Rechtbank Rotterdam 25-03-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3365

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding over toevertrouwing en voorlopige zorgregeling. Het verzoek van de vrouw om toevertrouwing en hoofdverblijfplaats wordt afgewezen, omdat dit een impliciete verhuizing naar Utrecht inhoudt waarvoor in kort geding geen ruimte is. Het verzoek van de man om toevertrouwing wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, nu de minderjarige feitelijk bij hem verblijft. Er wordt een voorlopige, begeleide zorgregeling vastgesteld met drie fysieke contactmomenten per week en drie beeldbelmomenten, aansluitend bij het advies van de raad.

Datum publicatie15-04-2026
ZaaknummerC/10/714544 / KG ZA 26-128
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Hoofdverblijfplaats; Verhuizing met kind;
Familieprocesrecht; Kort geding art. 254 Rv
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kortgedingprocedure over de toevertrouwing en een voorlopige zorgregeling. De toevertrouwing aan de vrouw wordt afgewezen, omdat dit een impliciete verhuizing betreft. De toevertrouwing aan de man wordt afgewezen, omdat hij daarbij geen belang heeft. De voorzieningenrechter legt een voorlopige zorgregeling vast, omdat de vrouw geen enkele vorm van fysiek contact heeft met de minderjarige en haar vordering gebaseerd kan worden op het recht op contact.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht

Zittingsplaats Rotterdam

Zaaknummer: C/10/714544 / KG ZA 26-128

Vonnis in kort geding van 25 maart 2026

in de zaak van

[naam vrouw] ,

wonende op een geheim adres,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S. Ilkdogan,

tegen

[naam man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H. Durdu.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van de vrouw, betekend op 18 februari 2026;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van de man van 8 maart 2026;

- de producties van de vrouw van 9 en 10 maart 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

2De feiten

2.1.

Uit de vrouw is geboren de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .

2.2.

De man heeft de minderjarige erkend.

2.3.

De vrouw en de man oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.

3Het geschil in conventie en reconventie

3.1.

De vrouw vordert de minderjarige voorlopig aan haar toe te vertrouwen en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige voorlopig bij haar te bepalen. Verder vordert de vrouw de man te gebieden om de minderjarige binnen drie dagen na het te wijzen vonnis, onder begeleiding van de politie en/of het Wijkteam Hoeksche Waard, terug te geleiden naar de vrouw op straffe van een dwangsom van € 1.500,- voor elke dag dat de man hierin in gebreke blijft tot een bedrag van € 25.000,-.

Daarnaast vordert de vrouw primair te bepalen dat de huidige omgangsregeling wordt omgezet in begeleide omgang, waarbij de man in samenspraak met de hulpverlening twee keer per week twee uurtjes begeleide omgang met de minderjarige zal hebben in een omgangshuis in Utrecht of een andere daartoe geschikte locatie, waarbij de man de kosten van het omgangshuis voor zijn rekening zal nemen.

De vrouw vordert subsidiair de man te gebieden de voorlopige omgangsregeling na te komen, in die zin dat de minderjarige in de week volgende op de datum van het in deze te wijzen vonnis en de weken daaropvolgend vier dagen bij de vrouw en drie dagen bij de man zal verblijven, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.500,- voor elke dag dat de man hierin in gebreke blijft tot een bedrag van € 25.000,-.

3.2.

De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. De man vordert in reconventie te bepalen dat de minderjarige voorlopig aan hem wordt toevertrouwd.

Ook vordert de man in reconventie een voorlopige zorgregeling vast te stellen tussen de vrouw en de minderjarige, die inhoudt dat de vrouw en de minderjarige drie keer per week beeldbelcontact met elkaar hebben en fysieke contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarige plaatsvinden in de vorm van begeleide omgang via Veilig Thuis dan wel een andere door de hulpverlening aan te wijzen instantie en te bepalen dat, indien uit het onderzoek van Veilig Thuis blijkt dat onbegeleide omgang tussen de vrouw en de minderjarige veilig kan plaatsvinden, de zorgregeling in overleg met de betrokken hulpverlening kan worden uitgebreid.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter deze gezamenlijk behandelen.

Spoedeisend belang

4.2.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang van de vrouw bij deze procedure is dat zij sinds 14 januari 2026 geen fysiek contact meer heeft gehad met de minderjarige. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang daarmee gegeven en gaat over tot de inhoudelijke beoordeling.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.

De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De vrouw heeft tot eind december 2025 met de minderjarige bij de man in [woonplaats] gewoond. De vrouw heeft de woning van de man verlaten en een periode met de minderjarige bij haar moeder verbleven. Daarna heeft ze woonruimte gekregen via stichting Timon en daar heeft de vrouw tot 14 januari 2026 met de minderjarige verbleven. Partijen hebben op 14 januari 2026 met behulp van het Wijkteam [naam locatie] afspraken gemaakt over een tijdelijke zorgregeling tussen de man en de minderjarige. De minderjarige is die dag volgens de net gemaakte afspraken met de man meegegaan. De man zou de minderjarige volgens de afspraken op 17 januari 2026 bij de vrouw terugbrengen, maar dit heeft hij niet gedaan. De hulpverlening heeft pogingen gedaan om te zorgen dat de man weer mee zou werken aan de afspraken. De vrouw stelt dat de minderjarige weer volledig terug bij haar moet komen. De vrouw stelt dat uit de mail van een medewerker van Veilig Thuis, ingediend als productie 10, blijkt dat het voor de minderjarige veilig is om bij haar te verblijven. Stichting Timon heeft ook een verklaring opgesteld waaruit blijkt dat zij van mening is dat de vrouw leerbaar is en dat de vrouw met medewerking van begeleiding zelfstandig voor haar dochter kan zorgen in haar huidige woonruimte bij Timon.

4.4.

De man voert het volgende aan. De man heeft zorgen om de minderjarige als zij bij de vrouw verblijft en werkt daarom niet mee aan fysiek contact tussen de vrouw en de minderjarige. De man maakt zich zorgen over het blowen van de vrouw, de verzorging van de minderjarige door de vrouw en de manier waarop de vrouw beschikbaar en aanwezig is voor de minderjarige. Ook heeft de man zorgen over de mentale problemen van de vrouw, zij zou volgens de man een borderline stoornis hebben. Toen de man de minderjarige op 14 januari 2026 meenam, ontdekte hij een blauwe plek op haar hoofd. Dat was voor hem de reden om de minderjarige volledig bij zich te houden. De man geeft aan contactmomenten via beeldbellen te faciliteren tussen de vrouw en de minderjarige. Ook houdt de man de vrouw op de hoogte. Voor de man is vooral belangrijk dat het contact tussen de vrouw en de minderjarige veilig is. De man vindt het daarbij van belang dat de contactmomenten begeleid worden. De man is bereid mee te werken aan drie contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarige. Volgens de man is dat praktisch uitvoerbaar en staat de hulpverlening klaar om partijen bij te staan. Dat er desondanks op dit moment geen fysiek contact is tussen de vrouw en de minderjarige komt volgens de man door de discussie over het hoofdverblijf. De vorderingen van de vrouw zijn volgens de man een verkapt verzoek om de minderjarige te laten verhuizen naar Utrecht. Voor zover relevant acht de man dat niet voldaan wordt aan de verhuiscriteria. Verder is voor een vordering tot verhuizing in deze voorlopige procedure geen ruimte volgens de man.

4.5.

De raad heeft aangegeven dat de gehechtheid van de minderjarige in deze fase van haar leven heel belangrijk is. Dit is het moment dat zij voor de rest van haar leven leert hoe ze zich moet hechten aan anderen. De raad ziet jonge ouders, die allebei de angst hebben dat zij door de ander buiten spel worden gezet. De raad geeft de vrouw complimenten dat zij zorg aanvaardt van stichting Timon om veiligheid te creëren voor haar dochter. De raad kan geen advies geven over de veiligheid van de minderjarige bij de vrouw. De raad adviseert partijen een aantal contactmomenten per week te creëren tussen de vrouw en de minderjarige. Daarbij kan haar begeleiding de vrouw ondersteunen, maar ook de zorgen bij de man wegnemen. De raad vindt het van groot belang dat partijen een regeling in het belang van de minderjarige in stand houden en niet zullen onderbreken. De hulpverlening is betrokken om mogelijke zorgen te bespreken en zal uiteindelijk adviseren over het contact. Het is voorlopig niet aan ouders om te besluiten dat het stopzetten van contact in het belang van de minderjarige is. Daarmee brengen zij de minderjarige volgens de raad juist meer schade toe.

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De grootste angst van beide partijen is om weggehouden te worden bij hun dochter. Voor beide partijen is deze angst werkelijkheid geworden. De man heeft de minderjarige in de periode van eind december 2025 tot half januari 2026 niet gezien en de vrouw heeft geen fysiek contact gehad met de minderjarige tussen half januari 2026 en in ieder geval de mondelinge behandeling. De voorzieningenrechter acht dit, met de raad, schadelijk voor de minderjarige. Beide partijen hebben in de afgelopen periode eigenrichting gepleegd en keuzes gemaakt zonder de andere ouder daar (volledig) in te betrekken. De voorzieningenrechter noemt als voorbeeld dat de vrouw de minderjarige heeft uitgeschreven bij de gemeente Hoeksche Waard met als gevolg dat de geplande afspraak bij het consultatiebureau niet door kon gaan en de man een nieuwe afspraak moest maken. De man heeft op zijn beurt de minderjarige bij de vrouw weggehouden en geen enkel fysiek contact georganiseerd tussen de vrouw en de minderjarige. Voor de videobelcontacten, die hij wel organiseert, lijkt hij volgens productie 12 van de vrouw af en toe geen tijd te hebben. De voorzieningenrechter acht deze handelswijzen strijdig met het belang van hun nog zo jonge dochter. Door hun handelen brengen partijen de basis voor de veilige hechting van de minderjarige in gevaar. De voorzieningenrechter kan zich niet voorstellen dat partijen dit een goede start voor de minderjarige vinden, zij moeten hier dus mee stoppen.

Toevertrouwing

4.7.

De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw om de minderjarige voorlopig aan haar toe te vertrouwen af. Deze procedure betreft een spoedprocedure waarbij voorlopige beslissingen worden genomen. De vordering van de vrouw betreft impliciet een verzoek om met de minderjarige te mogen verhuizen naar de regio Utrecht. Dit is een ingrijpende beslissing, waar in een verzoekschriftprocedure volgens het beleid van de rechtbank drie rechters over beslissen. De voorzieningenrechter kan daar in deze spoedprocedure, waarin geen plaats is voor uitgebreid onderzoek, niet op vooruitlopen. Omdat de voorzieningenrechter deze vordering van de vrouw afwijst, worden ook de vorderingen over de hoofdverblijfplaats, de teruggeleiding en de daarmee samenhangende dwangsom afgewezen.

4.8.

De voorzieningenrechter wijst ook de vordering van de man af om de minderjarige voorlopig aan hem toe te vertrouwen. De reden daarvoor is dat de man geen belang heeft bij deze vordering. De minderjarige verblijft feitelijk bij de man, staat weer ingeschreven in Oud-Beijerland op het adres van de man en heeft daar haar gewone verblijfplaats.

4.9.

In de praktijk betekenen deze beslissingen dat de minderjarige voorlopig ingeschreven blijft in de gemeente Hoeksche Waard op het adres van de man en er dus niets verandert.

Voorlopige zorgregeling

4.10.

Een kortgedingprocedure leent zich in beginsel niet voor de vaststelling van een zorgregeling. Echter, op dit moment heeft de vrouw geen enkele vorm van fysiek contact met de minderjarige. De vrouw kan haar vordering dan baseren op het recht op contact met de minderjarige. De voorzieningenrechter kan in deze procedure alleen een voorlopige regeling vastleggen, in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure of andere afspraken van partijen.

4.11.

De voorzieningenrechter wijst de primaire vordering van de vrouw over een zorgregeling met de man af, omdat de minderjarige bij de man en niet bij de vrouw zal verblijven. De subsidiaire vordering van de vrouw, te weten hervatting van de afspraken die partijen in januari 2026 hebben gemaakt, acht de voorzieningenrechter op dit moment een stap te ver. Hoewel de vrouw stelt dat uit productie 10 van de vrouw blijkt dat het veilig is, volgt uit die productie dat het onderzoek van Veilig Thuis op 4 maart 2026 nog loopt en dat nog geen definitieve conclusies over de veiligheid van de minderjarige getrokken kunnen worden. De regeling, die de vrouw subsidiair heeft gevorderd, is wat de voorzieningenrechter betreft zeker een doel om zo snel mogelijk naartoe te werken, maar daaraan voorafgaand moeten kleinere stappen genomen worden om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen en het basisvertrouwen tussen partijen te herstellen. De raad heeft geadviseerd drie keer in de week een fysiek contactmoment te organiseren tussen de vrouw en de minderjarige. De man heeft hiermee ingestemd, de vrouw heeft zich daarover niet concreet uitgelaten. De voorzieningenrechter zal aansluiten bij het advies van de raad, nu ook de man daarmee heeft ingestemd. De voorzieningenrechter acht het van belang een concrete regeling op te nemen zodat een volgend geschil voorkomen wordt. De voorzieningenrechter zal zelf invullen hoe dat contact eruit ziet nu geen partijen zich daar concreet over heeft uitgelaten. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de contacten op doordeweekse dagen zullen plaatsvinden, ervan uitgaande dat dit dagen zijn waarop de hulpverlening beschikbaar is. De voorzieningenrechter zal de dagen spreiden. Als tijdstip zal de voorzieningenrechter bepalen van 14.00 tot uiterlijk 17.00 uur, onder de voorwaarden dat dit voor de hulpverlening haalbaar is en het het ritme van de minderjarige niet verstoord. Het staat partijen vrij met de hulpverlening andere dagen en tijdstippen af te spreken. Voor drie andere dagen wordt de vordering van de man over het videobellen toegewezen, al realiseert de voorzieningenrechter zich dat videobellen met een minderjarige die nog geen één jaar is, lastig kan zijn.

4.12.

De voorzieningenrechter zal wel bepalen, zoals door de man gevorderd, dat de contactmomenten in eerste instantie begeleid zullen worden totdat uit onderzoek van Veilig Thuis blijkt dat onbegeleid contact veilig kan plaatsvinden. Namens de man is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het wijkteam en Veilig Thuis betrokken zijn en bereid zijn het contact tussen de vrouw en de minderjarige te (laten) begeleiden. Daarnaast hebben hulpverleners van het wijkteam, volgens de verklaring van de man, in de afgelopen periode het videobelcontact tussen de vrouw en de minderjarigen begeleid. Hoewel de voorzieningenrechter een derde partij geen opdracht kan geven en zich daar in andere zaken verre van houdt, acht de voorzieningenrechter de toezegging van de man tijdens de mondelinge behandeling in dit geval voldoende om op te nemen dat het wijkteam en Veilig Thuis het contact voorlopig zullen begeleiden. Daarnaast heeft de betreffende hulpverlener van het wijkteam, zo blijkt uit productie 5 van de vrouw, toegezegd mee te willen werken aan het contact tussen de vrouw en de minderjarige. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de contactmomenten in het belang van de minderjarige in eerste instantie zullen plaatsvinden in [woonplaats] , zodat zij niet direct wordt belast met de reistijd. De voorzieningenrechter bepaalt verder dat de voorlopige regeling een richtlijn is en de invulling daarvan verder aan de betrokken hulpverlening en ouders samen is. Ouders moeten dus met de hulpverlening afspraken maken. De voorzieningenrechter drukt beide ouders op het hart dat als er afspraken zijn gemaakt, deze nagekomen moeten worden. Voor hun dochter. Zij mag niet meer het contact verliezen met één van haar ouders. En als er een blauwe plek zichtbaar is, zullen partijen daarover met de hulpverlening in gesprek moeten gaan, voordat zij handelen. Hetzelfde geldt voor het uit- en inschrijven bij een andere gemeente.

4.13.

De voorzieningenrechter legt de man niet de gevorderde dwangsom voor de zorgregeling op en wijst deze vordering van de vrouw af. Toewijzing daarvan zou leiden tot ongelijkheid tussen partijen terwijl beide partijen eerder in de fout zijn gegaan door de minderjarige bij de andere ouder weg te houden. Als dat opnieuw zou gebeuren, is een dwangsom tijdens een volgende procedure wellicht wel op zijn plaats, als dat wordt gevorderd.

Proceskosten

4.14.

De vrouw vordert de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Partijen dienen zich goed te realiseren dat als er opnieuw een kort geding nodig is, bijvoorbeeld omdat afspraken niet worden nagekomen, de voorzieningenrechter hier anders over kan denken.

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat de voorlopige regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

  • de minderjarige verblijft drie keer per week op maandag, woensdag en vrijdag van 14:00 uur en uiterlijk 17:00 uur bij de vrouw, tenzij partijen met de hulpverlening andere dagen en tijdstippen overeengekomen gelet op het ritme van de minderjarige of de beschikbaarheid van de hulpverlening;

  • waarbij de contactmomenten in beginsel plaatsvinden in [woonplaats] onder begeleiding van de betrokken hulpverlening van het wijkteam of Veilig Thuis of door hen ingeschakelde derden;

  • op drie andere dagen in de week hebben de vrouw en de minderjarige beeldbelcontact met elkaar;

  • uitbreiding van de contactmomenten is mogelijk in overleg met de hulpverlening en onbegeleide contactmomenten pas na afronding van het onderzoek van Veilig Thuis en ook in overleg met de hulpverlening;

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.L. Raphael en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733