Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheidingszaak met nevenverzoeken, waarin de GI als informant en niet als belanghebbende is aangemerkt. De rechtbank motiveert dat de GI niet rechtstreeks in haar belang wordt geraakt en uit het procesreglement volgt geen recht op een extra exemplaar voor de GI. De vrouw wordt, ondanks ontbreken ouderschapsplan art. 815 lid 6 Rv, ontvangen in haar verzoek; echtscheiding wordt uitgesproken. Hoofdverblijfplaats kinderen na uithuisplaatsing bij de vrouw. Kinderbijdrage €100 p.p.p.m. conform onderlinge regeling. Overeenkomst verdeling wordt opgenomen. Afgezien| Datum publicatie | 09-04-2026 |
| Zaaknummer | C/10/700183 / FA RK 25-4008 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familieprocesrecht; Belanghebbende; Jeugdbescherming / Jeugdwet; Kinderen; Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheidingszaak met nevenverzoeken. De GI is niet aangemerkt als belanghebbende maar als informant. De GI is weliswaar betrokken bij het gezin, maar wordt niet rechtstreeks in haar belang getroffen door de beslissing op de voorliggende verzoeken. Het procesreglement echtscheiding noemt wel dat verzoeker moet vermelden wie de GI is, maar niet dat er een extra exemplaar van het verzoekschrift moet worden ingediend ten behoeve van de GI in verband met nevenvoorzieningen die op de minderjarigen betrekking hebben. Ook daaruit leidt de rechtbank voor deze zaak af dat de GI geen belanghebbende is.Volledige uitspraak
Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/700183 / FA RK 25-4008
Beschikking van 17 maart 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.C. Heijmann te Papendrecht,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] .
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 mei 2025;
-
het bericht met bijlage van de vrouw van 16 juli 2025;
-
het bericht met bijlagen van de vrouw van 30 oktober 2025.
Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2] ;
-
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI), als informant, vertegenwoordigd door [naam 1] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.
2De vaststaande feiten
Partijen zijn met elkaar hertrouwd te [plaatsnaam] op [datum] .
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 zijn voorlopige maatregelen getroffen, in die zin dat:
-
de minderjarigen aan de vrouw zijn toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarigen aan de vrouw, als deze niet al in de macht van de vrouw mochten zijn, maar met dien verstande dat in verband met de vrijwillige uithuisplaatsing de daadwerkelijke terugkeer van de minderjarigen naar de vrouw onder regie van het sociaal team zal plaatsvinden;
-
het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning is toegekend aan de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 oktober 2025 is de jongste minderjarige onder toezicht gesteld van de GI van 6 oktober 2025 tot 6 oktober 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 oktober 2025 tot 6 april 2026.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 oktober 2025 is de oudste minderjarige onder toezicht gesteld van de GI van 6 oktober 2025 tot 6 oktober 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 oktober 2025 tot 6 april 2026.
3De beoordeling
De hoedanigheid van de GI
De rechtbank heeft zichzelf de vraag gesteld of de GI als belanghebbende dient te worden aangemerkt. In de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (art. 261-291 Rv) is het begrip belanghebbende niet nader omschreven. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid wie belanghebbende is bij het verzoek. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Voor zaken betreffende het personen- en familierecht, andere dan scheidingszaken, bevatten de artikelen 798-813 Rv voorschriften die afwijken van de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (art. 261-291 Rv)) .
De onderhavige procedure is een echtscheidingsprocedure, zodat de artikelen 798-813 Rv niet van toepassing zijn, maar teruggevallen moet worden op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige procedure en gelet op de verzoeken die zijn gedaan, de GI als informant en niet als belanghebbende moet worden aangemerkt. De GI is weliswaar betrokken, maar wordt niet rechtstreeks in haar belang getroffen door de beslissing op de voorliggende verzoeken.
Daaraan voegt de rechtbank nog het volgende toe. Een belanghebbende heeft recht op alle processtukken. Uit het procesreglement echtscheiding volgt dat aan de echtgenoot het verzoek tot echtscheiding moet worden betekend en dat een extra exemplaar van het verzoekschrift moet worden ingediend ten behoeve van de raad. In het procesreglement staat enkel dat verzoeker moet vermelden wie de GI is, er staat niet dat een extra exemplaar ingediend dient te worden ten behoeve van de GI in verband met de nevenvoorzieningen die op de minderjarigen betrekking hebben. Ook daaruit leidt de rechtbank voor deze zaak af dat de GI geen belanghebbende is.
Scheiding
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv) .
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
Verblijfplaats
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn, zodat naar volledige thuisplaatsing toegewerkt kan worden.
Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat de minderjarigen alleen bij haar teruggeplaatst kunnen worden. Terugplaatsing bij de man is volgens haar niet mogelijk gelet op de persoonlijke problematiek van de man. Verder stelt zij dat zij degene is die altijd beschikbaar was voor de minderjarigen. Zij erkent dat een volledige terugplaatsing op dit moment nog te zwaar voor haar is. Maar als zij de juiste adequate hulpverlening krijgt, kan zij met de nodige hulp, ver komen in de verzorging en opvoeding voor beide minderjarigen. Tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt de vrouw dat dit verzoek geen verzoek om terugplaatsing is, maar een verzoek om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar vast te stellen zodra de uithuisplaatsing eindigt.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
Tijdens de mondelinge behandeling is dit verzoek met de vrouw, de GI en de raad besproken.
De GI voert aan dat feitelijk de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen op een andere plek is dan bij een van de ouders, omdat de minderjarigen op dit moment het grootste deel van de tijd elders verblijven. De GI hoopt en verwacht met name voor [minderjarige 2] , dat daarin een verandering komt. Als de hoofdverblijfplaats in het kader van de echtscheiding bij een van de ouders vastgesteld moet worden, dan ligt het volgens de GI voor de hand deze bij de vrouw vast te stellen omdat de man fulltime werkt.
De raad voert aan dat het voor de minderjarigen zelf niet veel verschil maakt bij wie zij “formeel” de hoofdverblijfplaats hebben. Duidelijk is wel dat deze beslissing belangrijk is voor de vrouw. Toewijzen van dit verzoek kan daardoor een positieve invloed op de minderjarigen hebben, aldus de raad.
Uit de processtukken en het tijdens de mondelinge behandeling verhandelde is de rechtbank het volgende gebleken. Het gaat hier om twee kwetsbare minderjarigen die al enige tijd, eerst in het vrijwillig kader en vanaf 6 oktober 2025 via een machtiging uithuisplaatsing, niet meer thuis verblijven. Zij hebben ieder hun eigen kind problematiek, hetgeen maakt dat de GI verschillende routes voor hen uitstippelt. Ook de ouders kampen met hun eigen problematiek. In de vrouw ziet de rechtbank een betrokken moeder die in het belang van de minderjarigen erkent dat zij op dit moment niet de volledige zorg voor hen aankan en openstaat voor hulpverlening. Ook is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat er inmiddels vooruitgang is geboekt in het contact tussen partijen en de minderjarigen, waarvoor de rechtbank hen complimenteert.
De rechtbank begrijpt dat [minderjarige 2] op dit moment op de schooldagen op dinsdag, woensdag en donderdagochtend bij de vrouw is, alsmede op de studiedagen en om de week op zaterdag. De andere zaterdag is [minderjarige 2] bij de man, die hem ook op maandag uit de buitenschoolse opvang haalt en hem op maandagavond bij de pleegouders op bed legt. Het is de bedoeling van de GI dat [minderjarige 2] - een aantal weken voor de zomervakantie begint - gaat proberen doordeweeks, dus van maandag tot vrijdag, gedeeltelijk bij de vrouw en gedeeltelijk bij de man in Nieuw-Lekkerland te verblijven en in het weekend bij het pleeggezin. Als deze regeling goed voor [minderjarige 2] werkt kan deze met ingang van het nieuwe schooljaar ingaan. De rechtbank vindt dit een mooie ontwikkeling.
De rechtbank begrijpt dat [minderjarige 1] ieder weekend, van vrijdagmiddag 12:30 tot zondag 17:00 uur bij de vrouw verblijft, met dien verstande dat hij de ene week op zaterdag en de andere week op zondag bij de man is. Op woensdagmiddag gaat [minderjarige 1] naar een steungezin dat ook in Nieuw-Lekkerland woont. Ook dit vindt de rechtbank een mooie ontwikkeling, ook al zien de jongens elkaar sinds januari 2026 maar één uur per drie weken.
Vooropgesteld wordt dat de beslissing op de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen op zichzelf niet tot terugplaatsing leidt. De rechtbank acht het zowel voor de minderjarigen als voor partijen belangrijk dat duidelijk is bij wie zij hun hoofdverblijfplaats krijgen zodra de uithuisplaatsing eindigt. De rechtbank zal, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond, het hoofdverblijf van de minderjarigen aansluitend op het aflopen van de nu geldende uithuisplaatsing bij de vrouw bepalen. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
Huurrecht woning
De vrouw verzoekt, na intrekking van haar verzoek ten aanzien van [adres 1] en de huurpenningen van [adres 2] :
- het huurrecht van de woning aan [adres 2] aan haar toe te scheiden.
De rechtbank is gebleken dat de man de echtelijke woning al enige tijd geleden heeft verlaten en een eigen huurwoning bewoont. Daarnaast heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de man al vanaf mei 2025 niet meer op het huurcontract van de echtelijke woning staat, hij heeft volgens de vrouw een afstandsverklaring getekend. Gelet hierop heeft de vrouw, naar het oordeel van de rechtbank, geen belang (meer) bij dit verzoek, zodat dit wordt afgewezen.
Onderhoudsbijdrage
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 100,- per maand per kind vast te stellen. Zij stelt dat partijen deze bijdrage zijn overeengekomen.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking.
Omdat niets is gesteld ten aanzien van de ingangsdatum, zal de rechtbank als ingangsdatum bepalen de datum van deze beschikking.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Verdeling
De vrouw verzoekt vast te stellen dat partijen met elkaar over zijn gegaan tot verdeling van hun algehele gemeenschap van goederen en in dat kader niets meer van elkaar te vorderen hebben.
Zij legt aan dit verzoek ten grondslag dat partijen de banksaldi en inboedel bij helfte hebben gedeeld en niets meer te verrekenen hebben.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
De rechtbank kan op grond van artikel 3:185 BW enkel beslissen als de deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen komen. De rechtbank zal de overeenkomst tussen partijen, die door de man niet is betwist, opnemen in de beschikking.
Ingetrokken verzoeken
De vrouw heeft de verzoeken ten aanzien van:
- de door haar genoemde aanwijzingen van het sociaal team, nu de GI, ten aanzien van de thuisplaatsing en van de opbouw van de zorgregeling tussen de kinderen en de vader; en
- het huurrecht en de huurpenningen betreffende de woning aan [adres 1] alsmede de huurpenningen van [adres 2] ;
ingetrokken. De rechtbank zal de verzoeken afwijzen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen na afloop van de uithuisplaatsing bij de vrouw zal zijn;
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de kinderbijdrage hebben getroffen, te weten dat de man aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 100,- per maand per kind en bepaalt dat deze kinderbijdrage vandaag ingaat;
neemt op de onderlinge overeenstemming ten aanzien van de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen tussen partijen zoals vermeld onder 3.6.2;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, op 17 maart 2026. |
||
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
