking tot de verjaring van mogelijke regresvorderingen van de man op de vrouw. Het hof neemt de gronden – na een eigen afweging – over en maakt die tot de zijne.

4.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is het hof expliciet ingegaan op de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2016waarbij de rechtbank de wijze van verdeling heeft gelast en niet de verdeling heeft vastgesteld. Partijen moesten dus nog overgaan tot verdeling conform de richtlijn die de rechtbank in voormelde beschikking heeft aangegeven.

4.5.

Een schuld is geen goed en kan niet worden verdeeld. Uit art. 1:100 BW (oud) volgt dat beide partijen gelijk draagplichtig zijn met betrekking tot gemeenschapsschulden. Indien een deelgenoot meer dan 50% van deze gemeenschapsschuld uit privévermogen betaalt, ontstaat ervan rechtswege een vordering op de andere deelgenoot. Als de man meer dan 50% van een gemeenschapsschuld uit privé heeft betaald, vloeit zijn regresvordering voort uit de wet en niet uit de bestreden beschikking of een eerdere beschikking waarin de rechtbank oordeelt dat er een gelijke draagplicht is.

4.6

De verjaringstermijn voor een regresvordering is vijf jaar nadat de man meer dan 50% van de gemeenschapsvordering heeft voldaan en niet de datum van de beschikking waaruit volgt dat de rechtbank alleen uitgaat van de wet inzake de draagplicht van schulden.

4.7

De brieven die de man heeft verstuurd aan de vrouw inzake de schuld aan [B.V.] kunnen niet aangemerkt worden als een stuitingshandeling. Het hof zal hierna nog uitvoerig ingaan op de schuld aan [B.V.] .

Verjaarde vorderingen (grieven 5, 6 en 7)

5.1.

In de grieven 5, 6 en 7 stelt de man dat de navolgende vorderingen niet zijn verjaard:

1) € 225 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2015,

2) € 172 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 28 februari 2015 en 31 mei 2015,

3) € 45,38 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2015.

5.2

Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd met betrekking tot de verjaring.

5.3.

Het hof overweegt als volgt. Uit de brief van 15 mei 2019 en van 14 maart 2024 van de advocaat van de man aan de vrouw volgt dat de man zijn mogelijke vorderingen heeft gestuit.

5.4.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat de vrouw op basis van art. 3:172 BW gehouden was om de helft te voldoen met betrekking tot de opslagkosten, [bedrijf] en de aanslag [waterschaps- en gemeentelijke belasting] .

5.5

In eerste aanleg heeft de vrouw ook inhoudelijk verweer gevoerd tegen de hiervoor vermelde vorderingen van de man. Met betrekking tot de opslagkosten heeft zij gesteld dat de man dit heeft gedaan zonder overleg en toestemming van de vrouw. Met betrekking tot de factuur [bedrijf] voert zij in appel aan dat de man de kosten heeft gemaakt zonder haar instemming. In randnummer 39 van haar memorie van antwoord stelt de vrouw dat de man de gebruikerslasten zoals energie en [waterschaps- en gemeentelijke belasting] voor zijn rekening dient te nemen nu de vrouw ook haar huurlasten had.

5.6.

De rechtsrelatie tussen ex-echtgenoten wordt mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat van de man in alle redelijkheid had mogen worden verlangd dat hij de kosten met betrekking tot opslag en de kosten van [bedrijf] eerst met de vrouw had overlegd. Er was niet sprake van een noodsituatie waardoor niet de toestemming van de vrouw kon worden afgewacht. Voorts acht het hof het redelijk en billijk dat de man de kosten van de [waterschaps- en gemeentelijke belasting] -integraal draagt nu hij ook het uitsluitend gebruik had van de woning.

Creditcard schuld en regresvordering? (grief 8)

6.1.

De man is van mening dat hij heeft aangetoond dat de Creditcard schuld op 1 augustus 2014 bedroeg € 4.999,54. Volgens de man bedraagt de verjaringstermijn twintig jaar en heeft hij een regeling getroffen in het kader van de schuldregeling.

6.2.

Door vrouw is aangevoerd dat de vordering is verjaard en de schuld is gesaneerd. De man heeft niet aangetoond dat hij meer dan de helft van de schuld heeft voldaan.

6.3.

Het hof overweegt als volgt. Een regresvordering verjaart na een periode van vijf jaar nadat de hoofdolijk verbonden schuldenaar de schuld voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat heeft voldaan, tenzij de verjaring tussentijds is gestuit. De schulden van de man zijn gesaneerd in 2016. In de schuldsanering van de man is de helft van de schuld aan de creditcardmaatschappij meegenomen en dus niet 100%. Het hof verwijst naar de inleidende dagvaarding in eerste aanleg van de man, blz. 14. De crediteuren van de man hebben slechts 6,6% betaald gekregen. De man heeft naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat hij meer dan 50% van de vordering van Visa creditcard € 4.999,54 heeft betaald. Er is dus niet eens een regresvordering van de man op de vrouw ontstaan derhalve kan van verjaring geen sprake zijn.

Regresvordering € 5.765,87 en een goede procesorde (grief 10)

7.1.

De man is van mening dat hij op basis van productie 52 heeft aangetoond dat hij een regresvordering heeft op de vrouw van € 5.765,87. De vordering is ontstaan door betaling van gemeenschappelijke kosten na de peildatum (naar het hof begrijpt: 1 augustus 2014). De man verwijst naar productie 52 welke productie weer verwijst naar een usb-stick.

7.2.

Door de vrouw wordt gesteld dat de man in appel een nieuwe vordering instelt en dat dit in strijd is met een goede procesorde. Voorts is de vrouw van mening dat de man zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Het louter verwijzen naar Excelsheets en bankafschriften zonder zijn vordering in zijn memorie van grieven te onderbouwen is onvoldoende.

7.3.

Het hof overweegt als volgt. Het staat de man in beginsel vrij om zijn vordering in hoger beroep te wijzigen of te vermeerderen. Een goede procesorde brengt dan wel met zich mede dat de man zijn vordering op een deugdelijke wijze onderbouwt en niet alleen verwijst naar productie 52 welke productie weer verwijst naar een USB-stick. Een memorie van grieven mag geen zoekplaatje zijn voor de wederpartij en de rechter. De grief en of vermeerdering of wijziging eis wordt dus afgewezen nu de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.

De regresvordering van de vrouw en [bank] (grief 11)

8.1.

De man stelt in zijn elfde grief dat hij aan [bank] heeft betaald een bedrag van € 2.800 en in het kader van zijn schuldsanering een bedrag van € 1.231,96. Voor de betaling van het bedrag van € 2.800 verwijst hij naar productie 52 en voor de betaling van € 1.231,96 verwijst hij naar productie 56 [naar het hof begrijpt: productie 57]. In de visie van de man bedraagt de regresvordering van de vrouw op hem slechts € 8.388,24 en niet € 8.979,24.

8.2.

Uit het betoog van de vrouw volgt dat de man nog steeds niet heeft aangetoond dat hij meer heeft betaald aan [bank] dan € 2.849,96. De man heeft bewijzen van overmaking overgelegd, echter blijkt een deel van de betreffende betalingen te zijn gestorneerd. De betalingen van de gemeente in het kader van de schuldsanering van de man ad € 751,54 en € 480,42 = € 1.231,96 zijn verwerkt op het overzicht van de bank.

8.3.

Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in r.o. 5.4 geoordeeld dat de man € 2.849,96 en de vrouw € 20.808,43 ter zake de [bank] heeft betaald. Uit r.o. 5.7 van het bestreden vonnis volgt dat de man aan de vrouw moet voldoen de somma van € 9.279,00. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen dient de man zijn processtukken zodanig in te richten dat het voor de rechter en de wederpartij duidelijk is waartegen de bezwaren van de man zich richten en dat de mogelijke bewijsmiddelen waarnaar de man verwijst op een normale wijze zijn te vinden. De man verwijst voor zijn bewijs naar productie 52. Deze productie verwijst weer naar een USB stick. Mede bezien het gemotiveerde verweer van de vrouw heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de man met betrekking tot de [bank] -schuld meer heeft betaald dan het bedrag dat de rechtbank heeft vastgesteld.

De regresvordering van de vrouw en de Directbank (grief 12)

9.1.

Uit de twaalfde grief van de man volgt dat hij van mening is dat niet is aangetoond dat de vrouw € 1750 meer heeft betaald aan de Directbank. Voorts is de man van mening dat de regresvordering van de vrouw op de man van € 875,- is verjaard. In randnummer 3.29 stelt de man dat de vrouw niet de helft van de schuld € 57.723,11 heeft betaald maar slechts € 20.000. De verjaringstermijn is op 25 mei 2016 gaan lopen en is dus verjaard bij het instellen van de eis in reconventie.

9.2.

Door de vrouw is verweer gevoerd. Voordat de lening is gesplitst tussen de man en de vrouw heeft de vrouw in de periode van 1 december 2015 tot 25 mei 2016 maandelijks een bedrag voldaan van € 250 en wel voor een totaalbedrag van € 1.500. De vrouw heeft voor de splitsing van de schuld meer aan de schuld betaald dan de man. Voorts is de vrouw van mening dat de vordering van de vrouw niet is verjaard.

9.3.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in haar conclusie van antwoord tevens eis in reconventie haar vordering op de man in randnummer 69 onderbouwd. De eis in reconventie van de vrouw is van 4 juni 2024. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft de man reeds een beroep gedaan op de verjaring van de regresvordering van de vrouw. De rechtbank heeft in r.o. 5.9 het beroep van de man op verjaring verworpen aangezien de man niet heeft gesteld wanneer de verjaringstermijn waar hij zich op beroept is gaan lopen. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om zich op verjaring te kunnen beroepen. In appel geeft de man aan dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 25 mei 2016. Naar het oordeel van het hof heeft de man nu voldoende gesteld met betrekking tot de verjaring. De vordering van de vrouw was bij het instellen van haar vordering in reconventie reeds verjaard. In zoverre treft de grief van de man dus doel. De vordering van de vrouw op de man moet dus met een bedrag van € 875,- worden verminderd.

Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93 en verrekening verjaarde vorderingen (grief 13)

10.1

De man stelt in zijn dertiende grief dat de rechtbank ten onrechte niets heeft gedaan met zijn beroep op verrekening met eventueel verjaarde vorderingen van de man op de vrouw. De man is van mening dat hij verjaarde vorderingen op de vrouw alsnog kan verrekenen met vorderingen van de vrouw op hem.

10.2

Het hof heeft de man tijdens de mondelinge behandeling gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, waarin door de Hoge Raad in rov. 3.2 is overwogen (cursivering door het hof):

“(…) Art. 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. De ratio van deze bepaling is dat degene die tot verrekening bevoegd is, zich veelal reeds als bevrijd zal beschouwen en pas aan het afleggen van de in art. 6:127 lid 1 BW bedoelde verrekeningsverklaring zal denken wanneer de schuldeiser hem aanspreekt tot nakoming van de verbintenis. De bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid dus voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering verjaart, maar schept niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van de verjaring ontstane schuld. Voor laatstbedoeld geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening wil beroepen, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen. Het oordeel van het hof dat op grond van art. 6:131 BW de verjaring van een vordering er niet aan in de weg staat dat de schuldeiser die vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt, is derhalve in zijn algemeenheid onjuist.”

De mogelijke vorderingen van de man op de vrouw waren reeds verjaard. De verjaarde vorderingen van de man en de vorderingen die de vrouw op hem heeft, vloeien niet voort uit dezelfde rechtsverhouding en zijn op verschillende tijdstippen ontstaan. De man had dienen aan te tonen dat wanneer zijn vordering nog niet was verjaard, hij deze kon verrekenen met de vorderingen van de vrouw. Naar het oordeel van het hof heeft de man dit niet aangetoond. Ook grief dertien treft dus geen doel.

Schuld aan [B.V.] en grief 9

11.1

De man heeft onder meer in randnummer 2.7 tot en met 2.12 en in grief 9 de rekening-courantschuld van de aan [B.V.] aan de orde gesteld.

11.2

De schuld aan [B.V.] (hierna [B.V.] ) is tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig aan de orde geweest.

11.3.

Het hof overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat de aandelen in [B.V.] tot op heden niet tussen partijen zijn verdeeld. Door de man is erkend dat er geen notariële akte is waarbij de aandelen aan hem zijn toegedeeld. De aandelen behoren dus nog steeds tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen. [B.V.] is destijds door de man opgericht om de goudenhanddruk die de man van zijn voormalige werkgever heeft ontvangen in te storten. Als de goudenhanddruk door de werkgever rechtstreeks aan de man zou zijn uitgekeerd dan was het saldo in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen gevallen. Uit het betoog van de man volgt dat er in de loop der tijd een rekening-courantschuld is ontstaan tussen de man en [B.V.] . De rekening-courantschuld is een gemeenschapsschuld die aan de zijde van de man in de voormalige huwelijksgoederengemeenschap is gevallen. Voor een dergelijke schuld zijn partijen in beginsel gelijk draagplichtig. De man was/is bestuurder van [B.V.] . Op 1 september 2016 heeft de man de vordering van [B.V.] op de vrouw gekocht voor 1 euro. De navolgende tekst is in de overeenkomst van cessie opgenomen: “De directie van [B.V.] heeft de nadrukkelijke wens middels deze akte van cessie, om de vorderingen van [B.V.] op [de vrouw] over te dragen aan [de man] , voor het bedrag van € 1,00 (zegge: één euro). Alle aflossingsbedragen en rentebedragen dienen vanaf heden te betaald worden aan [de man] .” Uit mondelinge behandeling volgt dat het aandeel van de man in de rekening-courantschuld aan [B.V.] aan hem is kwijtgescholden. Ter zitting heeft het hof ook vastgesteld dat er door de algemene vergadering van [B.V.] geen besluit is genomen tot liquidatie van [B.V.] en ook heeft het hof niet kunnen vaststellen dat er een liquidatie-balans is opgesteld van [B.V.] . De advocaat van de man erkende tijdens de mondelinge behandeling dat het raar is dat de man voor 1 euro de vorderingen van [B.V.] op de vrouw heeft overgenomen maar dat er wel enorm gehaviltexd moet worden met betrekking tot de uitleg van de akte van cessie. In eerste aanleg heeft de advocaat van de man (productie 43) een overeenkomst tussen de man en de [gemeente] in het geding gebracht. Dit betreft een schuldenregelingsovereenkomst. Deze overeenkomst is op 1 februari 2016 door de man en de [gemeente] getekend. In artikel 4 lid 9 is bepaald: “De schuldenaar is verplicht al zijn/haar vermogen aan te wenden ten behoeve van de schuldregeling”. De advocaat van de man in eerste aanleg (zie randnummer 13 conclusie van antwoord in reconventie) maar ook de advocaat van de man in appel (zie randnummer 2.15 van de memorie van grieven) verwijzen expliciet naar de overeenkomst tussen de man en de [gemeente] met betrekking tot de schuldsanering van de man. Het hof vindt het opmerkelijk dat als de man meent een vordering te hebben op de vrouw uit hoofde van het betalen van gemeenschapsschulden hij dit niet bij het aangaan van de schuldenregelingsovereenkomst met de [gemeente] heeft gemeld.

11.4.

Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van de man inzake de schuld aan [B.V.] . In randnummer 8 van haar pleitnota stelt de vrouw onder meer: “Bovendien dient op basis van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid de vordering van de man te worden afgewezen”.

11.5

Het hof is van oordeel dat de rechtsrelatie tussen ex-echtgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het hof acht de handelswijze van de man met betrekking tot de cessie van de vordering en de kwijtschelding van het op hem betrekking hebbende gedeelte van de vordering onrechtmatig jegens de vrouw. De aandelen in [B.V.] behoren tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw heeft een indirect belang bij het handelen van de man als bestuurder van [B.V.] . De man moet als goed bestuurder handelen jegens de vennootschap maar ook dient de man als bestuurder rekening te houden met de belangen van de aandeelhouders van [B.V.] , waaronder dus de vrouw. Hij handelt niet als een goed bestuurder nu hij zijn aandeel in zijn schuld (totale schuld partijen en vordering van [B.V.] : € 51.239,14; zie randnummer 2.12 memorie van grieven) aan [B.V.] kwijtscheldt en het aandeel van de schuld van de vrouw jegens [B.V.] (ad € 25.619,50) overneemt voor slechts 1 euro. Door de man is een constructie opgezet om een vordering jegens zijn ex-echtgenoot te creëren. De man heeft niet alleen onrechtmatig jegens de vrouw gehandeld maar heeft ook gehandeld in strijd met artikel 4 lid 9 van de overeenkomst met de [gemeente] . Uit de feiten volgt in ieder geval dat hij niet een gemeenschapsschuld voor meer dan 50% uit privévermogen heeft voldaan en tevens verzet de redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat de man uit hoofde van de cessie enige vordering heeft op de vrouw.

De afspraak tussen partijen tijdens de voorlopige voorzieningen (grief 4)

12.1

In de randnummers 2.3. en 2.4 en grief 4 van zijn memorie van grieven stelt de man aan de orde de afspraken die hij met de vrouw heeft gemaakt in het kader van de voorlopige voorzieningen. Onder I.iii van zijn petitum in appel formuleert de man zijn vordering jegens de vrouw.

12.2

De man is van mening dat de vrouw gehouden was en is aan hetgeen partijen bij de voorlopige voorzieningen met elkaar zijn overeengekomen, namelijk: dat de vrouw haar salaris – minus € 300 – op de gemeenschappelijke rekening zou storten ter dekking van de kosten van de gemeenschappelijke woning tot aan de verkoop van de woning. Nu zij niet aan die afspraak heeft voldaan heeft de man in zijn visie een schade geleden die hij begroot op € 43.750.

12.3

Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. In randnummer 58 van haar memorie van antwoord heeft de vrouw gesteld dat de afspraak tussen haar en de man is gemaakt ervan uitgaande dat zowel de man als de vrouw gemeenschappelijk gebruik zouden maken van de (echtelijke) woning. Bij het vertrek van de vrouw uit de woning en het aangaan van een huurovereenkomst is de afspraak in de visie van de vrouw komen te vervallen. De vrouw had haar verhuizing niet gepland ten tijde dat partijen ten overstaan van de rechtbank de afspraken maakten. Voorts heeft de vrouw gesteld dat een mogelijke vordering van de man uit hoofde van de afspraak die bij voorlopige voorziening is gemaakt, reeds is verjaard.

12.4

Het hof overweegt als volgt. De voorlopige voorzieningen hebben plaatsgevonden in juli 2014 en tijdens die voorlopige voorzieningen hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt in de situatie dat beide partijen tegelijkertijd gebruik maakten van de gemeenschappelijke woning. De verjaringstermijn bedraagt vijf jaar nadat de vordering van de man op de vrouw is ontstaan uit hoofde van de gemaakte afspraken. Naar het oordeel van het hof heeft er op 15 mei 2019 een rechtsgeldige stuiting plaatsgevonden. Beoordeeld dient te worden hoe de afspraken van partijen moeten worden uitgelegd die ten tijde van de voorlopige voorzieningen zijn gemaakt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de afspraak die de vrouw met de man heeft gemaakt (dat zij haar salaris – minus € 300 – op de gemeenschappelijke rekening zou storten) alleen geldt voor de periode dat zij gezamenlijk in de woning woonden. De man kan niet van haar in redelijkheid verlangen dat de vrouw, nadat zij de woning moest verlaten, nog gehouden zou zijn aan voormelde afspraak. De vrouw had haar salaris nodig voor de te huren woning en het levensonderhoud van haarzelf en de kinderen. De grief treft dus geen doel en het overige wat de man stelt met betrekking tot de schade die hij in zijn visie heeft geleden met betrekking tot de verkoop van de woning behoeft geen verdere bespreking aangezien de man naar het oordeel van het hof geen schade heeft geleden nu de woning is verkocht aan een derde en dat naar objectieve maatstaven bezien als een marktconforme opbrengst kan worden aangemerkt.

Incidenteel appel proceskosten

13.1.

Uit het incidentele appel volgt dat de vrouw van mening is dat er gronden zijn om de man in de proceskosten te veroordelen zowel in eerste aanleg als in appel. In de randnummers 123 tot en met 130 geeft de vrouw aan wat de procedure voor haar heeft gekost. Zij wijst ook op het griffierecht dat zij heeft moeten betalen in eerste aanleg en in hoger beroep. Zij geeft ook aan dat haar reconventionele vordering voor het grootste gedeelte is toegewezen.

13.2

Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd.

13.3.

Het hof overweegt als volgt. Gezien de wijze waarop de man heeft geprocedeerd en onrechtmatig gehandeld heeft jegens de vrouw inzake de vordering van [B.V.] is het hof van oordeel dat er gronden aanwezig zijn om de man in proceskosten te veroordelen zowel in eerste aanleg als in appel. Het enkele feit dat de vordering van vrouw met € 875,- in appel is verminderd doet daaraan niet af. In plaats van € 9.410,34 dient de man € 8.535,34 aan de vrouw te voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij is beslist dat de man aan de vrouw een bedrag moet betalen van € 9.410,34 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het bestreden vonnis en de compensatie van de proceskosten zoals bepaald in 6.3. en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 8.535,34 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het bestreden vonnis van 11 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man in de proceskosten in eerste aanleg;

  • Griffierecht € 2.626,-

  • Advocaatkosten € 3.838,-

veroordeelt de man in de proceskosten in hoger beroep;

  • Griffierecht € 362,-

  • Advocaatkosten € 7.114,-

  • Nakosten € 176,-

bepaalt dat als de man niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de man de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de vrouw deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;

verklaart dit arrest inzoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en P.C. van Es en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733