Essentie (gemaakt door AI)
Afwijzing erkenning Russische alimentatiebeslissing waarin geen kenbare toets aan behoefte van het kind en draagkracht van vader is gedaan, zodat erkenning in strijd is met de Nederlandse openbare orde art. 431 Rv en HR 26-09-2014 [[ECLI:NL:HR:2014:2838]]. Vervolgens wordt, toepassing gevend aan Nederlands recht op grond van het Haags Alimentatieprotocol, de KAL vanaf 1 januari 2025 vastgesteld op € 76 per maand na berekening van behoefte (€ 189), draagkrachtvergelijking en 5% zorgkorting. Rest afgewezen.| Datum publicatie | 14-04-2026 |
| Zaaknummer | C/09/677384 / FA RK 24-9002 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Geen erkenning van Russische uitspraak en vaststelling kinderalimentatieVolledige uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9002
Zaaknummer: C/09/677384
Datum beschikking: 3 maart 2026
Erkenning en nakoming buitenlandse uitspraak (primair)
Vaststelling kinderalimentatie (subsidiair)Beschikking op het op 13 december 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
volgens de Basisregistratie Personen: [de vrouw] [achternaam] ,
de vrouw,
blijkens Registratie Niet Ingezetenen per 18 juni 2020 geëmigreerd naar [land] ,
advocaat: mr. S. Jurkovich te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het bericht van 9 december 2025, met bijlagen, van de vrouw;
- het bericht van 18 december 2025, met bijlagen, van de man.
Op 23 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vrouw en de man met zijn advocaat.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2016 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
- Bij vonnis van 28 augustus 2020 van de districtsrechtbank te Moskou, Rusland – volgens de overgelegde vertaling: de Shcherbinsky District Court of Moscow – (hierna: de rechtbank te Moskou) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is bepaald dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en is een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld van 45.000 Russische roebel per maand.
- De vrouw heeft de Russische nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt na aanvulling:
primair:
-
het vonnis van 28 augustus 2020 van de rechtbank te Moskou te erkennen;
-
de man te veroordelen tot nakoming van het onder i. vermelde vonnis en te bepalen dat de man met ingang van 25 juli 2019 aan de vrouw dient te voldoen een bijdrage in de kosten van [minderjarige] van 45.000 Russische roebels per maand (naar de huidige koers omgerekend € 428,91 per maand);
subsidiair:
te bepalen dat de man per 25 juli 2019 dan wel per 20 augustus 2020 aan de vrouw dient te voldoen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 428,91 per maand, dan wel een andere bijdrage en ingangsdatum die de rechtbank juist acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man bij een hernieuwd verzoek van de vrouw zelfstandig verzocht om een nihilstelling althans een verklaring voor recht dat de man niet gehouden is kinderalimentatie voor [minderjarige] te voldoen.
Beoordeling
Opmerking vooraf
De vrouw verzoekt primair erkenning van het vonnis van 28 augustus 2020 van de rechtbank te Moskou en subsidiair vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] . De man heeft hiertegen verweer gevoerd en verzoekt, naar de rechtbank op basis van het verweerschrift en het besprokene tijdens de zitting begrijpt, zelfstandig nihilstelling van de kinderalimentatie. De rechtbank zal eerst beoordelen of het vonnis van 28 augustus 2020 voor erkenning in aanmerking komt en vervolgens het verzoek van de man om nihilstelling beoordelen.
Erkenning van de Russische beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het verzoek is gebaseerd op artikel 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Genoemd artikel bepaalt in lid 1 dat, behoudens het bepaalde in de artikelen 985994 Rv, beslissingen gegeven door vreemde rechters niet binnen Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd. Lid 2 van artikel 431 Rv bepaalt dat de gedingen opnieuw bij de Nederlandse rechter kunnen worden behandeld en afgedaan.
Gelet op de formulering van artikel 431 Rv is de zaak naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden met een verzoekschrift ingeleid. Op grond van artikel 3 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, nu de man zijn woonplaats in Nederland heeft.
De rechtbank zal op het verzoek tot erkenning van de Russische beslissing Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De artikelen 985-994 Rv hebben betrekking op beslissingen, gegeven door de rechter van een vreemde staat, die in Nederland uitvoerbaar zijn krachtens een verdrag of krachtens de wet. Voor de tenuitvoerlegging is dan rechterlijk verlof vereist.
Tussen Rusland en Nederland is geen verdrag of andere internationale regeling van toepassing met betrekking tot kinderalimentatie, zodat de artikelen 985-994 Rv in dit geval niet van toepassing zijn. Naar de huidige stand van het Nederlands internationaal privaatrecht en de gevormde jurisprudentie inzake de erkenning van vreemde vonnissen en de toepassing van artikel 431 Rv is erkenning in een dergelijk geval toch mogelijk, onder de volgende door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2838) geformuleerde voorwaarden:
-
de buitenlandse rechter was op een naar internationale maatstaven algemeen aanvaarde grond bevoegd om kennis te nemen van de zaak; en
-
de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen na een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging; en
-
erkenning van de rechterlijke beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde; en
-
e buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil over hetzelfde onderwerp, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
De rechtbank zal beoordelen of in dit geval aan deze voorwaarden is voldaan. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat niet in geschil is dat de Russische rechter bevoegd was te oordelen over het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie. Ten tijde van de uitspraak was de vrouw met [minderjarige] woonachtig in Rusland. De gewone verblijfplaats van een kind is een internationaal aanvaarde grond voor het aannemen van rechtsmacht van de ter plaatse bevoegde rechter waar het gaat om de vaststelling van een bijdrage in de opvoeding en verzorging van het kind. Evenmin is sprake van een situatie omschreven onder d) van de toetsingscriteria. Er is niet gebleken van andere rechterlijke uitspraken tussen partijen en hierover bestaat ook geen verschil van inzicht tussen partijen.
Partijen verschillen wel van mening over de vraag of is voldaan aan de toetsingscriteria zoals genoemd onder b) (behoorlijke rechtspleging) en c) (strijd met de openbare orde).
sub b) behoorlijke rechtspleging
Volgens de vrouw is sprake geweest van een behoorlijke rechtspleging. Zo heeft de rechtbank te Moskou alle documenten van de procedure aan de man verzonden, is de behandeling diverse keren uitgesteld om de man in de gelegenheid te stellen te verschijnen en is de beslissing aan de man verzonden, waarin ook vermeld is dat de man één maand de tijd had om hoger beroep in te stellen.
De man voert verweer en stelt dat geen sprake is geweest van een behoorlijke rechtspleging. Volgens hem is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de man niet in de procedure is verschenen, staat onvoldoende vast dat hij behoorlijk is opgeroepen en is er aan zijn zijde geen sprake van procesvertegenwoordiging geweest. De vrouw heeft niet aangetoond dat aan de formele wettelijke vereisten is voldaan. Verder heeft er geen hoor en wederhoor plaatsgevonden en is in de beschikking niet benoemd of er nog een mogelijkheid bestaat om een rechtsmiddel in te stellen. Om deze reden is de uitspraak van de rechtbank te Moskou inhoudelijk onjuist.
Hoewel de man niet in de Russische procedure is verschenen, volgt uit het vonnis van 28 augustus 2020 van de rechtbank te Moskou dat de man op een naar Russische maatstaven behoorlijke wijze is opgeroepen. In (de Engelse vertaling van) het vonnis staat daaromtrent: “Defendant [de man] has not appeared in court, having been duly notified of the date, time and place thereof by a telegram addressed at [adres] .” De rechtbank heeft onvoldoende reden om aan de juistheid van die vaststelling te twijfelen. Het genoemde adres betreft het adres waarop de man destijds stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Het feit dat een gedaagde of verweerder niet in de procedure is verschenen, geen procesvertegenwoordiging heeft gehad en dat dus geen hoor en wederhoor is toegepast, staat ook naar Nederlandse maatstaven niet in de weg aan een behoorlijke rechtspleging. Gelet hierop heeft de rechtbank ten aanzien van de Russische beslissing geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de procedure niet aan de beginselen van een behoorlijke rechtspleging heeft voldaan.
sub c) strijd met de Nederlandse openbare orde
De vrouw stelt dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat de beslissing met betrekking tot de kinderalimentatie in strijd is met de openbare orde. Volgens de vrouw is de kinderalimentatie berekend op basis van de behoefte en de draagkracht van partijen. Indien er onvoldoende informatie beschikbaar is over het inkomen van de onderhoudsplichtige, wordt naar Russisch recht aansluiting gezocht bij het gemiddeld inkomen per maand in het land waar de ouder woont. Vervolgens wordt verondersteld dat 25% van dat inkomen beschikbaar is voor een bijdrage in de kinderalimentatie. Deze werkwijze acht de vrouw niet in strijd met de Nederlandse openbare orde. Bovendien betekent het feit dat de man niet verschenen is in de procedure niet dat de vastgestelde kinderalimentatie in strijd is met de Nederlandse openbare orde. In Nederland kan iemand immers ook bij verstek worden veroordeeld voor zover het verzoek de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Volgens de vrouw is een bijdrage van € 429,- niet dermate hoog dat getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid daarvan.
De man voert verweer en stelt dat erkenning van de rechterlijke beslissing in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Hiertoe voert hij aan dat de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen niet bij de vaststelling van de kinderalimentatie is betrokken. De kinderalimentatie is derhalve gebaseerd op een fictieve behoefte. Ook is het vastgestelde bedrag niet conform zijn draagkracht vastgesteld, nu geen rekening is gehouden met het feit dat hij op het moment van de Russische uitspraak een Wajong-uitkering ontving. Bij dit inkomen hoort naar Nederlandse maatstaven een bijdrage van € 25,- per maand. Verder acht de man het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat er uit wordt gegaan van een terugwerkende kracht van ruim 4,5 jaar. De man is pas voor het eerst in april 2023 op de hoogte geraakt van het vastgestelde alimentatiebedrag. Bovendien is de vordering van de vrouw deels verjaard, nu in Rusland een verjaringstermijn van drie jaar geldt.
De rechtbank stelt voorop dat een andere staat de autonomie heeft om een eigen stelsel voor de bepaling van kinderalimentatie te ontwerpen. Er zijn dan ook diverse stelsel bekend als het gaat om het bepalen van de hoogte van te betalen kinderalimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank is wel van belang dat rekening wordt gehouden met de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige. Daarbij is artikel 14 van het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (het Haags Alimentatie Protocol) van belang, waaruit volgt dat ook indien het toepasselijke recht anders bepaalt bij de vaststelling van een onderhoudsbijdrage rekening wordt gehouden met de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en draagkracht van de alimentatieplichtige.
In (de Engelse vertaling van) het vonnis van 28 augustus 2020 staan over de vaststelling van de alimentatie de volgende overwegingen:
“In accordance with Article 80 of the Family Code of the Russian Federation, parents must maintain their minor children. Parents shall at their own discretion agree on the procedure and manner of such maintenance. Parents may conclude a child support agreement subject to Chapter 16 of the Family Code of the Russian Federation.
If parents fail to provide maintenance to their minor children, child support may be awarded by a court.
According to Article 81 of the Family Code of the Russian Federation, where there is no child support agreement, the court shall award monthly child support as follows: one-fourth of parents’ monthly earnings and/or other income in case of one minor child, one-third of parents’ monthly earnings and/or other income in case of two minor children, one-half of parents’ monthly earnings and/or other income in case of three or more minor children.
In accordance with Article 83 of the Family Code of the Russian Federation, if there is no child support agreement between the parties and if the absent parent’s earnings and/or other income is irregular, or fully or partially in kind, or in foreign currency, or absent, or otherwise, so that awarding child support in proportion to the absent parent’s earnings and/or other income is impossible, difficult or is essentially breaching the rights of one of the parties, the court may establish monthly child support either as a fixed amount or both as a proportion to the absent parent’s earnings (in accordance with Article 81 of the Code) and a fixed amount.
In accordance with part 2 of Article 83 of the Family Code of the Russian Federation, in determining the fixed amount of monthly child support, the court shall consider the possibility of maintaining the standard of living enjoyed by the child, with due account of the financial and family status of the parties and other factors the court considers relevant.
In accordance with part 2 of Article 107 of the Family Code of the Russian Federation, child support is awarded starting from the day the relevant motion is filed.
(…)
Moreover, since [de man] is a citizen of a foreign State — the Kingdom of the Netherlands, and the Court has not been able to establish whether he has any earnings in the Russian Federation; [de vrouw] must be awarded fixed child support for [minderjarige] , born on [geboortedatum] 2018.
Therefore, the Court believes that [de man] must pay [de vrouw] RUB 45,000, being equal to 3.37 times the living wage established by the Moscow Government Order No. 807-ΠΠ dated 17 June 2020 on Establishing the Living Wage in the City of Moscow for the First Quarter of 2020, monthly as fixed child support for minor [minderjarige] , born on [geboortedatum] 2018, starting from the date of filing the statement of claim and until [minderjarige] reaches the adult status.”
De rechtbank stelt vast dat het Russische recht weliswaar de begrippen behoefte en draagkracht kent, maar dat daarmee in het vonnis van 28 augustus 2020 niet kenbaar rekening is gehouden. Op basis van lid 2 van artikel 83 van de Family Code of the Russian Federation moet de rechter bij het bepalen van de hoogte van de onderhoudsbijdrage rekening houden met de levensstandaard van een kind. Uit de tekst van het vonnis blijkt echter niet dat die levensstandaard, ofwel de behoefte, van [minderjarige] is vastgesteld. Daarnaast blijkt uit artikel 81 van de Family Code of the Russian Federation dat in het geval sprake is van één kind, de onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld op een vierde van de maandelijkse inkomsten van de onderhoudsplichtige. Omdat de inkomsten van de man niet bekend zijn, wordt op grond van artikel 83 een vast bedrag vastgesteld. Dit bedrag is een veelvoud van het minimumloon zoals dat is vastgesteld in Moskou in het eerste kwartaal van 2020.
Aldus is op geen enkele wijze rekening gehouden met de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van de man. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het vonnis van 28 augustus 2020 in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Hetgeen in dit kader voor het overige door de man naar voren is gebracht behoeft daarom geen bespreking meer.
De rechtbank concludeert dat het vonnis van 28 augustus 2020 niet aan alle voorwaarden voor erkenning voldoet, zodat het primaire verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.
Vaststellen kinderalimentatie
De vrouw verzoekt subsidiair om te bepalen dat de man per 25 juli 2019 dan wel per 20 augustus 2020 aan de vrouw dient te voldoen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 428,91 per maand. De man voert verweer en heeft zelfstandig verzocht de kinderalimentatie op nihil te stellen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Rusland is geen partij bij internationale verdragen over kinderalimentatie. De rechtbank baseert daarom haar bevoegdheid op grond van artikel 3 Rv. Nu de man – belanghebbende – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzoek van de vrouw, heeft de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht ten aanzien van het daarmee samenhangende zelfstandige verzoek van de man.
Artikel 3 van het Haags Alimentatie Protocol bepaalt in lid 1 dat onderhoudsverplichtingen worden beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, tenzij dit Protocol anders bepaalt. Vervolgens bepaalt lid 3 van artikel 4 van het Haags Alimentatie Protocol dat in afwijking van artikel 3 het recht van het forum van toepassing is, indien de onderhoudsgerechtigde de zaak aanhangig maakt bij de bevoegde autoriteit van de Staat waar de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft.
De rechtbank zal op grond van artikel 4 lid 3 van het Haags Alimentatie Protocol Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , nu de onderhavige zaak in Nederland is aangebracht alwaar de man zijn gewone verblijfplaats heeft.
Inhoudelijke beoordeling
Ingangsdatum
De rechtbank ziet aanleiding 1 januari 2025 te hanteren als ingangsdatum voor de eventuele betalingsverplichting van de man, nu hij vanaf het moment van indienen van het verzoekschrift rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat kinderalimentatie zou worden vastgesteld. De rechtbank zal in het navolgende beoordelen of de man vanaf die datum kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen.
Behoefte
Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals door de Expertgroep Alimentatie neergelegd in het Rapport alimentatienormen en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Hierbij wordt gekeken naar het inkomen van partijen op het moment van uiteengaan. Partijen zijn in het voorjaar van 2019 uit elkaar gegaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw op dat moment geen inkomen had. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat de man, zoals door hem is gesteld en door de vrouw onvoldoende is betwist, op dat moment een Wajong-uitkering ontving. Op basis van deze gegevens gaat de rechtbank uit van een behoefte van [minderjarige] van € 150,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 189,- per maand.
Draagkracht
De behoefte van [minderjarige] moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het Rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
- draagkracht man
Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn bruto maandinkomen van € 5.365,-, zoals blijkt uit de door de man overlegde salarisstroken. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering van € 445,30 per maand, een premie OP/NP van € 361,40 per maand, een premie AAOP van € 4,37 per maand en een premie IPAP van € 37,28 per maand.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.058,- per maand.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.072,- per maand, te weten 70% van [4.058 – (0,3 x 4.058 + 1.310)].
- draagkracht vrouw
Bij gebrek aan gegevens gaat de rechtbank aan de zijde van de vrouw uit van het NBI zoals door de vrouw is berekend, te weten € 920,- per maand.
Nu het NBI van de vrouw lager is dan € 1.875,- per maand, zal de rechtbank overeenkomstig de draagkrachttabel uitgaan van een draagkracht aan de zijde van de vrouw van € 25,- per maand.
- draagkracht echtgenoot vrouw
De vrouw is opnieuw getrouwd. Omdat de echtgenoot van de vrouw als stiefouder ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige] , zal hij ook in de berekening worden meegenomen.
Bij gebrek aan gegevens gaat de rechtbank aan de zijde van de echtgenoot van de vrouw uit van het NBI zoals door de vrouw is berekend, te weten € 4.519,- per maand.
De draagkracht van de nieuwe partner van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.297,- per maand, te weten 70% van [4.519 – (0,3 x 4.519 + 1.310)].
Draagkrachtvergelijking
De rechtbank zal een draagkrachtvergelijking maken met de draagkracht van partijen en de echtgenoot van de vrouw. De rechtbank acht het redelijk dat ieder naar rato van zijn/haar draagkracht draagplichtig is, nu op de zitting is gebleken dat [minderjarige] volledig bij de vrouw en haar echtgenoot woont. De rechtbank zal dan ook de volgende formule gebruiken: draagkracht ouder / totale draagkracht x behoefte van het kind. Dit leidt tot het volgende:
aandeel man: 1.072 / 2.394 x 189 = 85
aandeel vrouw: 25 / 2.394 x 189 = 2
aandeel echtgenoot vrouw: 1.297 / 2.394 x 189 = 102
Op basis van bovenstaande draagkrachtvergelijking dient de man voor [minderjarige] € 85,- per maand bij te dragen.
Zorgkorting
Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijn van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Uit de stukken en hetgeen op zitting besproken, blijkt dat momenteel geen omgang tussen [minderjarige] en de man plaatsvindt. Conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatie zal de rechtbank een forfaitaire zorgkorting van 5% hanteren, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. De zorgkorting bedraagt 5% van de behoefte van [minderjarige] , zijnde € 9,- per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man met ingang van 1 januari 2025 te betalen alimentatie vaststellen op € 76,- per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2025 te betalen alimentatie voor [minderjarige] op € 76,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 maart 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
