Essentie (gemaakt door AI)
Verzoeken waarin nietigverklaring van twee buitenlandse huwelijken is gevraagd en subsidiair echtscheiding. Eerst huwelijk (VS) wordt in Nederland erkend art. 10:31 BW; nietigheid naar recht van de huwelijksplaats wegens “force, duress or fraud” wordt niet aangenomen; dwaling/misbruik van omstandigheden speelt daar niet. Echtscheiding wordt uitgesproken. Tweede huwelijk (VK) wordt erkenning onthouden art. 10:31 onder a BW. Vader is juridisch vader art. 1:199 sub a BW en gezamenlijk gezag volgt art. 1:251 BW. Verzoeken over gezag (eenhoofdig), zorg/| Datum publicatie | 10-04-2026 |
| Zaaknummer | C/13/765628 / FA RK 25-1668 |
| Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR huwelijk; Kinderen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzoek tot nietigverklaring, dan wel echtscheiding van twee huwelijken. Beide huwelijken zijn gesloten in het buitenland en niet ingeschreven in Nederland. Beoordeling of deze huwelijken in Nederland kunnen worden erkend en vervolgens of deze, naar buitenlands recht, nietig dienen te worden verklaard wegens dwaling, bedrog, misbruik van omstandigheden of bedreiging; beoordeling van “force, duress or fraud”. Het gezamenlijk gezag van de ouders is daarnaast vastgesteld nu de kinderen tijdens het huwelijk zijn geboren. Aanhouding van de verzoeken ten aanzien van het gezag, de zorg- dan wel omgangsregeling en informatieregeling in afwachting van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.Volledige uitspraak
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/765628 / FA RK 25-1668 (bodemprocedure)
C/13/766250 FA RK 25/1991 (voorlopige voorziening)
Beschikking d.d. 24 maart 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
blijkens de huwelijksakte geheten: [de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R.A. Remport Urban, gevestigd te Linne,
tegen
[de man] ,
wonende te onbekend,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M. van der Weide, gevestigd te Heerhugowaard.
Als belanghebbende is aangemerkt:
mr. C.M.D. de Waele, advocaat te Amsterdam,
kantoorhoudende te Amsterdam,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over na te noemen minderjarigen,
hierna te noemen de bijzondere curator.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
[locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.
1De verdere procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 2 maart 2025;
- het gewijzigd verzoek van de vrouw;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man;
- een brief van de bijzondere curator van 27 januari 2026;
- een brief van de zijde van de vrouw van 29 januari 2026;
- een brief van de Raad van 30 januari 2026;
- een brief van de bijzondere curator van 30 januari 2026;
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de heer [persoon] als vertegenwoordiger van de Raad.
De bijzondere curator is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De bijzondere curator heeft dit vooraf, bij brief van 2 februari 2026, kenbaar gemaakt aan de rechtbank.
De vrouw heeft op 13 februari 2026 aanvullende producties ingediend. De man heeft op 16 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen de indiening van dit stuk. De vrouw heeft hier vervolgens op 23 februari 2026, dus na de mondelinge behandeling, op gereageerd en twee producties ingediend. De vrouw heeft de wederpartij en de rechtbank voorafgaand aan de indiening niet verzocht deze stukken alsnog in de procedure toe te laten en daarvoor is dan ook geen toestemming verleend. De rechtbank zal de aanvullende producties van de vrouw om die reden buiten beschouwing laten. Ook de na de zitting door de bijzondere curator ingediende stukken worden om die reden buiten beschouwing gelaten.
De minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben in het bijzijn van de bijzondere curator op 3 februari 2026 met de voorzitter, tevens kinderrechter gesproken.
2De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 1 september 2011 te [plaats 1] , Verenigde Staten (VS). Partijen zijn daarnaast op 19 juli 2022 in [plaats 2] , Verenigd Koninkrijk (VK) met elkaar gehuwd.
Het huwelijk van 1 september 2011 te [plaats 1] (VS) is op 6 oktober 2025 ingeschreven bij de burgerlijke stand van de [gemeente] . De man heeft de inschrijving verzocht. De inschrijving is vervolgens geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP) van de vrouw. Bij de man is geen wijziging doorgevoerd.
De vrouw heeft de Canadese en de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Britse nationaliteit.
Partijen zijn de biologische ouders van de minderjarige kinderen, waarbij de moeder ook als juridisch ouder staat geregistreerd in het BRP:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] .
Bij beschikking van 2 juni 2025 van deze rechtbank is bij voorlopige voorziening:
- bepaald dat de vrouw de goederen strekkende tot het dagelijks gebruik van de man aan de man beschikbaar dient te stellen, zijnde:
o kleding, schoenen, orthopedische steunzolen, koffers;
o motoruitrusting;
o bril, medicijnen;
- aan de Raad verzocht advies uit te brengen.
Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft de rechtbank:
-
mr. C.M.D. de Waele te Amsterdam op grond van artikel 1:250 jo. Artikel 1:212 BW benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
-
de Raad verzocht onderzoek uit te voeren en de bijzondere curator op te hoogte te houden van de voortgang van het onderzoek en de ontwikkelingen waarbij aan de Raad de volgende vragen zijn voorgelegd:
- ziet de Raad aanleiding tot een ondertoezichtstelling van de kinderen?
- welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken acht de Raad in het belang van de kinderen?
- welke advies kan de Raad geven over het gezag over de kinderen?
- zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?
3De verzoeken
3.1.1. De vrouw verzoekt primair dat de tussen partijen gesloten huwelijken nietig worden verklaard op grond van wilsgebreken, zoals bedoeld in de artikelen 1:69 tot en met 1:71 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair verzoekt de vrouw te bepalen dat het huwelijk wordt ontbonden door echtscheiding, dan wel dat beide huwelijken worden ontbonden door echtscheiding.
3.1.2. De man verzoekt de echtscheiding ten aanzien van het huwelijk, dat op 1 september 2011 te [plaats 1] (VS) is gesloten, uit te spreken.
3.1.3. De rechtbank zal hierna eerst de verzoeken ten aanzien van het eerste huwelijk van partijen, gesloten te [plaats 1] (VS) behandelen en vervolgens de verzoeken ten aanzien van het tweede huwelijk van partijen, gesloten op 19 juli 2022 te [plaats 2] (VK).
4De beoordeling
Expliciet wenst de rechtbank op te merken dat bij alle hiernavolgende overwegingen en beslissingen de uitvoerige rapportage van de bijzondere curator is betrokken en meegewogen.
Huwelijk [plaats 1] (VS)
Nietigheid
De vrouw stelt primair dat sprake is van een nietig huwelijk. De vrouw stelt dat sprake is geweest van een van de wilsgebreken, te weten dwang, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling, zodat dat op grond van artikel 1:69 jo 1:71 BW sprake is van een nietig huwelijk. De rechtbank begrijpt dat volgens de vrouw sprake is van dwang, dan wel misbruik van omstandigheden, omdat de vrouw kwetsbaar was op het moment dat de man haar ten huwelijk vroeg. Zij werd door de man geïsoleerd van een steunnetwerk en zij was naast emotioneel ook financieel afhankelijk gemaakt van de man. Ook begrijpt de rechtbank dat volgens de vrouw sprake was van bedrog en heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat sprake is geweest van dwaling, omdat de vrouw niet had begrepen dat de man geen traditioneel huwelijk wilde en het huwelijk wilde verzwijgen. Volgens de vrouw is het huwelijk tussen partijen nooit gebaseerd op juridische gelijkwaardigheid, wederzijdse verbintenis of gedeelde verantwoordelijkheid. De man heeft het huwelijk niet willen registreren, hij heeft de kinderen niet erkend en verwachtte van de vrouw alsnog zorgverlening, loyaliteit en beschikbaarheid. Volgens de vrouw zal een nietigverklaring van het huwelijk de geleefde realiteit weerspiegelen.
De man voert aan dat uit hetgeen de vrouw stelt niet is af te leiden hoe de man de vrouw zou hebben gedwongen, dan wel welk bedrog of dwaling heeft plaatsgevonden.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) heeft de vrouw de Nederlandse en de Canadese nationaliteit en heeft de man de Britse nationaliteit en is de gewone verblijfplaats van de vrouw sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek in Nederland. De Nederlandse rechter komt derhalve rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot nietig verklaren van het huwelijk.
De rechtbank zal ambtshalve moeten beoordelen of het huwelijk van partijen kan worden erkend in Nederland. Bij die beoordeling komt dan gelijk ook al de beoordeling aan de orde of en zo ja op welke gronden het huwelijk van partijen nietig dient te worden verklaard. Die beoordeling dient plaats te vinden naar het recht van [plaats 1] , omdat het huwelijk in [plaats 1] (VS) tot stand is gekomen.
Erkenning
Op grond van artikel 10:31 lid 1 jo lid 4 BW geldt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Partijen hebben de huwelijksakte overgelegd, zodat het huwelijk in beginsel rechtsgeldig is. Vervolgens is niet gebleken dat het huwelijk van erkenning dient te worden onthouden omdat erkenning op grond van artikel 10:32 BW kennelijk onverenigbaar zou zijn met de openbare orde.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het eerste huwelijk van partijen kan worden erkend tenzij (alsnog) geconcludeerd moet worden dat het een nietig huwelijk is op grond van het recht van [plaats 1] .
Nietigheid
Artikel 2 § 7 (Voidable marriages) van de Consolidated Laws of [plaats 1] , luidt:
“A marriage is void from the time its nullity is declared by a court of competent jurisdiction if either party thereto:
1. Is under the age of legal consent, which is eighteen years;
2. Is incapable of consenting to a marriage for want of understanding;
3. Is incapable of entering into the married state from physical cause;
4. Consent to such marriage by reason of force, duress or fraud;
5. Has been incurably mentally ill for a period of five years or more.”
De rechtbank stelt vast dat op grond van het recht van [plaats 1] geen nietigheid van het huwelijk kan volgen op grond van wilsgebreken die onder het Nederlandse recht als dwaling of misbruik van omstandigheden worden gekwalificeerd. Dit betekent dat de rechtbank verder voorbij zal gaan aan wat de vrouw ter onderbouwing van die wilsgebreken heeft gesteld.
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de wilsgebreken die naar Nederlands recht als dwang of bedrog worden gekwalificeerd, wel een grond kunnen zijn om het huwelijk nietig te verklaren volgens het recht van [plaats 1] (“force, duress or fraud”).
De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat van “force, duress or fraud” sprake is geweest. Hoewel het als bijzonder en ook teleurstellend voor de vrouw zal zijn geweest dat de man het huwelijk nooit heeft willen laten registreren en hij bijvoorbeeld er ook (al dan niet via erkenning) ook niet voor heeft gezorgd dat hij als juridisch vader op de geboorteakten van de kinderen leveren dit geen dusdanige argumenten op om daaruit “force of duress” naar de vrouw “or fraud” aan te nemen. Ook andere aangevoerde interpretatie van gebeurtenissen leveren die argumenten niet op. Kortom; niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van dwang of bedrog.
De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat het eerste huwelijk van partijen, gesloten op 1 september 2011 te [plaats 1] (VS) rechtsgeldig tot stand is gekomen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om het eerste huwelijk van partijen, dat op 1 september 2011 in [plaats 1] (VS) is gesloten, nietig te verklaren, afwijzen.
Echtscheiding
Nu vastgesteld is dat het huwelijk in Nederland kan worden erkend, komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verzoek van de vrouw en het verzoek van de man om de echtscheiding van het eerste huwelijk uit te spreken.
Rechtsmacht
Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) heeft de vrouw de Nederlandse en de Canadese nationaliteit en heeft de man de Britse nationaliteit en is de gewone verblijfplaats van de vrouw sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek in Nederland. De Nederlandse rechter komt derhalve rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 815, lid 1 jo lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een de namen en de woon- of verblijfplaats van ieder van de minderjarige kinderen van partijen te bevatten en dient het verzoekschrift ook een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw en haar raadsvrouw hebben nagelaten de kinderen van partijen in het verzoekschrift te vermelden en de geboorteaktes van de kinderen te overleggen. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat er tijdens het huwelijk kinderen zijn geboren die nu nog minderjarig zijn. De rechtbank acht dit verzuim bijzonder kwalijk omdat elke partij, mede gelet op de bescherming van de belangen en rechten van minderjarigen, geacht wordt de rechtbank conform de waarheid te informeren. Ook nadat de rechtbank de vrouw heeft verzocht het verzoekschrift met gebruikelijke voor kinderen geldende verzoek en geboorteakten aan te vullen, heeft de vrouw dit nagelaten. De rechtbank zou daarom op grond van artikel 815 lid 1 sub c jo lid 5 sub c van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) de vrouw niet-ontvankelijk kunnen verklaren in haar verzoek tot echtscheiding, maar de rechtbank zal dit in ieders belang, ook die van de minderjarigen, niet doen.
Daarbij komt nog dat de partijen geen ouderschapsplan hebben ingediend, terwijl uit artikel 815 lid 2 Rv volgt dat indiening van een dergelijk plan wel verplicht is. Van indiening van een dergelijk plan mag alleen worden afgezien als, zo volgt uit het zesde lid van voornoemd artikel, er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd. Uit de toelichtingen van partijen volgt dat zij niet in staat zijn om in onderling overleg tot afspraken te komen; de meningsverschillen tussen partijen zijn dermate groot dat duidelijk is dat zij daar niet in onderling overleg uit zullen komen. In het licht van het zesde lid van voornoemd artikel hebben partijen voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Dus zal de rechtbank de partijen, mede in het belang van de minderjarigen, ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
Toepasselijk recht
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, BW Nederlands recht toepassen op het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
Het verzoek tot echtscheiding ten aanzien van het eerste huwelijk van partijen zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Huwelijk [plaats 2] (VK)
Nu duidelijk is dat het eerste huwelijk rechtsgeldig is, dient daaraan de erkenning op grond van artikel 10:31 onder a BW te worden onthouden. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van het verzoek van de vrouw tot nietigverklaring, zodat haar verzoeken worden afgewezen.
Gezag
De vrouw heeft verzocht voor recht te verklaren dat enkel zij belast is met het ouderlijk gezag, dan wel te bepalen dat het gezag over de minderjarigen na echtscheiding alleen aan haar toekomt. De man verzoekt voor recht te verklaren dat sprake is van gezamenlijk gezag en hiervan een aantekening in het gezagsregister te gelasten.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarigen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt dat het huwelijk van partijen niet eerder is geregistreerd in Nederland en de man de kinderen ook niet heeft erkend. Daarom is de man niet als juridisch vader geregistreerd. De rechtbank zal eerst moeten beoordelen of de man juridisch vader is van de kinderen en vervolgens of sprake is van gezamenlijk gezag.
De vrouw stelt dat de man geen juridisch vader is, omdat het huwelijk van partijen niet is geregistreerd en de man de kinderen ook niet heeft erkend. De man stelt dat hij wel juridisch vader is en verwijst naar hetgeen in artikel 1:199 BW is bepaald.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de vader de biologische vader van de kinderen is. Nu hiervoor vastgesteld is dat er sprake is van een op 1 september 2011 aangegaan rechtsgeldig huwelijk dat dient te worden erkend in Nederland volgt uit artikel 1:199 sub a BW dat de man ook juridisch vader van de minderjarige kinderen is. Immers, daarin wordt bepaald dat de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd, vader van een kind is.
Vervolgens bepaalt artikel 1:251 BW dat de ouders gedurende het huwelijk het gezamenlijk het gezag uitoefenen (lid 1) en dat de ouders na ontbinding van het huwelijk het gezamenlijk gezag samen blijven uitoefenen (lid 2).
De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat de man en de vrouw gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen.
De rechtbank gaat daarmee voorbij aan hetgeen de bijzondere curator naar voren heeft gebracht. De bijzondere curator stelt dat het niet in het belang van de kinderen is gebleken dat de man als juridisch vader moet worden aangemerkt en dat ouders gezamenlijk gezag uitoefenen, gelet op de door de bijzondere curator aangevoerde feiten en omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat het juridisch vaderschap en het ouderlijk gezag uit de wet voortvloeien, zodat de rechtbank hier niet van kan afwijken. Voor zover de vrouw dit verzoekt is dit verzoek niet op de wet gegrond.
De rechtbank zal het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat sprake is van gezamenlijk gezag, toewijzen. Ook het verzoek om hiervan aantekening te maken in het gezagsregister zal worden toegewezen.
De rechtbank zal vervolgens het subsidiaire verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag aanhouden. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het raadsrapport als beschreven in 2.5 en 2.6 nog niet is afgerond. De rechtbank zal het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ten aanzien van het ouderlijk gezag afwachten alvorens een beslissing kan worden genomen.
Overige verzoeken
De rechtbank zal, zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, het verzoek ten aanzien van de zorg-/omgangsregeling en de informatieregeling aanhouden in afwachting van het rapport van de Raad.
De rechtbank zal ook het verzoek ten aanzien van de proceskosten aanhouden.
Onderhoudsbijdragen
De vrouw heeft haar verzoeken ten aanzien van de kinderalimentatie en de partneralimentatie tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Dit betekent dat de rechtbank geen beslissing meer hoeft te nemen over de alimentatie.
Voorlopige voorziening
Nu in het kader van de bodemprocedure een beslissing zal worden genomen op alle verzoeken, zal de rechtbank de verzoeken zoals gedaan door partijen in de voorlopige voorzieningen procedure bij gebrek aan belang afwijzen.
5De beslissing
De rechtbank:
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/765628 / FA RK 25-1668:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats 1] op 1 september 2011;
verklaart voor recht dat de man en de vrouw gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] .
vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister;
wijst de verzoeken van de vrouw tot nietigverklaring van de huwelijken af;
houdt de beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag, de zorg-/omgangsregeling, de informatieregeling en de proceskosten aan tot 1 mei 2026 pro forma voor uitlating Raad over de stand van zaken ten aanzien van het Raadsonderzoek, voor zover het Raadsrapport dan nog niet gereed en ingediend is.
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/766250 FA RK 25/1991:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.P.E. Has, L. van der Heijden en V. Zuiderbaan en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.K. Meijer op 24 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
