Essentie (gemaakt door AI)
Zaak waarin zoon als vereffenaar van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van erflater terugbetaling vordert wegens onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking jegens schoonzus. Onrechtmatige daad wordt afgewezen: erflater beheert en/of‑rekeningen mede zelf, is handelingsbekwaam en op [gedaagde] rust geen bijzondere zorgplicht. Ongerechtvaardigde verrijking wordt deels toegewezen voor overboekingen naar [gedaagde] en enkele betalingen na overlijden (€ 27.185,25) met wettelijke rente; verklaring voor recht afgewezen.| Datum publicatie | 10-04-2026 |
| Zaaknummer | C/09/689166 / HA ZA 25-659 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Geldstromen van inmiddels overleden man naar vriendin leveren geen onrechtmatigde daad jegens de nalatenschap op, zij is wel door een deel van de bedragen ongerechtvaardigd verrijkt.Volledige uitspraak
Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/689166 / HA ZA 25-659
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. C.I. Zaad,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. L.E.D. Tjeertes.
1De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 22 juli 2025 met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 20;
- de akte overlegging nadere productie 21 namens [gedaagde];
- de akte overlegging nadere producties 7 tot en met 10 namens [eiser]; en
- de akte overlegging nadere producties 11 tot en met 13 namens [eiser];
De mondelinge behandeling heeft op 17 februari 2026 plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
2De feiten
Op [datum] 2024 is overleden [erflater].
[eiser] is de zoon en enig erfgenaam van erflater. Hij heeft de erfenis beneficiair aanvaard.
[gedaagde] is getrouwd met de broer van erflater.
Erflater heeft op 30 maart 2017 brand gesticht in zijn woning. Bij vonnis van 4 oktober 2017 is hij ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de brandstichting wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens niet aan hem kan worden toegerekend. Erflater is voor de duur van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Nadien is erflater gaan wonen in een huis van de [zorginstelling].
Op 5 februari 2018 is een behandelplan opgesteld voor erflater. In een aantekening van 9 oktober 2018 is opgenomen:
“Er spelen op het moment geen psychotische symptomen. Vermoeden is dat patiënt met name last heeft van negatieve symptomen bij schizofrenie.”
Op 28 mei 2019 is aangetekend:
“Patiënt is psychiatrisch stabiel, patiënt heeft chronisch psychotische klachten die niet behandelbaar lijken. Bij verhogen van antipsychotica ervaart patiënt een toename aan negatieve klachten. Bij verlagen van antipsychotica wordt patiënt toenemend psychotisch, met daarbij ideeën de duivel te moeten bevechten. Hiermee bestaat een kans dat er opnieuw een delict gepleegd kan worden. Het evenwicht wat nu bestaat lijkt de meest optimale situatie (zo min mogelijk negatieve klachten, zo min mogelijk psychotische symptomen).”
Op 24 mei 2020 hebben erflater en [gedaagde] een en/of-bankrekening geopend met [rekeningnummer 1]. Erflater had daarnaast een bankrekening met [rekeningnummer 2], deze rekening is per 31 december 2022 omgezet naar een en/of rekening samen met [gedaagde]. Ten slotte had erflater een spaarrekening met [rekeningnummer 3].
Erflater heeft zijn woning op 12 april 2021 verkocht aan de dochter van [gedaagde]. De opbrengst hiervan is gestort op [rekeningnummer 2].
3Het geschil
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en subsidiair dat [gedaagde] zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt, met in beide gevallen veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 110.000 aan hem. Dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] geld heeft onttrokken aan erflater en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), dan wel dat zij ongerechtvaardigd is verrijkt (artikel 6:212 BW) .
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
[eiser] heeft vorderingen als vereffenaar ingesteld
[eiser] heeft zijn vorderingen in persoon ingesteld. De gestelde onrechtmatige handelingen van [gedaagde] zijn echter gericht tegen de nalatenschap van erflater en niet tegen [eiser] als persoon. Bij een vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap zijn alle erfgenamen vereffenaar (artikel 4:195 lid 1 BW) . In dit geval heeft [eiser] als enig erfgenaam in de nalatenschap van erflater de erfenis beneficiair aanvaard en treedt hij op als (enig) vereffenaar. De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW) . De rechtbank begrijpt de vorderingen zo dat [eiser] de vorderingen in die hoedanigheid heeft ingesteld.
[gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld
De primaire vordering van [eiser] ziet op een onrechtmatige daad van [gedaagde] als bedoeld in artikel 6:162 BW. [eiser] stelt dat [gedaagde] toezicht hield op de financiën van erflater in de jaren voor zijn overlijden en misbruik heeft gemaakt van zijn kwetsbare positie. Vanaf 2020 zijn geldbedragen – onder meer afkomstig van de verkoop van de woning van erflater – op de en/of-rekeningen gestort en vervolgens contant opgenomen. Ook zijn er bedragen overgeboekt naar de eigen rekening van [gedaagde] (en haar echtgenoot). [gedaagde] heeft daarmee gehandeld in strijd met het ongeschreven recht omdat het in het maatschappelijk verkeer onbetamelijk is zonder toestemming gelden van een ander op te nemen, zeker niet indien die persoon psychiatrische problematiek ervaart, aldus [eiser]. [gedaagde] voert aan dat zij erflater slechts ondersteunde bij zijn administratie en er geen transacties of opnames hebben plaatsgevonden zonder zijn toestemming. Erflater gaf er de voorkeur aan zijn geld contant op te nemen in plaats van op een bankrekening te hebben staan en gebruikte dit geld om schulden af te lossen en voor zijn dagelijkse uitgaven.
Voor een geslaagd beroep op artikel 6:162 BW is vereist dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], althans de nalatenschap, en dat dit handelen aan [gedaagde] kan worden toegerekend, dat [eiser], althans de nalatenschap, schade heeft geleden en dat deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Het ligt op de weg van [eiser] om voldoende aan te voeren ter onderbouwing van de onrechtmatige daad. De vordering heeft betrekking op transacties en opnames vanaf de en/of-rekeningen die mede op naam van erflater en [gedaagde] stonden. [gedaagde] was als mederekeninghouder bevoegd om deze transacties en opnames te doen. De enkele omstandigheid dat de opnames en overboekingen gedaan zijn, is dus een onvoldoende onderbouwing van de stelling dat [gedaagde] onrechtmatig gehandeld heeft.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of erflater zelf beheer over en inzicht in de en/of-rekeningen had. Deze vraag wordt positief beantwoord. Niet in geschil is dat er per bankrekening één pinpas beschikbaar was. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze door erflater werd beheerd. In de omstandigheid dat met deze pinpas ook betalingen gedaan zijn voor dagelijkse uitgaven, die, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd door erflater zijn gedaan, hetgeen door [eiser] verder onweersproken is, is hiervoor een ondersteuning. Verder geldt dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat erflater en [gedaagde] periodiek de financiële situatie van erflater met zijn begeleider(s) bij de [zorginstelling] bespraken. In deze gesprekken zouden ook het verloop van banksaldi aan de orde geweest moeten zijn. Dit is niet gemotiveerd weersproken door [eiser], bijvoorbeeld met een (schriftelijke) verklaring van een van de begeleiders van erflater waaruit het tegendeel blijkt. Nu [eiser] onvoldoende heeft gesteld kan hij niet worden toegelaten tot bewijslevering. Dit maakt dus dat erflater naast [gedaagde] beheer over en inzicht had in de en/of-bankrekeningen.
De volgende vraag is of erflater vanwege zijn kwetsbaarheid en afhankelijkheid misbruikt is door [gedaagde] die door hem in de gelegenheid zou zijn gesteld om grote bedragen van de en/of-rekeningen op te nemen of over te maken. Voor zover [eiser] bedoeld heeft dat erflater onder invloed van zijn psychiatrische stoornis in een kwetsbare positie verkeerde ten opzichte van [gedaagde] en dat [gedaagde] vervolgens misbruik heeft gemaakt van deze kwetsbaarheid, dan geldt dat die kwetsbaarheid zich op tweeërlei wijze kan manifesteren, namelijk dat erflater handelingsonbekwaam was in de periode vanaf 2020 tot aan zijn overlijden dan wel dat [gedaagde] een bijzondere zorgplicht had jegens erflater. Beide worden hierna beoordeeld, waarbij wordt overwogen dat [eiser] in dezen voldoende feiten moet stellen waaruit handelingsonbekwaamheid dan wel afhankelijkheid volgt.
Bij die beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het eenieder, dus ook erflater, vrijstaat om over zijn of haar eigen geld te beschikken en dat op te nemen en te gebruiken op de door hem of haar gewenste wijze. Dit is anders indien degene ten tijde van de overboekingen of opnames handelingsonbekwaam was. Meerderjarigen zijn handelingsbekwaam tenzij het tegendeel gebleken is. Het ligt op de weg van [eiser] om voldoende aan te voeren waaruit de handelingsonbekwaamheid blijkt. Daarin is hij niet geslaagd. Rond de brandstichting in 2017 had erflater weliswaar een ziekelijke stoornis, maar in 2019 was hij, zo blijkt uit het behandelplan dat [gedaagde] in het geding gebracht heeft, psychisch stabiel. [eiser] heeft verder onvoldoende onderbouwd dat de situatie van erflater nadien dusdanig gewijzigd is dat de conclusie moet worden getrokken dat erflater in de periode vanaf 2020 tot aan zijn overlijden handelingsonbekwaam was.
Evenmin kan vastgesteld worden dat op [gedaagde] in de genoemde periode een bijzondere zorgplicht rustte, in die zin dat zij – bijvoorbeeld – als mantelzorger voor erflater optrad. [gedaagde] hielp erflater weliswaar met zijn financiën, maar voor het overige woonde hij bij de [zorginstelling] en werd hij door medewerkers van de [zorginstelling] begeleid. Dat is onvoldoende om [gedaagde] als mantelzorger te kunnen aanmerken.
Daarmee staat in rechte vast dat erflater voldoende in staat was zijn wil te bepalen en dus ook om over zijn vermogen te kunnen beschikken. Daartoe moet ook worden gerekend de beslissing om de en/of-rekeningen te openen en geld van die rekeningen in contanten op te (laten) nemen. Het grote aantal pintransacties en de omstandigheid dat veel grote geldbedragen per transactie zijn opgenomen, roepen vragen op over de aard en bestemming van deze opnames, ook bij de rechtbank. Maar nu in rechte is komen vast te staan dat erflater de beschikking over en inzicht had in de en/of-rekeningen en de stelling dat hij in een kwetsbare positie ten opzichte van [gedaagde] verkeerde, onvoldoende onderbouwd is, moet worden aangenomen dat erflater welbewust en met een vrije wil deze opnames heeft gedaan of laten doen. Dit staat aan het onrechtmatige karakter van deze opnames in de weg. [eiser] heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. De primaire vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
[gedaagde] is wel ongerechtvaardigd verrijkt
Subsidiair beroept [eiser] zich op ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde]. Ingevolge artikel 6:212 BW moet sprake zijn van een verrijking, ten koste van een verarming van een ander en die verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.
Bij de beoordeling van deze vordering maakt de rechtbank onderscheid in de geldbedragen die zijn overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde] en de overige geldstromen. Voor wat betreft die laatste categorie kan niet vastgesteld worden dat [gedaagde] daardoor is verrijkt. Weliswaar staat vast dat er bedragen contant zijn opgenomen van de bankrekeningen van erflater, maar naar verklaring van [gedaagde] zijn die opnames door of met instemming van erflater gedaan en werden die met name besteed aan het aflossen van schulden van erflater. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd waaruit een andere conclusie moet volgen.
Anders ligt het voor de bedragen die zijn overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde]. Zij erkent de ontvangst van die bedragen. Door deze overboekingen is (de nalatenschap van) erflater verarmd en is [gedaagde] verrijkt, terwijl uit de omschrijving van de overboekingen niet blijkt welke rechtsgrond aan de transacties ten grondslag ligt. Ook heeft [gedaagde] niet op een andere manier inzichtelijk gemaakt wat de rechtsgrond van deze overboekingen is geweest. De enkele stelling van [gedaagde] dat deze bedragen waren bedoeld om eerdere schulden van erflater bij haar af te lossen of dat zij dit gedaan heeft om op verzoek van erflater contante opnames te doen, is daarvoor een onvoldoende onderbouwde weerlegging. Voor een geslaagd beroep had [gedaagde] de oorsprong en omvang van deze schulden, opnames en overboekingen beter kunnen en moeten onderbouwen, zoals hierna nader zal worden gemotiveerd.
De eerste transactie waarvoor [gedaagde] geen verklaring heeft kunnen geven vond plaats op 15 juli 2020. Op die dag is om 11:14 uur een bedrag van € 3.000 overgemaakt van [rekeningnummer 2] naar de rekening van [gedaagde]. Om 11:16 uur is dit bedrag contant opgenomen. Voor deze opname heeft [gedaagde] geen verklaring gegeven, zoals nader overwogen in 4.12.
Op 14 april 2021 heeft de notaris na de verkoop van de woning van erflater een bedrag van € 89.048,92 op [rekeningnummer 2] gestort. Een dag later is hiervandaan een bedrag van € 88.048 overgeboekt op [rekeningnummer 1]. Op 16 april 2021 (om 10:27 uur) is van deze rekening een bedrag van € 5.000 overgeboekt naar de bankrekening van [gedaagde]. Diezelfde dag (om 10:30 uur) is er een pinopname ter grootte van dit bedrag gedaan. Ditzelfde is gebeurd op 29 april 2021. Om 14:39 uur wordt een bedrag van € 5.000 overgemaakt van [rekeningnummer 1] naar de rekening van [gedaagde], waarvandaan om 14:44 uur dit bedrag wordt gepind. Voor deze twee opnames van in totaal € 10.000 heeft [gedaagde] geen verklaring kunnen geven, zoals nader overwogen in 4.12.
Daarnaast is op 2 mei 2022 door de Sociale Verzekeringsbank een bedrag van € 12.265,44 gestort op [rekeningnummer 2]. Een dag later is € 12.000 overgemaakt naar [rekeningnummer 1]. Vanaf die rekening is op zowel 15 als 17 mei 2022 een bedrag van € 5.000 overgeboekt naar de rekening van [gedaagde]. Op 18 mei 2022 is vanaf de rekening van [gedaagde] een bedrag van € 5.000 contant opgenomen en op 19 mei 2022 via vier opnames in totaal € 3.850. Ook voor deze geldopnames (alsmede het niet-gepinde bedrag van € 1.150) heeft [gedaagde] eveneens geen verklaring kunnen geven.
Uit de in randnummer 4.11.1 tot en met 4.11.3 beschreven gang van zaken blijkt dat steeds eerst een bedrag van een rekening van erflater naar de rekening van [gedaagde] werd overgemaakt en vervolgens een vergelijkbaar bedrag direct contant werd opgenomen. Deze feitelijke gang van zaken strookt niet met de verklaring van [gedaagde] dat erflater soms contant geld nodig had en zelf niet in de gelegenheid was om te pinnen. [gedaagde] zou dan contant geld van haar eigen rekening opnemen en dat overhandigen aan erflater, waarna hij het bedrag aan haar zou overmaken. Verder strookt de verklaring ook niet met de stelling van [gedaagde] dat er slechts een pas per rekening was en dat erflater die pas in beheer had. In het licht van deze eigen stelling heeft [gedaagde] onvoldoende toegelicht waarom voor deze omslachtige route gekozen is en waarom erflater niet gewoon zijn eigen pinpas heeft gebruikt. [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende aangevoerd waaruit blijkt dat er wel rechtsgrond voor de genoemde bedragen (van in totaal € 23.000) is gegeven.
Verder is op 27 december 2022 een bedrag van € 3.000 van [rekeningnummer 2] gestort op de rekening van [gedaagde]. Van haar rekening is een dag later eenzelfde bedrag overgeboekt naar [rekeningnummer 4]. Dit is niet de spaarrekening van erflater. Van een andere spaarrekening van erflater dan [rekeningnummer 3] is niet gebleken. [gedaagde] heeft ook deze geldstroom niet kunnen verklaren.
Ten slotte zijn er vanaf [rekeningnummer 2] na overlijden van erflater de volgende opnames en transacties gedaan:
Supermarkt € 5,31 8 juli 2024
Primark € 8,00 9 juli 2024
Zeeman € 8,48 10 juli 2024
C&A € 98,98 11 juli 2024
Service Apotheek € 9,25 12 juli 2024
Opladen OV Chipkaart € 10,00 13 juli 2024
Albert Heijn € 14,02 30 juli 2024
Albert Heijn € 36,42 2 augustus 2024
Parkeren € 2,10 6 augustus 2024
Overboeking rekening [gedaagde] € 100,00 29 augustus 2024
Overboeking rekening [gedaagde] € 250,00 18 oktober 2024
Overboeking rekening [gedaagde] € 150,00 19 oktober 2024
Boohoo.com € 176,99 11 april 2025
Albert Heijn € 265,70 9 april 2025
Overboeking rekening [gedaagde] € 25,00 10 juni 2025
Overboeking rekening [gedaagde] € 25,00 9 mei 2025
------------- +
€ 1.185,25
Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat de betalingen voor boodschappen per ongeluk vanaf [rekeningnummer 2] gedaan zijn. Deze opnames hebben tot een ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde] geleid. Dat geldt evengoed voor de overboekingen na overlijden. Ten aanzien van de overboekingen naar Dunea heeft [gedaagde] ter zitting een voldoende verklaring gegeven, zodat hiervoor een rechtvaardiging bestaat.
De rechtbank concludeert daarom dat [gedaagde] voor een bedrag van (€ 23.000 +
€ 3.000 + € 1.185,25 =) € 27.185,25 ongerechtvaardigd is verrijkt. De subsidiaire vordering tot betaling van dit bedrag zal worden toegewezen. De terugbetalingsverplichting ontstaat op het moment van ongerechtvaardigde verrijking. Dat betekent dat wettelijke rente over het bedrag van (€ 23.000 + € 3.000 =) € 26.000 verschuldigd is, zoals gevorderd, vanaf overlijdensdatum van erflater en de overige bedragen vanaf de datum transactie zoals vermeld in randnummer 4.14.
Nu op grond van ongerechtvaardigde verrijking een concreet bedrag is toegewezen heeft [eiser] bij toewijzing van de gevraagde verklaring voor recht onvoldoende belang (artikel 3:303 BW) , zodat die vordering zal worden afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de erflater een bedrag te voldoen van € 27.185,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf [datum] 2024 over het bedrag van
€ 26.000 en over de bedragen genoemd in randnummer 4.14 vanaf de respectieve data genoemd in randnummer 4.14 tot aan de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; en
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
3425
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
