Essentie (gemaakt door AI)
Blokkeringsrecht. Vader beroept zich op het blokkeringsrecht ex art. 7:446 BW jo. art. 7:464 lid 2 sub b BW, waardoor de volledige deskundigenrapportage is geblokkeerd. De rechtbank oordeelt dat geen “voorlopig/gedeeltelijk” blokkeringsrecht bestaat en dat vader niet voldoet aan art. 198 Rv, zodat de rechtbank daaraan gevolgtrekkingen kan verbinden. Door vader overgelegde delen uit conceptrapport blijven buiten beschouwing. Kosten deskundigen worden vastgesteld. Raad wordt om aanvullend onderzoek gevraagd over gezag en zorgregeling.| Datum publicatie | 13-04-2026 |
| Zaaknummer | C/03/278317 / FA RK 20-1896 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Formele relaties | Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2026:3495 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Familieprocesrecht; Deskundigenonderzoek / Ouderschapsonderzoek |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Blokkeringsrecht. Niet voldaan aan de verplichting van art. 198 Rv. De rechtbank kan hieruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Buiten beschouwing laten van door de vader overgelegde stukken. Vaststelling kosten deskundigen. Raadsonderzoek.Volledige uitspraak
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 23 februari 2024
Zaaknummer: C/03/278317 / FA RK 20-1896
De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, hierna te noemen: de moeder,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en:
[de vader] ,
wederpartij, hierna te noemen: de vader,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd te Roosendaal.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.
Wederom gezien de stukken, waaronder ook de door deze rechtbank gegeven en op
31 oktober 2023 uitgesproken beschikking.
1Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
de brief van de moeder van 28 november 2023;
-
de brief, met bijlagen en een aanvullend verzoek van de vader van 14 december 2023.
2De verdere beoordeling
Bij beschikking van 31 oktober 2023 zijn de ouders in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de brief van de deskundigen van 25 september 2023, een aantal door de rechtbank gestelde vragen en de door hen gewenste voortgang van de procedure.
De ouders hebben zich bij brieven van 28 november 2023 en 14 december 2023 over de diverse onderwerpen uitgelaten.
Het aanvullend verzoek van de vader
De vader heeft bij brief van 14 december 2023 een nieuw aanvullend verzoek ingediend, inhoudende dat hij de rechtbank verzoekt - zo begrijpt de rechtbank - het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen te beëindigen en te bepalen dat de vader voortaan het gezag over de kinderen toekomt.
Hoewel de vader zijn aanvullend verzoek tijdens een vergevorderd stadium van de procedure heeft ingediend, heeft de rechtbank nog geen eindbeschikking gegeven en hangt het verzoek van de vader ook samen met zijn oorspronkelijk verzoek, waarop wel reeds is beslist, tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen én met het voorliggende verzoek van de moeder tot een zorgregeling. De rechtbank zal het verzoek dan ook toelaten.
Kosten deskundigenonderzoek
Bij beschikking van 8 augustus 2022 heeft de rechtbank het voorschot ter zake van de kosten van de deskundigen conform de uitgebrachte offertes begroot op € 7.613,12 (exclusief BTW en reiskostenvergoeding) ten behoeve van mevrouw drs. S. Labrijn en op € 7.201,60 (exclusief BTW en reiskostenvergoeding) ten behoeve van de heer drs. R. Arends, en heeft bepaald dat deze kosten door de Staat worden voorgeschoten.
Bij beschikking van 31 oktober 2023 zijn de eindnota’s van de deskundigen aan partijen toegestuurd. De deskundige drs. S. Labrijn heeft ten aanzien van het onderzoek een bedrag van € 7.613,12 exclusief BTW en reiskostenvergoeding (conform de offerte), alsmede een bedrag van € 4.346,16 exclusief BTW aan reiskosten gedeclareerd. Ten aanzien van de reiskosten heeft de deskundige een specificatie opgenomen in de nota. Vermeerderd met de BTW bedraagt het totale gefactureerde bedrag door drs. S. Labrijn € 14.470,72.
De deskundige drs. R.E. Arends heeft een bedrag van € 7.201,60 exclusief BTW en reiskosten (conform de offerte) gedeclareerd, alsmede een bedrag van € 5.720,40 exclusief BTW aan reiskostenvergoeding. Inclusief BTW bedraagt de factuur van drs. Arends
€ 15.635,62. Ook de deskundige Arends heeft een specificatie van de reiskosten overgelegd.
De moeder heeft geen opmerkingen over de eindnota’s van de deskundigen gemaakt.
De vader heeft enkel opgemerkt dat er geen specificatie - de rechtbank begrijpt van de urendeclaratie - is overgelegd zodat de vader zich hierover niet kan uitlaten.
De rechtbank stelt vast dat het bedrag van de door de deskundigen gedeclareerde uren overeenkomt met de eerder bij beschikking van 8 augustus 2022 begrote voorschotten conform de offertes. Partijen hebben destijds geen bezwaar geuit tegen deze offertes, zodat de rechtbank deze bedragen zal vaststellen. Partijen hebben verder, hoewel de deskundigen hun specificaties ten aanzien van de reiskosten hebben overgelegd, geen bezwaar gemaakt tegen de gedeclareerde reiskostenvergoeding, zodat de rechtbank deze eveneens zal vaststellen. De rechtbank zal verder bepalen dat het bedrag waarop de deskundigen aanspraak hebben vooralsnog wordt betaald uit 's Rijks kas en dat tot aan de eindbeschikking de ten laste van 's Rijks kas betaalde bedragen in debet worden gesteld, waarbij bij de door de rechtbank te geven eindbeschikking een definitieve beslissing met betrekking tot de kosten van het deskundigenonderzoek zal worden gegeven.
Blokkeringsrecht vader?
Zoals in de beschikking van 31 oktober 2023 onder 2.8. is opgenomen hebben de deskundigen de rechtbank bericht dat de vader gebruik heeft gemaakt van zijn blokkeringsrecht.
De moeder heeft bij brief van 28 november 2023 de rechtbank bericht dat zij de beslissing over de vraag of de vader zich heeft beroepen op het blokkeringsrecht en zo ja, of, en zo ja welke gevolgtrekking de rechtbank hieraan zou moeten verbinden, aan de rechtbank overlaat, met dien verstande dat de moeder van mening is dat de vader zich niet zonder meer op het blokkeringsrecht van de kinderen kan beroepen, omdat partijen gezamenlijk het gezag hebben.
De vader heeft zich bij brief van 14 december 2023 op het standpunt gesteld dat hij “slechts een (voorlopig) en gedeeltelijk blokkaderecht” heeft opgeworpen. Hij heeft de deskundigen verzocht “een aanpassing” te doen, zodat hij vervolgens opnieuw kon beoordelen of hij – zo begrijpt de rechtbank – zijn blokkeringsrecht zou handhaven. De vader stelt verder dat hij zich voor delen van de rapportage niet heeft beroepen op het blokkaderecht, ook niet voorlopig. De vader verwijst vervolgens naar deze onderdelen en legt deze als producties over. Ook verwijst de vader naar berichten met daarin het commentaar van de vader en de kinderen op de rapporten. Volgens de vader is – zo begrijpt de rechtbank – dan ook geen sprake van het niet meewerken aan het onderzoek.
Het blokkeringsrecht is opgenomen in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) in artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 7:464 lid 2 sub b BW. Hierin is opgenomen dat indien het handelingen betreft als omschreven in artikel 7:446 lid 4 BW de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid wordt gesteld mee te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen. Indien die wens is geuit en de handelingen niet worden verricht in verband met een tot stand gekomen arbeidsverhouding of burgerrechtelijke verzekering dan wel een opleiding waartoe de betrokkene reeds is toegelaten, wordt bedoelde persoon tevens in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij van de uitslag en de gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze artikelen, in samenhang gelezen met de bepalingen opgenomen in de “Leidraad deskundigen in civiele zaken” (verder te noemen: de Leidraad), zoals ook genoemd in de beschikking van 31 oktober 2023, volgt dat de betrokkene kan beslissen of van de uitslag en gevolgtrekkingen wel of geen mededeling aan anderen wordt gedaan. Het artikel laat naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een “voorlopig” of “gedeeltelijk” beroep op het blokkeringsrecht. De vader heeft, nadat hij inzage heeft gehad in het deskundigenrapport voor zover dat ziet op hem en de kinderen, aangegeven, hetgeen ook uit de brief van 14 december 2023 van de vader volgt, dat hij (en de kinderen) niet wil(len) dat mededeling wordt gedaan van de (volledige) rapporten die zien op hem en de kinderen. Dit betekent, naar het oordeel van de deskundigen die het onderzoek hebben verricht maar ook naar het oordeel van de rechtbank, dat de vader gebruik heeft gemaakt van het blokkeringsrecht en op die manier heeft verhinderd dat van de (volledige) deskundigenrapportage mededeling wordt gedaan aan de rechtbank, de moeder en de raad. Dat de vader vervolgens delen van de conceptrapporten ten aanzien van hem en de kinderen, waar hij zich wél in kan vinden, aan de rechtbank overlegt, maakt dat niet anders.
De rechtbank is gelet op het voorgaande en met in achtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1330, zie ook NJ 2009/340), dan ook van oordeel dat sprake is van een niet voldoen aan de verplichting conform artikel 198 Rv door de vader. Dit betekent dat de rechtbank hieruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht.
Door de vader overgelegde delen uit het rapport
De rechtbank zal de door de vader geselecteerde en overgelegde onderdelen uit de conceptrapportage niet meenemen in haar oordeel en buiten beschouwing laten. De vader heeft gebruik gemaakt van het blokkeringsrecht dat ziet op de volledige deskundigenrapportage. Door slechts onderdelen van het concept van de rapportage over te leggen, terwijl uit de stukken volgt dat de vader uitvoerig verweer heeft gevoerd tegen het deskundigenonderzoek en de bevindingen in de conceptrapportage, wordt het de rechtbank door de vader onmogelijk gemaakt om zichzelf een volledig beeld te vormen van het door de deskundigen uitgevoerde onderzoek en hun bevindingen, waardoor de rechtbank ook niet meer in staat is om de onderzoeksbevindingen in onderling samenhang met de beantwoording van de door de rechtbank gestelde vragen te beoordelen.
Het deel van het rapport met betrekking tot de moeder
Ten aanzien van het rapport dat ziet op de moeder heeft de moeder de rechtbank laten weten er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank kennisneemt van dat deelrapport. De vader refereert zich ten aanzien van dit onderdeel aan het oordeel van de rechtbank. Voor zover de rechtbank het deel ten aanzien van de moeder aan het dossier zou toevoegen, wenst de vader de gelegenheid te krijgen om hierop, na hiervan zelf kennis te hebben genomen, te reageren.
Aangezien de vader gebruik heeft gemaakt van het blokkeringsrecht, is de rechtbank, overeenkomstig haar voorlopig oordeel zoals weergegeven in de beschikking van 31 oktober 2023 onder 2.9., van oordeel dat het gevolg hiervan is dat het volledige deskundigenrapport (voor wat betreft het onderzoek en de beantwoording van alle door de rechtbank gestelde vragen) wordt geblokkeerd, zodat de rechtbank ook van het deel van het rapport ten aanzien van de moeder, geen kennis zal nemen en dit deel eveneens buiten beschouwing zal laten.
Voortgang procedure
Ter beoordeling van de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de moeder waarbij zij de rechtbank verzoekt een begeleide omgang op te leggen tussen haar en de kinderen (BOR 3 regeling) dan wel een dusdanige zorgregeling tussen de moeder en de kinderen op te leggen, door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
De moeder heeft primair verzocht dit verzoek toe te wijzen en subsidiair is zij van mening dat een nader onderzoek dient te worden gedaan door de raad. De moeder verzoekt vervolgens een mondelinge behandeling te bepalen, zodat de raad kan worden gehoord.
De vader is van mening dat het verzoek van de moeder (tot een (begeleide) zorgregeling) dient te worden afgewezen, omdat het voor de kinderen belangrijk is dat zij rust krijgen. Ingeval van een nadere mondelinge behandeling acht de vader het van belang dat de kinderen door de rechtbank worden gehoord. Verder verzoekt de vader, zoals hierboven reeds weergegeven, het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat aan hem voortaan het gezag over de kinderen toekomt.
De rechtbank heeft in de beschikking van 21 februari 2022 onder 5.2.13. en verder overwogen:
“5.2.13. De rechtbank acht het, om de vraag te beantwoorden welke contactregeling voor de kinderen de meest wenselijke is, nodig om via het hierna te noemen onderzoek meer inzicht te krijgen in het functioneren van de ouders. De rechtbank beoogt daarmee antwoord te krijgen op de vraag in hoeverre beide ouders in staat zijn de andere ouder een rol in het leven van de kinderen te geven en in hoeverre de ouders betreffende de zorgregeling de kinderen kunnen stimuleren en in staat stellen om onbelast contact met de andere ouder te hebben, welke belemmeringen mogelijk een rol kunnen spelen en of, en zo ja welke, hulpverlening eventueel nodig is.
Tijdens dit onderzoek kan ook onderzocht worden in hoeverre in dit systeem parallel ouderschap tot de mogelijkheden hoort en hoe ook de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen kan worden opgeheven. De rechtbank heeft deze mogelijkheid niet ter zitting met de ouders en overige betrokkenen besproken, maar de rechtbank acht het aangewezen dat ook deze mogelijkheid bij het onderzoek meegenomen wordt.
De rechtbank acht het dan ook in het belang van de kinderen en, gelet op de overige betrokken belangen, aangewezen dat onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar voornoemde kwesties alvorens verder te beslissen over de verzochte contactregeling.”
Doordat de vader (mede namens de kinderen) een beroep heeft gedaan op het blokkeringsrecht, heeft de rechtbank geen kennis kunnen nemen van het deskundigenrapport. Het gevolg hiervan is dat de rechtbank hierdoor nog altijd, net als ten tijde van de beschikking van 21 februari 2022, onvoldoende is geïnformeerd. Zoals hierboven overwogen is de rechtbank van oordeel dat de vader niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 198 lid 3 Rv. De rechtbank zal nu nog niet beoordelen of, en zo ja welke gevolgtrekking de rechtbank hieruit zal maken, maar zal eerst, omdat het raadsrapport dateert van 27 november 2020, de raad verzoeken nader onderzoek te doen en een aanvullend rapport met advies uit te brengen over het verzoek van de moeder om een contactregeling vast te stellen. De rechtbank zal de raad eveneens verzoeken onderzoek te doen en advies uit te brengen naar aanleiding van het aanvullende verzoek van de vader ten aanzien van het gezag. De rechtbank verzoekt de raad te starten met het onderzoek nadat de moeder zich heeft uitgelaten over het aanvullende verzoek van de vader.
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van het gezag en de contactregeling aanhouden, in afwachting van een definitief raadsrapport.
3Beslissing
De rechtbank:
de moeder wordt in de gelegenheid gesteld zich binnen vier weken na de dagtekening van deze beschikking uit te laten over het aanvullende verzoek van de vader met betrekking tot het gezag;
stelt de kosten van het deskundigenonderzoek vast op € 14.470,72 inclusief BTW voor drs. S. Labrijn en op € 15.635,62 inclusief BTW voor drs. R.E. Arends;
bepaalt dat de griffier de bedragen waarop de deskundigen aanspraak hebben betaalt ten laste van 's Rijks kas en dat tot aan de eindbeschikking de ten laste van 's Rijks kas betaalde bedragen in debet worden gesteld, waarbij bij de door de rechtbank te geven eindbeschikking een definitieve beslissing met betrekking tot de kosten van het deskundigenonderzoek zal worden gegeven;
verzoekt de raad, nadat de reactie/verweerschrift van de moeder op het aanvullende verzoek van de vader is ontvangen, dan wel de verweertermijn is verstreken, onderzoek te verrichten naar en de rechtbank te informeren en te adviseren over de navolgende vragen:
- bestaat er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij (voortduring van het) gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders of is wijziging inhoudende beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk?;
- is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (bij gezamenlijk gezag) c.q. een omgangsregeling (bij beëindiging van het gezamenlijk gezag) tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun belang en zo ja: hoe dient de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling qua vorm en frequentie in het belang van de kinderen te worden vormgegeven?;
verzoekt de raad aan de rechtbank te berichten wanneer wordt gestart met het onderzoek en verzoekt dit te berichten aan het regiebureau, waarna de rechtbank partijen via het familiejournaal zal informeren over de verdere voortgang van de procedure;
houdt in afwachting van het raadsrapport iedere verdere beslissing aan, pro forma, tot 22 juli 2024, waarna de rechtbank zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. van Uum, voorzitter, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, allen kinderrechters, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 23 februari 2024. MG |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
