Rechtbank Den Haag 17-03-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7307

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding; zoon vordert inzage in medisch huisartsdossier van overleden erflaatster ter beoordeling van wils(on)bekwaamheid rond wijziging testament (onterving in 2021) en latere onttrekkingen. Voorzieningenrechter oordeelt dat sprake is van een zwaarwegend belang ex art. 7:458a lid 1 sub c BW en dat inzage noodzakelijk is; spoedeisend belang aanwezig. Beroepsgeheim wordt doorbroken: subsidiair verzoek van eiser wordt toegewezen, inzage uitsluitend aan door eiser aan te wijzen geriater, periode dec. 2021–dec. 2024. Geen dwangsom.

Datum publicatie13-04-2026
Zaaknummer697715
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Inzage medische gegevens ivm nalatenschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kort geding; inzage in medisch huisartsdossier van overleden moeder i.v.m. beoordeling wils(on)bekwaamheid bij o.a. wijziging testament

Volledige uitspraak


Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/697715 / KG ZA 26/37

Vonnis in kort geding van 17 maart 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. D.W.L. Cloots te Bergen op Zoom,

tegen:

1. Maatschap [gedaagden sub 1] , handelend onder de naam [handelsnaam]te [vestigingsplaats] ,

2. Dr. [gedaagden sub 2]te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. E.A. Kadijk te Utrecht.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’, en (gedaagden gezamenlijk) ‘ de huisarts ’.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4;

- de door de huisarts overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;

- de op 2 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Na afloop van de zitting is de zaak aangehouden voor minnelijk overleg tussen partijen. Na het bericht van partijen dat dit overleg niet tot resultaat had geleid, is vonnis bepaald op vandaag.

2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op [datum] 2024 is [erflaatster] overleden. [eiser] is de zoon van [erflaatster] .

2.2.

[gedaagden sub 2] is als maat verbonden aan [handelsnaam] en was sinds eind november 2024 de huisarts van erflaatster.

2.3.

Erflaatster heeft tijdens haar leven meerdere testamenten opgesteld. In de testamenten van 31 mei 2016 en 7 juli 2020 waren zowel [eiser] als zijn broer als erfgenaam benoemd. In het testament van 7 juli 2020 waren beide kinderen ook als executeur benoemd. Het laatste door erflaatster opgestelde testament dateert van 20 december 2021. In dat testament is [eiser] onterfd en is zijn broer tot enig executeur benoemd.

2.4.

In augustus 2024 is bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een zorgaanvraag ingediend voor erflaatster wegens dementie.

2.5.

Op 18 november 2024 is erflaatster opgenomen in een verpleeghuis met een VV5-indicatie (Verpleging en Verzorging Beschermd wonen met intensieve dementiezorg). Daar is zij ongeveer twee weken later overleden.

2.6.

Bij brief van 27 november 2025 heeft de advocaat van [eiser] de huisartsenpraktijk en de huisarts verzocht om inzage te verkrijgen in het medisch dossier van erflaatster om te bezien of er sprake is van mogelijke wilsonbekwaamheid bij het opstellen van het laatste testament. Nog diezelfde dag heeft de huisarts laten weten dat hij niet zal overgaan tot heropening van het dossier van erflaatster. Volgens hem bestaat er geen zwaarwegend belang voor inzage. Ook maakt hij in een latere reactie duidelijk dat het in zijn ogen aan de notaris is om bij het opstellen van een testament de wilsbekwaamheid te toetsten.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – primair dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot het verstrekken van inzage in het medisch dossier van erflaatster over de periode december 2021 tot aan haar overlijden door aan zijn advocaat een ongeschoond afschrift van dat dossier te verstrekken, op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert [eiser] hoofdelijk veroordeling van gedaagden tot het verstrekken van inzage in het medisch dossier aan een door hem aan te wijzen onafhankelijk arts ter beoordeling van de wilsonbekwaamheid van erflaatster in de genoemde periode, op straffe van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van erflaatster in verband met een door hem te voeren erfrechtelijke procedure waarin hij zijn legitieme portie opeist, de onrechtmatige onttrekkingen wil ‘corrigeren’ en mogelijk het laatste testament van erflaatster wil laten vernietigen wegens wilsonbekwaamheid. [eiser] wil met de inzage bewijs verzamelen ter onderbouwing van zijn in die procedure in te nemen stellingen. Zonder de informatie uit het dossier wordt hij ernstig belemmerd in zijn bewijsvoering.

Ter onderbouwing van zijn zwaarwegend belang wijst [eiser] op de volgende omstandigheden

    In 2021 is hij onterfd, terwijl hij in het testament van 7 juli 2020 nog samen met zijn broer als executeur was benoemd. Deze wijziging heeft plaatsgevonden in een periode waarin aannemelijk is dat erflaatster reeds leed aan cognitieve achteruitgang.

    De CIZ-aanvraag wegens dementie in augustus 2024 en de opname in het verpleeghuis met een VV5-indicatie in november 2024 bevestigen dat erflaatster leed aan ernstige dementie. Gezien het progressieve karakter van deze aandoening is aannemelijk dat erflaatster reeds in 2021 cognitief beperkt was.

    Zijn broer [naam] heeft, zonder gebleken toestemming, kort voor en op de dag van het overlijden van erflaatster omvangrijke geldopnames gedaan en ook daarvoor zijn substantiële bedragen aan de bankrekening van erflaatster onttrokken. Dit wijst op financieel misbruik van een kwetsbare oudere.

    Hij is pas op 23 december 2024 op de hoogte gesteld van het overlijden van erflaatster, waardoor hij niet kon deelnemen aan de rouwplechtigheid op 12 december 2024. Dit wijst op een patroon van uitsluiting.

3.3.

Gedaagden voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4De beoordeling van het geschil

4.1.

Het geschil draait om de vraag of de huisarts inzage moeten geven in het medisch huisartsdossier van erflaatster, dat wil zeggen of [eiser] voldoende heeft aangedragen om doorbreking van het medisch beroepsgeheim te rechtvaardigen.

spoedeisend belang

4.2.

De huisarts stelt zich allereerst op het standpunt dat de vorderingen moeten worden afgewezen om dat daarbij een spoedeisend belang ontbreekt. Hij wijst er daarbij op dat [eiser] pas op 27 november 2025 een verzoek tot inzage heeft gedaan, terwijl erflaatster al op [datum] 2024 is overleden. Door [eiser] is weerlegd dat hij in deze periode (volledig) heeft stilgezeten. Uit zijn eigen schriftelijke verklaring en ook uit de tijdens de zitting gegeven toelichting blijkt dat hij getracht heeft om informatie te verzamelen over de gang van zaken vanaf eind 2020 tot aan het overlijden van erflaatster, onder meer door navraag te doen bij de notaris die het laatste testament heeft verleden. Volgens hem is het medisch dossier nog de enige objectieve bron van informatie over de geestestoestand van erflaatster ter inschatting van zijn kansen in een bodemprocedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft hij een spoedeisend belang om die inschatting zo snel mogelijk te kunnen maken. Van hem kan niet worden gevergd dat hij eerst de uitkomst van een bodemprocedure afwacht om uitsluitsel te krijgen over de vraag of het zinvol is om de geldigheid van het testament en de onttrekkingen/schenkingen die van de bankrekening van erflaatster zijn gedaan in rechte aan te vechten.

inhoudelijke beoordeling

4.3.

Op grond van artikel 7:457 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) mag een medisch hulpverlener geen inzage in of afschrift van het medisch dossier aan anderen dan de patiënt verstrekken dan met toestemming van de patiënt. Dit beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt.

4.4.

Op de plicht tot geheimhouding zijn echter uitzonderingen mogelijk. [eiser] beroept zich op de uitzondering in artikel 7:458a lid 1 sub c BW. Daarin staat dat – in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan eenieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad, en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.

4.5.

Omdat de belangen van de nabestaande en de overledene tegenstrijdig kunnen zijn, worden er hoge eisen gesteld aan het verkrijgen van het recht op inzage wegens een zwaarwegend belang. Voor een geslaagd beroep op deze doorbrekingsgrond moet aan twee cumulatieve criteria worden voldaan:

1. degene die stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft, moet met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit belang mogelijk wordt geschaad;

2. diegene moet aannemelijk maken dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.

4.6.

Deze criteria zijn ook terug te vinden in de handreiking die de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) naar aanleiding van de invoering van artikel 7:458a BW op verzoek van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft opgesteld. In paragraaf 6.2.2.1. van die handleiding is daarnaast het volgende opgenomen:

“Nabestaanden kunnen een beroep doen op een zwaarwegend belang als een overledene zijn testament heeft aangepast, daarbij personen heeft onterfd en er concrete aanwijzingen zijn dat de overledene op het moment dat hij zijn testament wijzigde, wilsonbekwaam was.

De nabestaanden of erfgenamen kunnen u dan vragen of ze het medisch dossier van de overledene mogen inzien om daarmee te kunnen aantonen dat deze inderdaad wilsonbekwaam was op het moment van de wijziging van het testament.

Volgens vaste rechtspraak kan er in dergelijke gevallen worden aangenomen dat er sprake is van een zwaarwegend belang. U zou daarom inzage kunnen geven in de betreffende delen van het medisch dossier. Daarbij moet u wel meewegen of de nabestaanden niet ook op een andere manier dan door inzage in het dossier duidelijkheid kunnen krijgen over de eventuele wilsonbekwaamheid. Als dat zo is, dan mag u geen inzage geven. (…)”

4.7.

Het belang van [eiser] om aan de hand van het medisch dossier te kunnen bewijzen dat erflaatster niet wilsbekwaam was ten tijde van het wijzigen van haar testament in 2021 en de nadien gedane onttrekkingen/schenkingen vanaf haar bankrekening het gevolg zijn van misbruik van de geestestoestand van erflaatster door zijn broer, levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zwaarwegend belang op. Vaststaat dat [eiser] door de testamentwijziging financieel is benadeeld, terwijl ook de onttrekkingen/schenking er mogelijk toe hebben geleid dat [eiser] , anders dan verwacht, minder of niets uit de nalatenschap van erflaatster verkrijgt.

4.8.

[eiser] heeft voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk gemaakt voor het vermoeden dat erflaatster wilsonbekwaam was ten tijde van het verlijden van het testament en de periode daarna. Niet in geschil is dat erflaatster in haar testament van 2021 [eiser] heeft onterfd, terwijl hij in het in 2020 opgestelde testament nog als erfgenaam en executeur was benoemd. Op zichzelf kan dit (evenals de onttrekkingen/schenkingen), zoals de huisarts aanvoert, verklaard worden door het feit dat het contact tussen [eiser] en erflaatster sinds eind 2020 is verslechterd. Uit de verklaring van [eiser] kan echter worden afgeleid dat de reden voor de verslechtering van het contact zich (vooralsnog) niet logisch laat verklaren. [eiser] heeft er daarbij – samengevat – op gewezen dat zijn band met erflaatster in 2020 goed was en dat hij erflaatster in datzelfde jaar heeft geholpen met de verwezenlijking van haar wens om terug te keren naar het westen van het land. Samen met zijn vrouw heeft hij zich ingezet om een nieuwe woning te vinden en om de oude woning in [plaats] verkoopklaar te maken en te verkopen. Na de verhuizing is erflaatster hem vervolgens uit het niets en onterecht gaan beschuldigden van diefstal van spullen en geld dat bedoeld was voor de verhuizing. Ook deed zij het ineens voorkomen alsof de vrouw van [eiser] haar had aangezet tot de verhuizing. Tijdens de zitting heeft [eiser] verder nog benoemd dat erflaatster rondom de verhuizing ook al voor haar doen vreemde (kinderachtige en achterdochtige) uitlatingen deed, die er – achteraf gezien – mogelijk op duiden dat er ook toen al een stoornis in de geestesvermogens van erflaatster was. Hoewel dit – enkel op basis van de verklaringen van [eiser] en zijn vrouw – als merkwaardig te kwalificeren gedrag alleen niet voldoende is om aan te nemen dat erflaatster op het moment van het verlijden van het testament in 2021 en daarna wilsonbekwaam was, vormt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter in combinatie met de CIZ-aanvraag vanwege dementie in augustus 2024 en de kort daarop gevolgde opname van erflaatster in het verpleeghuis en haar overlijden wel een voldoende concrete aanwijzing. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de huisarts ook heeft benadrukt, het verloop van dementie zich moeilijk laat voorspellen en per persoon verschilt. Uit het tijdsverloop sinds de wijziging van het testament en de CIZ-aanvraag kan daarom niet zonder meer geconcludeerd worden dat in 2021 van wilsonbekwaamheid als gevolg van dementie (nog) geen sprake kon zijn.

4.9.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verder van belang dat sinds eind 2020 aan [eiser] geen informatie over het welzijn van erflaatster is verstrekt. Ook van haar overlijden is hij pas drie weken later op de hoogte geraakt. [eiser] kan dus voor het aannemelijk maken van de wilsonbekwaamheid van erflaatster op dit moment alleen terugvallen op zijn eigen waarnemingen van voor eind 2020 en op de summiere informatie die hij na het overlijden van erflaatster heeft gekregen. Zijn broer is, zo heeft [eiser] verklaard, ook nu nog weigerachtig met het verstrekken van informatie. De enige gebleken objectieve bronnen die over de wilsbekwaamheid van erflaatster duidelijkheid kunnen geven zijn de waarnemingen van de notaris en het huisartsendossier. De notaris heeft desgevraagd verklaard geen reden te hebben gehad om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster – destijds 85 jaar – bij de wijziging van haar testament, maar hij heeft geen inzicht (willen) (ge)geven in de wijze waarop hij tot die conclusie is gekomen. Ook als ervan wordt gegaan dat hij zorgvuldig heeft gehandeld, weegt dit onvoldoende op tegen de hiervoor genoemde concrete aanwijzingen. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voldoende aannemelijk dat de inzage in het medisch dossier van erflaatster noodzakelijk is ter behartiging van het zwaarwegende belang van [eiser] .

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat voldoende gronden bestaan om in kort geding het beroepsgeheim van de huisarts te doorbreken en inzage in het medisch dossier toe te staan. Tijdens de zitting en ook met zijn subsidiaire vordering heeft [eiser] er blijk van gegeven dat het niet noodzakelijk is dat hij zelf inzage in het dossier heeft, maar dat voldoende is dat een arts op basis van het dossier van erflaatster verslag uitbrengt over de vraag of, en zo ja, vanaf welk moment erflaatster wilsonbekwaam was. Partijen hebben een dergelijke oplossing ook tijdens en na afloop van de zitting verkent, waarbij voornamelijk de aan te wijzen arts onderwerp van geschil was. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering van [eiser] toewijzen, met dien verstande dat zal worden bepaald dat aan de door [eiser] aan te wijzen arts een geriatrische specialisatie dient te hebben en alleen inzage hoeft te worden gegeven in de medische gegevens die betrekking hebben op de periode december 2021 tot en met december 2024.

Nu de huisarts er tijdens de zitting blijk van heeft gegeven dat hij de veroordeling zal naleven, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de jegens hem uit te spreken veroordeling een dwangsom te verbinden.

4.11.

De voorzieningenrechter ziet in de aard van de zaak aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren, dat partijen hun eigen kosten zullen dragen.

5De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk om binnen veertien dagen na betekening

van dit vonnis het volledige medisch dossier van [erflaatster] over de periode vanaf december 2021 tot en met december 2024, te verstrekken aan een door [eiser] aan te wijzen arts met geriatrische specialisatie ter beoordeling van de wilsonbekwaamheid van erflaatster in die periode;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

EI



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733