Essentie (gemaakt door AI)
CBM. Verzoek van bewindvoerder om toekenning van één extra uur voor aangifte werkelijk rendement 2021 is toegewezen wegens uitzonderlijke omstandigheden op grond van artikel 3 lid 6 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Rechthebbende wordt niet als belanghebbende aangemerkt bij een verzoek om aanvullende beloning. Dit in afwijking van de Uitlating van de Procureur-Generaal ECLI:NL:PHR:2026:252 over de uitleg van art. 798 lid 1 Rv, nu de wet- en regelingssystematiek dat niet vereist.| Datum publicatie | 09-04-2026 |
| Zaaknummer | NL:TZ:0000320859:B001 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Insolventierecht |
| Trefwoorden | Meerderjarigenbescherming; Bewind; Familieprocesrecht; Belanghebbende |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
CBM. Rechthebbende niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek om aanvullende beloning op grond van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Dit in afwijking van de Uitlating van de Procureur-Generaal in de zaak ECLI:NL:PHR:2026:252, waarin staat dat rechthebbende een belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv als een bewindvoerder verzoekt om een aanvullende beloning, omdat een rechthebbende de aanvullende beloning zal moeten betalen en dus rechtstreeks in zijn rechten en verplichtingen wordt geraakt.Volledige uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Toezicht
Locatie Maastricht
|
toezichtnummer |
: |
NL:TZ:0000320859:B001 |
|
CBM-nummer |
: |
BM404030 |
|
beschikkingsnummer |
: |
001 |
|
datum |
: |
9 april 2026 |
Beschikking van de kantonrechter
op verzoek van:
ZEKER Financiële Zorgverlening B.V.,
Postbus 50099, 1305 AB Almere,
Kamer van Koophandel-nummer 32109241,
hierna te noemen: verzoeker,
met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1939,
wonende te [adres] , [woonplaats]
hierna te noemen: betrokkene/rechthebbende.
1Procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 30 maart 2026.
De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.
2Beoordeling
Verzoeker vraagt om toekenning van één extra uur vast te stellen voor de aangifte “werkelijk rendement 2021”.
De kantonrechter zal, gelet op de ontvangen informatie, het verzoek toewijzen omdat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling). De kantonrechter neemt deze beslissing zonder eerst rechthebbende te betrekken als belanghebbende. Dit in afwijking van de ‘uitlating in behandeling nemen prejudiciële vragen’ van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 13 maart 2026 in de zaak 26/00083 [naam] (hierna: de Uitlating).
1
Hierin staat dat een rechthebbende een belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv als een bewindvoerder verzoekt om een aanvullende beloning, omdat een rechthebbende de aanvullende beloning zal moeten betalen en dus rechtstreeks in zijn rechten en verplichtingen wordt geraakt. Er wordt een parallel getrokken tussen machtigingsverzoeken om te beschikken over een onder bewind staand goed (bijvoorbeeld de verkoop van een woning) en een verzoek tot toekenning van een aanvullende beloning. De kantonrechter is vooralsnog – nu de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgesproken – van oordeel dat de uitkomst voor beide niet hetzelfde hoeft te zijn, ook al treffen beide procedures betrokkene in de beurs.
Op grond van artikel 1:441 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hoeft een machtiging als hiervoor bedoeld alleen te worden gevraagd als betrokkene weigerachtig of niet in staat is. Kortom: als uitgangspunt heeft een betrokkene inspraak. Het is dan ook logisch dat betrokkene wordt aangemerkt als belanghebbende als een machtigingsverzoek wordt voorgelegd aan de kantonrechter.
Dat is anders bij het vaststellen van een beloning voor de bewindvoerder. Op grond van artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de bewindvoerder aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij de Regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. In dit artikel wordt dus, anders dan in artikel 1:441 lid 2 BW, niet gerefereerd aan rechthebbende, en de wetgever had ook geen oog voor de rechthebbende toen werd besloten om regels vast te stellen met betrekking tot de beloning. De wetgever overwoog namelijk het volgende:
2
‘g. Beloning van vertegenwoordigers
De beloning van de curatoren, bewindvoerders en mentoren zal bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Gebleken is dat huidige de 5%-regeling in de praktijk niet of nauwelijks wordt toegepast, omdat deze in de regel tot een volstrekt onvoldoende beloning leidt. In plaats daarvan gelden in de praktijk de aanbevelingen terzake van het LOVCK. Een bezwaar daarvan is evenwel dat de LOVCK-aanbevelingen voor de individuele kantonrechter niet bindend zijn. Vertegenwoordigers die aan meer dan een kantonrechter rekening en verantwoording schuldig zijn kunnen daardoor ondanks de aanbevelingen met verschillende normen voor de beloning worden geconfronteerd. Daarom acht ik het geboden eenduidige bindende regels te stellen voor de beloning. Bij de vaststelling van de hier bedoelde regels zal ik mij doen voorlichten door het LOVCK en betrokken organisaties (zie onderdelen C, K, L, X en CC).’
Kortom: in de op grond van artikel 1:447 lid 1 BW vast te stellen Regeling, zou het zich gaan handelen om eenduidige en bindende regels.
In de betreffende Regeling (de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling)), is ook geen rol voor rechthebbende weggelegd; noch in de Regeling zelf, noch in de Nota van Toelichting hierbij. De Regeling laat de kantonrechter, conform de hiervoor geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting, in beginsel geen vrijheid om anders te beslissen dan vastgelegd door de wetgever. Dit betekent dat de jaarbeloning voor een bewindvoerder in een standaardbewind op dit moment € 1.630,- per jaar bedraagt en voor een bewind met problematische schulden € 2.107,-. Soms wordt de lage jaarbeloning toegekend, maar blijkt later toch van problematische schulden. Dan verzoekt de bewindvoerder om de hoge jaarbeloning. Hoewel het de rechthebbende is die deze hogere beloning moet betalen, heeft het geen enkel nut om rechthebbende erbij te betrekken, want het recht op deze hogere beloning bestaat. Punt. Uit.
Het enige waar de kantonrechter vrijheid heeft is als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. In dat geval kan de kantonrechter de beloning op andere wijze vaststellen. Echter is hiervan nauwelijks sprake, aangezien de wetgever in de Nota van Toelichting heeft overwogen: ‘De jaarbeloning geldt als gemiddelde. Het ene mentorschap of bewind zal meer tijd vergen dan het andere. Het zal ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire jaarbeloning is gebaseerd. Het voordeel van het hanteren van een forfaitaire beloning is dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is. Daarmee wordt beoogd de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen. (…) Met deze regeling wordt beoogd het overgrote deel van de gevallen van curatele, bewind en mentorschap te bestrijken. Niet uit te sluiten is echter dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarop deze regeling niet onverkort kan worden toegepast. De kantonrechter wordt daarom de ruimte gelaten om vanwege uitzonderlijke omstandigheden in het specifieke geval de beloning van de vertegenwoordiger op andere wijze vast te stellen. (...) Naar aanleiding van reacties op de conceptregeling is de formulering gewijzigd van ‘bijzondere omstandigheden’ in ‘uitzonderlijke omstandigheden’, om te benadrukken dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de regeling kan worden afgeweken. Indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, kan de kantonrechter door deze ingebouwde ‘noodklep’ bijvoorbeeld een hogere beloning toekennen dan door deze regeling wordt voorgeschreven.’
De wetgever heeft een zo strenge Regeling vastgesteld (zoals al uit vorige alinea blijkt) om de administratieve afhandeling relatief eenvoudig te maken en op die manier de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen.
Zou worden aangenomen dat rechthebbenden als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, dan is allerminst sprake van een relatief eenvoudige administratieve afhandeling en de regeldruk zou immens zijn. Want als iemand belanghebbende is, komt daar een arsenaal aan rechten bij.
Zonder compleetheid te beogen een opsomming: zo moet het verzoek worden doorgezonden aan rechthebbende, wordt de rechthebbende een periode (meestal twee weken) gegeven om te reageren en als rechthebbende niet reageert meestal nog een rappelperiode (van weer twee weken) en, indien rechthebbende niet akkoord is, zal in beginsel een mondelinge behandeling moeten worden gepland met alle uitdagingen van dien (zittingstijd vinden, uitnodigingen versturen en, bij niet verschijnen, nog eens (aangetekend) oproepen omdat rechthebbende de eerste keer als uitgangspunt via reguliere post wordt opgeroepen, waar nog wel eens iets misloopt). Vervolgens moet de beschikking schriftelijk worden uitgewerkt (in plaats van zoals nu in het (overgrote) merendeel van de gevallen een administratieve afdoening in het digitale systeem) en die beschikkingen moeten worden verzonden en begeleidende brieven moeten worden aangemaakt. Wordt beslist in afwijking van wat rechthebbende wil, dan kan die onder omstandigheden hoger beroep instellen.
Een administratieve handeling van een paar minuten verwordt in dat geval tot een heel proces dat weken of zelfs maanden in beslag neemt. Kortom: niet, zoals de wetgever heeft beoogd, een relatief eenvoudige administratieve afhandeling die de regeldruk vermindert.
En het is niet iets dat ‘met enige regelmaat’ voorkomt, zoals de AG overwoog in r.o. 2.30 en 2.31 van voornoemde Uitlating (zie hiervoor onder 2.2.), maar om een karrevracht aan verzoeken. De cijfers die in de beschikking staan waarover de Uitlating gaat
3 vertegenwoordigen slechts het topje van de ijsberg (te weten het aantal verzoeken dat is binnengekomen in een periode van slechts drie maanden en dan alleen met betrekking tot één van de drie grondslagen genoemd in één lid van één artikel, te weten artikel 3 lid 5 onder b van de Regeling.)
Ter illustratie: bij deze rechtbank zijn in 2025 via het digitale systeem in totaal 1.264 aanvullende beloningsverzoeken binnengekomen waarvan er 65 om uiteenlopende redenen weer zijn ingetrokken. Er moe(s)t dus in 1.199 digitale verzoeken een beslissing worden genomen. Hierbij komen nog de verzoeken op papier, waarvan deze kantonrechter geen cijfers heeft. En dit alles bij een rechtbank waar maar vier kantonrechters, niet zijnde rechter-plaatsvervangers, werkzaam zijn die belast zijn met het toezicht.
Dit alles vormt de reden waarom deze kantonrechter rechthebbende niet heeft aangemerkt als belanghebbende en direct een beslissing neemt.
Beslissing
De kantonrechter wijst het verzoek toe en kent 1 extra uur toe conform artikel 3 lid 6 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Vindplaats: ECLI:NL:PHR:2026:252
Kamerstukken II, vergaderjaar 2011-2012, 33 054, nr. 3 (Memorie van Toelichting), pagina 11
Rb. Limburg (ktr.) 13 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:283
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
