Rechtbank Rotterdam 25-03-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3319

Essentie (gemaakt door AI)

Ondanks verleend verstek wijst de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw af en verklaart haar deels niet-ontvankelijk. De toevertrouwing wordt afgewezen omdat dit een feitelijk onomkeerbare verhuizing zou meebrengen en vooruitloopt op de bodemzaak. Voor de gevraagde voorlopige zorgregeling ontbreekt spoedeisend belang nu de minderjarige contact heeft met beide ouders; kort geding is daarvoor niet geschikt. Proceskosten worden gecompenseerd.

Datum publicatie15-04-2026
ZaaknummerC/10/715444 / KG ZA 26-184
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Verhuizing met kind; Hoofdverblijfplaats;
Familieprocesrecht; Kort geding art. 254 Rv
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Ondanks verleend verstek, wijst de voorzieningenrechter de vordering af en verklaart de vrouw voor een deel niet-ontvankelijk, omdat de vorderingen ongegrond zijn en niet thuishoren in een kortgedingprocedure.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht

Zittingsplaats Rotterdam

Zaaknummer: C/10/715444 / KG ZA 26-184

Vonnis in kort geding van 25 maart 2026

in de zaak van

[naam vrouw] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Metin,

tegen

[naam man] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de man,

niet verschenen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van de vrouw, betekend op 3 maart 2026.

1.2.

De zaak is behandeld op 11 maart 2026.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

De man is, hoewel de dagvaarding behoorlijk is betekend, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2De feiten

2.1.

Uit de vrouw is geboren de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .

2.2.

De man heeft de minderjarige op 20 juli 2022 erkend.

2.3.

De vrouw en de man oefenen sinds 7 april 2023 gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.

3Het geschil

3.1.

De vrouw vordert - samengevat – te bepalen dat de minderjarige voorlopig aan de vrouw wordt toevertrouwd. Verder vordert de vrouw een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te leggen, in die zin dat de minderjarige:

- iedere even week van vrijdag 15.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man de minderjarige op vrijdag ophaalt bij de vrouw en de vrouw de minderjarige op zondag weer bij de man ophaalt.

Daarnaast vordert de vrouw de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.

4De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter zal aan de man verstek verlenen. Omdat de man zich niet heeft verweerd tegen de vorderingen, beslist de voorzieningenrechter in beginsel volgens de vorderingen. De vorderingen komen de voorzieningenrechter echter ongegrond voor en zullen daarom worden afgewezen. De voorzieningenrechter legt per vordering uit waarom.

4.2.

De vrouw legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De vrouw wil graag duidelijke afspraken maken over het contact tussen de man en de minderjarige. Er is contact tussen de man en de minderjarige, maar dit contact verloopt volgens de vrouw ongestructureerd. Na het einde van de relatie van partijen is de vrouw zonder de minderjarige naar haar moeder in [woonplaats 1] vertrokken. Volgens de vrouw heeft de man de minderjarige vervolgens op enig moment alsnog bij haar gebracht. De vrouw stelt de hoofdopvoeder van de minderjarige te zijn en wil die situatie formaliseren. De vrouw heeft inmiddels een bodemprocedure aanhangig gemaakt over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de zorgregeling. De behandeling van deze procedure staat gepland op 10 juni 2026. De vrouw stelt dat zij een beslissing in de bodemprocedure niet kan afwachten en dat zij daarom een spoedeisend belang heeft bij deze procedure. Sinds de voorjaarsvakantie is de situatie veranderd. De minderjarige verblijft doordeweeks bij de man en in het weekend bij de vrouw, nadat de man de minderjarige niet op het afgesproken moment heeft teruggebracht. De vrouw probeert strijd met de man te voorkomen en heeft, zij het met tegenzin, ingestemd met de huidige regeling. De vrouw vordert echter een andere regeling vast te leggen, die volgens haar meer in het belang van de minderjarige is.

4.3.

De raad ziet op dit moment geen bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, waardoor een spoedbeslissing nodig is. De minderjarige heeft contact met zijn beide ouders en dat hij op dit moment nog niet naar de peuterspeelzaal gaat, zoals de vrouw graag wil, maakt niet dat zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De vrouw heeft, in reactie op de raad, aangevoerd dat de ontwikkeling van de minderjarige wordt bedreigd, omdat hij nog niet zindelijk is en de man daaraan niet wil mee werken. Dat verandert het advies van de raad niet.

Toevertrouwing van de minderjarige

4.4.

De voorzieningenrechter legt uit waarom de vordering over de toevertrouwing van de minderjarige aan de vrouw wordt afgewezen omdat deze haar ongegrond voorkomt. Door de minderjarige aan de vrouw toe te vertrouwen, zou de minderjarige feitelijk verhuizen van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] . Dat is een beslissing, die vanwege de worteling van de minderjarige, onomkeerbaar zou kunnen zijn. Het zou daardoor geen voorlopige beslissing zijn en met een dergelijke beslissing zou de voorzieningenrechter vooruit kunnen lopen op de beslissing van de meervoudige kamer.

4.5.

Als de vrouw met haar vorderingen heeft bedoeld de afgifte van de minderjarige, is dit onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft gesteld dat de man de minderjarige bij haar in [woonplaats 1] heeft gebracht, maar niet wanneer dit heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de vrouw niet gesteld dat de minderjarige vervolgens een hele periode bij haar heeft verbleven. Ook heeft de vrouw niet gesteld dat zij bijvoorbeeld de politie heeft ingeschakeld om te zorgen dat de minderjarige doordeweeks weer bij de vrouw in [woonplaats 1] zou verblijven.

Zorgregeling

4.6.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 augustus 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:3253): de minderjarige heeft op dit moment contact met zijn beide ouders, waardoor de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering en de voorzieningenrechter haar niet-ontvankelijk verklaart. Een kortgedingprocedure biedt in beginsel geen ruimte voor de vaststelling van een voorlopige regeling. Als de minderjarige geen contact zou hebben met één van zijn ouders, zou de vrouw een beroep kunnen doen op het recht van de minderjarige op omgang met zijn beide ouders. Dat is in deze zaak niet het geval. Doordat partijen zich houden aan een regeling, is voor de minderjarige sprake van duidelijkheid en voorspelbaarheid, wat de voorzieningenrechter, met de raad, van belang acht. De vrouw heeft dus geen spoedeisend belang bij deze vordering.

Proceskosten

4.7.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst af de vordering van de vrouw over de toevertrouwing;

5.2.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vordering over de zorgregeling;

5.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.L. Raphael en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733