Essentie (gemaakt door AI)
VOVO met uitsluitend gebruik echtelijke woning voor man, met bevel aan vrouw de woning te verlaten en niet meer te betreden. Verzoek vrouw om PAL afgewezen. Niet aannemelijk dat behoefte vrouw In de zeer korte periode van 5 weken van samenleving tijdens het huwelijk als gevolg van de - in duur beperkte - samenleving hoger is geworden dan haar inkomen uit hoofde van een WIA-uitkering dat zij voorafgaand aan het huwelijk ontving en nu nog steeds ontvangt. IPR-aspecten ambtshalve beoordeeld; Nederlands recht van toepassing.
| Datum publicatie | 09-04-2026 |
| Zaaknummer | C-02-443303 - FA RK 25-6617 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Behoefte partneralimentatie; Samengestelde gezinnen: geen gegevens partner |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Beschikking over het treffen van voorlopige voorzieningen, gebruik van de echtelijke woningVolledige uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443303 / FA RK 25-6617
datum uitspraak 25 februari 2026
beschikking over het treffen van voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de man] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. Sangar,
en
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 23 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man;
- het op 3 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw;
- het op 9 februari 2026 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen van de man.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 februari 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.
2De verzoeken
De man verzoekt, samengevat, het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem.
De vrouw verzoekt, samengevat, vaststelling van een door de man te betalen bijdrage voor haar van € 1.250,= per maand.
3De beoordeling
Vanwege de huwelijksplaats en de nationaliteit van de vrouw heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft deze aspecten ambtshalve beoordeeld. Zij is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht moet beslissen op de verzoeken.
Uitsluitend gebruik van de woning
De man verzoekt te bepalen dat hij voor de duur van de echtscheidingsprocedure bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, inclusief de zich daarin bevindende inboedel, aan [adres] in [woonplaats] met bevel aan de vrouw deze woning per direct te verlaten en deze zonder zijn toestemming niet meer te betreden.
De vrouw stemt in met dit verzoek.
De rechtbank wijst het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toe.
Partneralimentatie
De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.250,= per maand. Vanwege het huwelijk van partijen is er een onderhoudsverplichting ontstaan. Op dit moment zijn partijen nog getrouwd en is de man gehouden om op grond van de wet haar het nodige te verschaffen. Zij heeft ook behoefte aan een bijdrage en de man heeft de financiële middelen om een bijdrage aan haar te voldoen.
De man voert gemotiveerd verweer. Primair stelt hij dat er geen rechtsgeldige titel is voor alimentatie nu tussen partijen geen duurzame lotsverbondenheid is ontstaan, omdat de samenwoning van hen van zeer korte duur is geweest. Partijen hebben welgeteld vijf weken samengewoond. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat er geen sprake is van een (huwelijksgerelateerde) behoefte aan de zijde van de vrouw en dat het hem aan draagkracht ontbreekt.
Titel voor alimentatie
De rechtbank overweegt als volgt. De met het huwelijk samenhangende lotsverbondenheid is de grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting. Partijen zijn nog met elkaar getrouwd en in verband daarmee gehouden elkaar van het nodige te voorzien. Daardoor is er in beginsel sprake van een rechtsgeldige titel voor een onderhoudsbijdrage. Bovendien geldt dat voor het bestaan van een alimentatieverplichting geen sprake meer hoeft te zijn van wederzijdse verzorging of van samenwoning.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank voorbij gaat aan het primaire verweer van de man en zal overgaan tot een beoordeling van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man, voor zover aan de orde.
Bij het bepalen van de behoefte aan partneralimentatie en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie moet eerst worden vastgesteld welk bedrag de vrouw maandelijks nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen, de zogenoemde ‘huwelijksgerelateerde behoefte’. Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de hofnorm. De hofnorm gaat ervan uit dat ieder van partijen 60% van het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen nodig heeft om na het uiteengaan van te leven, omdat partijen hun kosten niet meer met elkaar kunnen delen.
De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage en heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de hofnorm becijferd op een bedrag van
€ 6.815,= per maand. Zij is aan haar zijde uitgegaan van een bruto WIA-uitkering van afgerond € 2.098,= bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Aan de zijde van de man is zij uitgegaan van een geschat inkomen van € 85.000,= bruto per jaar aan dga-salaris, te vermeerderen met vakantietoeslag, en een dividenduitkering van € 15.000,= per jaar.
De man stelt zich op het standpunt dat van een huwelijksgerelateerde behoefte geen sprake is. Partijen hebben feitelijk slechts vijf weken met elkaar samengewoond, waarna de vrouw de woning heeft verlaten. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar huidige financiële behoefte het gevolg is van een nieuw gezamenlijk bestedingspatroon tijdens het huwelijk of van keuzes die binnen het huwelijk zijn gemaakt, dan wel van een verlies aan verdiencapaciteit dat door het huwelijk is ontstaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Een onderhoudsverplichting heeft als doel om de onderhoudsgerechtigde zoveel mogelijk in staat te stellen om in overeenstemming met de welstand tijdens het huwelijk te leven. De behoefte van de vrouw moet worden gerelateerd aan de periode dat partijen gedurende het huwelijk samenleefden. Onbetwist is gesteld dat de samenleving van partijen amper vijf weken heeft geduurd totdat de vrouw de woning heeft verlaten. Het is niet gebleken dat in deze periode de welstand van de vrouw is verhoogd of dat haar uitgavenpatroon structureel is gewijzigd. Het inkomen van de vrouw voorafgaand aan het huwelijk bestond uit een WIA-uitkering. Deze uitkering ontvangt zij nog steeds, zij het dat de hoogte hiervan inmiddels is verlaagd. Deze verlaging houdt geen verband met het huwelijk of de samenwoning van partijen, maar hangt samen met de inmiddels vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van de vrouw en met wat zij volgens de uitkeringsinstantie zelf zou kunnen verdienen.
Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat in de zeer korte periode van vijf weken van samenleving tijdens het huwelijk de behoefte van de vrouw als gevolg van de - in duur beperkte - samenleving hoger is geworden dan haar inkomen uit hoofde van een WIA-uitkering dat zij voorafgaand aan het huwelijk ontving en nu nog steeds ontvangt. Dit leidt tot de conclusie dat de vrouw met haar huidige inkomen, en betaald werk waar zij naar solliciteert, volledig in haar behoefte kan voorzien en dat zij geen huwelijksgerelateerde behoefte heeft die dit inkomen overstijgt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud wijst de rechtbank af.
4
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] in [woonplaats] , en beveelt de vrouw die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
