Essentie (gemaakt door AI)
Erfrecht. Ouders voeren gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen die de nalatenschap van de grootvader beneficiair hebben aanvaard. Vader verzoekt namens de kinderen inzage en afschrift van bescheiden op grond van art. 194 Rv. De rechtbank verklaart vader niet-ontvankelijk omdat procederen namens de kinderen tegen moeder zonder machtiging van de kantonrechter niet is toegestaan art. 1:253k jo art. 1:349 BW. Ten overvloede: ook met machtiging ontbreekt voldoende belang, omdat de gevraagde informatie reeds is verstrekt.| Datum publicatie | 14-04-2026 |
| Zaaknummer | C/13/776277 / HA RK 25-335 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Minderjarigen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Erfrecht. Ouders voeren gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen, die de nalatenschap van erflater beneficiair hebben aanvaard. In het kader van de afwikkeling van die nalatenschap vraagt vader inzage en afschrift van bescheiden op grond van artikel 194 Rv. De rechtbank oordeelt dat vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat hij geen machtiging van de kantonrechter heeft voor het namens de kinderen procederen tegen hun moeder.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776277 / HA RK 25-335
Beschikking van 2 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. M.P.G. Roobeek,
tegen
1 [verweerder],
wonende in [woonplaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
2. [belanghebbende],
wonende in [woonplaats 3],
belanghebbende,
advocaat: mr. A.D. Bauer-van Erp.
1De kern van de zaak
[verzoeker] en [verweerder] zijn de ouders van twee minderjarige kinderen en voeren gezamenlijk het gezag over hen uit. De vader van [verweerder] (hierna: erflater) is overleden in 2024 en [verweerder] en haar zus hebben beiden de nalatenschap van erflater verworpen, zodat hun kinderen in hun plaats zijn getreden. De kinderen van [verzoeker] en [verweerder] hebben de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. In het kader van de afwikkeling van die nalatenschap verzoekt [verzoeker] in deze procedure namens de kinderen dat [verweerder] wordt veroordeeld om een afschrift van bepaalde stukken te verstrekken. De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat hij voor het namens de kinderen tegen hun moeder procederen een machtiging van de kantonrechter had moeten hebben.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift van [verzoeker], ingekomen ter griffie op 22 oktober 2025, met producties,
-
het verweerschrift van [verweerder], met een productie,
-
de beschikking van 20 november 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
-
het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.
3De beoordeling
[verzoeker] is niet-ontvankelijk in zijn verzoek[verzoeker] heeft – na wijziging van zijn verzoek – in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater verzocht dat [verweerder] wordt veroordeeld om een afschrift van bepaalde stukken te verstrekken, op straffe van een dwangsom. Op de zitting heeft [verzoeker] concreet gemaakt om welke informatie het gaat. Hij baseert zijn verzoek op artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
[verweerder] voert aan dat 194 Rv niet bedoeld is voor een geval als dit waarin [verzoeker] en [verweerder] allebei hetzelfde belang hebben, namelijk dat van hun kinderen. [verweerder] verzet zich ook inhoudelijk tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe aan dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek, omdat hij al over alle relevante informatie beschikt.
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] dat hij het verzoek namens zijn kinderen doet. [verzoeker] heeft namelijk in het verzoekschrift aangegeven dat hij als gezaghebbende ouder en als wettelijke vertegenwoordiger van zijn kinderen een rechtstreeks belang heeft bij inzage in de stukken omdat hij zonder de stukken de belangen van zijn kinderen niet kan behartigen. Daarom verzoekt hij de rechtbank in het belang van zijn kinderen om nadere informatie te verkrijgen. Op de zitting heeft [verzoeker] bevestigd dat hij het verzoek namens zijn kinderen doet. [verzoeker] heeft op de zitting gezegd dat hij het verzoek ook namens zichzelf doet, maar de rechtbank vindt dat niet aannemelijk. [verzoeker] heeft niet gesteld welk eigen belang hij bij de verzochte stukken heeft.
De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat [verzoeker] niet bevoegd is om zijn kinderen in deze procedure te vertegenwoordigen. Als zoals in dit geval twee ouders gezamenlijk het gezag hebben over hun minderjarige kinderen dan mag iedere ouder afzonderlijk het kind in een procedure vertegenwoordigen, zolang de andere ouder daartegen geen bezwaar heeft.
1 In dit geval procedeert [verzoeker] echter als ouder tegen de andere gezaghebbende ouder. Daarmee is het bezwaar van de andere ouder gegeven. Als een ouder zonder machtiging van de kantonrechter voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt, dan moet de ouder in die procedure niet-ontvankelijk worden verklaard.
2 De rechtbank stelt vast dat zo’n machtiging hier ontbreekt. Dat de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland [verzoeker] en [verweerder] beiden in de beschikking van 9 januari 2025 heeft gemachtigd tot inzage in- en het verlangen van afschriften van alle gegevensdragers en administratie van erflater, is niet hetzelfde als een machtiging om namens de kinderen tegen hun moeder te procederen. De rechtbank ziet mede gezien haar oordeel ten overvloede over de inhoud van het verzoek (zie hierna) geen aanleiding om de zaak aan te houden om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen de vereiste machtiging alsnog te verkrijgen. Dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, betekent dat de rechtbank dat verzoek in beginsel niet inhoudelijk beoordeelt en dat daarmee de zaak is afgedaan.
De rechtbank ziet echter in wat op de zitting is besproken en de wens van partijen om inhoudelijk tot een afronding van het geschil te komen aanleiding om ‘ten overvloede’ toch een oordeel over de inhoud te geven. Ook als [verzoeker] wel een machtiging van de kantonrechter had, zou de rechtbank zijn vordering niet hebben toegewezen. Partijen zijn het er (inmiddels) over eens dat [verzoeker] de informatie waar hij om heeft verzocht heeft gekregen: deels al voor de procedure en deels op de zitting. Dat betekent dat [verzoeker] in zoverre geen belang (meer) heeft bij zijn verzoek. Omdat artikel 194 Rv vereist dat degene die om afgifte van stukken verzoekt daarbij voldoende belang heeft, is daarmee dus niet aan de voorwaarden van dat artikel voldaan.
Proceskosten
Beide partijen hebben verzocht om de ander in de proceskosten te veroordelen en hebben daarvoor gesteld dat het niet nodig was om deze procedure te starten omdat de ander dit had kunnen voorkomen. De rechtbank kiest er in dit soort familieaangelegenheden vaak voor om iedere partij de eigen proceskosten te laten dragen.
3 De rechtbank vindt het ook in deze familiaire kwestie redelijk dat iedere partij de eigen kosten draagt, ongeacht de vraag wie er (on)gelijk krijgt. Daarbij geldt dat [verzoeker] persoonlijk zijn eigen proceskosten moet dragen en die kosten niet ten laste van de kinderen komen. Die zijn er immers niet voor verantwoordelijk dat [verzoeker] onbevoegd in hun naam procedeert, omdat de vereiste machtiging van de kantonrechter daarvoor ontbreekt.
4
4De beslissing
De rechtbank
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gewezen door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
Die bevoegdheid volgt uit artikel 237 lid 1 Rv en bijvoorbeeld de conclusie van 24 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:569, overweging 3.53.
Vergelijk Hoge Raad 12 december 1975, NJ 1976/569 (https://www.inview.nl/document/id157619751212nj1976569dosred).
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
