Essentie (gemaakt door AI)
Bewindvoerder is aansprakelijk omdat betrokkene niet is toegeleid naar MSNP/WSNP, terwijl nog substantiële, niet-vermelde schulden openstaan. Verweer dat eerdere r&v-goedkeuring en ontslagbeschikking décharge geven, faalt. Verklaring voor recht dat is tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder art. 1:444 BW. Materiële schade wordt niet ambtshalve vastgesteld; betrokkene moet naar de civiele rechter art. 1:445 lid 5 jo. 1:362 BW. Verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Veroordeelt [naam] in de proceskosten.| Datum publicatie | 08-04-2026 |
| Zaaknummer | 11841512 BM VERZ 25-3967 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Insolventierecht |
| Trefwoorden | Tuchtrecht / aansprakelijkheid; Meerderjarigenbescherming |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Bewindvoerder aansprakelijk voor eventuele schade omdat rechthebbende niet is doorgeleid naar schuldhulpverlening.Volledige uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Roermond
zaaknummer : 11841512 BM VERZ 25-3967
dossiernummer : BM 396118
datum : 23 maart 2026
beschikking van de kantonrechter
in de zaak van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,
hierna te noemen: betrokkene,
met als bewindvoerder
[bewindvoerder] h.o.d.n. [handelsnaam 1] ,
correspondentieadres: [correspondentieadres] ,
mr. J. van Helden (Kamps VanBaar Advocaten),
met betrekking tot een verzoek gericht tegen
[naam] (voorheen h.o.d.n. [handelsnaam 2] ),
wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] .
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
-
het verzoekschrift (met bijlagen), ontvangen op 14 augustus 2025;
-
een reactie van [naam] , ontvangen op 3 september 2025;
-
de brief van de griffier verzonden aan [naam] , verzonden op 8 september 2025;
-
een nadere reactie van [naam] , ontvangen op 1 oktober 2025;
- een nadere reactie van de gemachtigde van betrokkene, ontvangen op 4 november
2025.
Het verzoek is mondeling behandeld op 2 maart 2026.
feiten
[naam] is van 13 juli 2021 tot 1 mei 2024 de bewindvoerder geweest van betrokkene. Volgens de door hem ingediende boedelbeschrijving bedroeg de schuldenlast van betrokkene € 34.092,74. Sinds 1 mei 2024 is hij opgevolgd door [bewindvoerder] h.o.d.n. [handelsnaam 1] (hierna: [bewindvoerder] ). In de eindrekening en -verantwoording (hierna: eind-r&v) heeft [naam] genoteerd dat er nog een schuldenlast was van € 7.294,32, waarvan € 2.735,82 aan CZ. De schuld aan CZ is inmiddels kwijtgescholden, naar aanleiding van een betalingsregeling die [naam] had getroffen en die gedurende 36 maanden goed is nagekomen. Aldus resteerde er volgens de eind-r&v nog één schuld ad € 58,50 aan Coeo.
[bewindvoerder] heeft op 14 juni 2024 een brief ontvangen van GGN Mastering Credit waarin staat dat betrokkene betalingsachterstanden heeft ter hoogte van in totaal € 6.856,27 bij verschillende schuldeisers. In een brief van 8 augustus 2025 staat dat de schulden per die datum inmiddels € 6.898, bedragen.
Vesting Finance heeft zich bij [bewindvoerder] gemeld als schuldeiser en stelt een vordering te hebben van € 12.455,22 op betrokkene.
Verder heeft [bewindvoerder] kennis genomen van een vordering van Budget Energie op betrokkene van € 2.290,90.
Zie op de laatste pagina (p. 6) het complete overzicht van de schulden die in de stukken in het dossier te vinden zijn op chronologische volgorde.
verzoek
[bewindvoerder] verzoekt samengevat om voor recht te verklaren dat [naam] toerekenbaar is tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder en hem te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding voor materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
[bewindvoerder] legt aan het verzoek ten grondslag dat [naam] ten onrechte geen minnelijk schuldhulpverleningstraject is gestart en dat, zou hij dat wel gedaan hebben, betrokkene uiterlijk in 2025 een schone lei zou hebben gehad. Dit betekent dat alles wat nu nog wordt afbetaald op die schulden en aan rente en kosten is aan te merken als materiële schade (onnodige loonbeslagen en aflossingen), waarvoor [naam] aansprakelijk is. Doordat [naam] lukraak heeft afgelost op schulden en met sommige schulden niets heeft gedaan, moet betrokkene alsnog van voren af aan beginnen met het aanpakken van de schulden. De schade kan nog niet worden berekend, omdat ontbrekende betalingen, rente en incassokosten niet volledig inzichtelijk zijn, wat ook te maken heeft met een gebrekkige overdracht en incomplete rekening en verantwoording (hierna: r&v).
Verder heeft betrokkene jarenlang maar € 35,- leefgeld per week gekregen, vanwege het doorlopende beslag op het inkomen en de lukrake aflossingen. Inmiddels ontvangt betrokkene € 80,- per week, exclusief incidentele uitgaven, waarvoor extra geld wordt gegeven (bijvoorbeeld kosten dierenarts). Er is geen enkele reden om het leefgeld op slechts € 35,- per week te stellen en niet te indexeren, ondanks inflatie en verhoging van de uitkeringen. Door bovendien het leefgeld steeds te laat en op een andere dag uit te betalen, verkeerde betrokkene in enorme onzekerheid. Deze voortdurende financiële stress, onheuse bejegening door [naam] en het structureel te late leefgeld en de onzekerheid die dit heeft veroorzaakt, evenals de te late of wisselende betalingen, heeft betrokkene onnodig leed ondervonden.
De schade kan schattenderwijs worden vastgesteld, aldus [bewindvoerder] .
Op de verweren van [naam] zal hieronder worden ingegaan.
beoordeling
Is [naam] ontheven van iedere aansprakelijkheid?
Het eerste en meest omvattende verweer van [naam] is dat hem décharge is verleend doordat de rechtbank de rekeningen en verantwoordingen van 2021 en 2022 heeft goedgekeurd en betrokkene de r&v van 2023 heeft getekend. Bovendien heeft de kantonrechter die hem heeft ontslagen beslist dat hij zijn taken naar behoren heeft uitgevoerd en dat is een bindende uitspraak. Dit zou maken dat hij is ontheven van iedere aansprakelijkheid.
De kantonrechter volgt [naam] niet in zijn verweer. Ten eerste omdat de eind-r&v verschilt van de reguliere (periodieke) r&v-en. Anders dan in het geval van een eind-r&v kan de kantonrechter de bewindvoerder vrijstellen van de verplichting die te zijnen overstaan af te leggen (art. 1:445 lid 3 BW) . Bovendien geldt voor de eind-r&v de rekenprocedure van artikel 771 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en niet voor de periodieke r&v-en. Immers is de eind-r&v de enige die potentieel wordt afgelegd aan belanghebbenden dan wel onbekenden. Bovendien heeft de wetgever bepaald dat wanneer de r&v wordt afgelegd aan de kantonrechter (wat het geval lijkt te zijn geweest in 2021 en 2022) de goedkeuring door de kantonrechter niet belet dat de rechthebbende (lees: betrokkene) na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte r&v vraagt. Dit ontkracht de stelling van [naam] dat goedkeuring door de kantonrechter leidt tot décharge. Hoe dan ook: een eventuele décharge kan alleen zien op zaken waarvan de opvolgend bewindvoerder/betrokkene daadwerkelijke kennis had of die kennis redelijkerwijs kon hebben. Décharge kan zich dus in beginsel niet uitstrekken tot niet-vermelde schulden, en dat is waar het om draait in deze zaak. Hierbij komt dat over het tijdvak van 1 januari 2023 tot 1 mei 2024 sowieso geen décharge is verleend, aangezien de eind-r&v door niemand is getekend/goedgekeurd.
Ook het beroep op de uitspraak van de kantonrechter die het ontslag heeft uitgesproken slaagt niet. Die kantonrechter heeft niet beslist dat [naam] zijn taken naar behoren heeft uitgevoerd. De betreffende kantonrechter heeft overwogen dat niet is geconstateerd dat de bewindvoerder zijn taken niet naar behoren heeft uitgevoerd. Dat is niet hetzelfde en laat de mogelijkheid open dat hij tekort is geschoten; alleen kon dat destijds niet worden geconstateerd. Kortom: [naam] is niet ontheven van aansprakelijkheid.
Staan er nog schulden open?
Het tweede verweer van [naam] is dat betrokkene geen schulden meer zou hebben.
[bewindvoerder] heeft de stelling dat er wél nog schulden zijn, onderbouwd met stukken. [naam] heeft het verweer, dat er geen schulden meer zijn, niet (voldoende) onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij een aantal vorderingen aangehaald en correspondentie voorgelezen waaruit zou blijken dat de schulden zijn voldaan, maar desgevraagd betroffen dat steeds andere dossiernummers dan die in het overzicht van GGN zijn opgenomen. De kantonrechter heeft aangeboden dat [naam] alsnog stukken mag inbrengen waaruit blijkt dat de vorderingen die [bewindvoerder] aanvoert zijn afbetaald en/of verjaard, maar hij heeft dit aanbod afgeslagen. Aldus is de stelling van [bewindvoerder] onvoldoende gemotiveerd betwist. In rechte staat daarom vast dat er nadat [naam] is ontslagen als bewindvoerder nog een schuldenlast bestond van (in ieder geval) € 21.644,12. Tevens constateert de kantonrechter dat geen van die schulden sinds 31 december 2022 nog zijn opgenomen in de (periodieke en eind)r&v-en. Sommige van de schulden zijn in het geheel nooit opgevoerd (bijvoorbeeld een schuld aan Ziggo ten aanzien waarvan op 20 december 2017 een vonnis is gewezen en een schuld aan bol.com daterend uit mei/juni 2020).
Had [naam] betrokkene moeten aanmelden voor de MSNP?
Volgens de eigen opgave van [naam] bedroeg de schuldenlast van betrokkene bij de aanvang van het bewind € 34.092,74. Aan het eind van zijn bewindvoering bedroeg de schuldenlast volgens eigen opgaaf € 7.294,32. Inmiddels staat in rechte vast dat hierbij € 21.644,12 moet worden opgeteld. Kortom: in iets minder dan drie jaar kan worden aangenomen dat de schuldenlast is afgenomen met € 5.154,30, waarbij kan worden opgeteld het bedrag dat dankzij de door [naam] getroffen en nagekomen betalingsregeling door CZ is kwijtgescholden, ergens in de orde van grootte van zeven duizend euro. Geen slecht resultaat gelet op de beperkte inkomsten van betrokkene en het hierop gelegde beslag. Echter, had hij niet willekeurig betalingsregelingen getroffen, maar betrokkene aangemeld voor een MSNP dan had ze wellicht inmiddels een schone lei gehad, terwijl zij nu nog gebukt gaat onder een schuldenlast van meer dan twintig duizend euro. De nieuwe bewindvoerder heeft de MSNP inmiddels opgestart. De vraag is of [naam] dat ook had moeten doen.
Uit de Nota van Toelichting bij artikel 3 lid 2 onderdeel b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren blijkt dat een bewindvoerder recht heeft op de verhoogde beloning voor problematische schulden en dat deze verhoogde beloning onder meer ziet op het stabiliseren van problematische schuldsituaties, het toeleiden tot een minnelijke schuldhulpverlening (schuldenoverzicht opstellen, begeleiden op intakegesprek bij gemeentelijke schuldhulpverlener) of WSNP (informatie verschaffen aan WSNP-bewindvoerder, toelatingszitting bijwonen). Kortom: [naam] had betrokkene moeten toeleiden tot een MSNP of WSNP en heeft dit nagelaten. Hij is daarom in de zorg van een goed bewindvoerder te kort geschoten, wat betekent dat hij aansprakelijk is jegens betrokkene (art. 1:444 BW) . De verzochte verklaring voor recht kan dus worden afgegeven. Verder kan de kantonrechter de schade ambtshalve vaststellen en [naam] veroordelen tot vergoeding daarvan aan betrokkene (art. 1:445 lid 5 jo. 1:362 BW) .
Moet [naam] een vergoeding betalen voor materiële schade?
Ten aanzien van de verzochte schadevergoeding voor geleden materiële schade geldt het volgende: er zal een vergelijking moeten worden gemaakt tussen de situatie dat tijdig een MSNP was aangevraagd en de huidige situatie. Wat had betrokkene in het eerste geval betaald en wat betaalt betrokkene in de huidige situatie? Het verschil tussen beide is de schadevergoeding die [naam] aan betrokkene zou moeten betalen.
Het is vooralsnog echter geheel onduidelijk welk bedrag hieraan gekoppeld moet worden. Als ze tijdig was aangemeld voor een MSNP, was die dan geëindigd met een schone lei en zo ja, per wanneer? Als ze tijdig was aangemeld voor een MSNP en die succesvol zou zijn afgesloten, wat had ze dan moeten afdragen aan schuldeisers? Zou een prognose- of een saneringskrediet zijn aangeboden en welke afdrachten zouden daarmee gemoeid zijn? Of had ze moeten worden aangemeld voor een WSNP en wat was de kans van slagen geweest van zo een verzoek en, als ze was toegelaten, zou ze zich hebben kunnen houden aan de verplichten en, zo ja, wanneer zou de schone lei in dat geval zijn verleend? Al met al behoorlijk wat vragen waarop eerst duidelijkheid dient te komen. Dit is de reden dat de kantonrechter ervoor kiest geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om ambtshalve de schade vast te stellen en betrokkene haar schade zal moeten vorderen bij de civiele rechter.
Moet [naam] een vergoeding betalen voor immateriële schade?
Ten aanzien van de verzochte schadevergoeding voor geleden immateriële schade geldt het volgende. Zelfs als in het voordeel van betrokkene wordt aangenomen dat er meer dan € 35,- per week aan leefgeld had moeten worden uitgekeerd en dat zij onheus is bejegend, ligt de verzochte schadevergoeding niet voor toewijzing gereed. In artikel 6:106 BW staat voor zover van belang dat iemand recht heeft op immateriële schadevergoeding indien diegene in diens persoon is aangetast. Het lijkt dat betrokkene haar verzoek hierop grondt, want van de andere omstandigheden die recht geven op een immateriële schadevergoeding (oogmerk toebrengen immaterieel nadeel, lichamelijk letsel opgelopen, eer of goede naam geschaad, aantasting nagedachtenis overledene) is geen sprake.
Een zekere terughoudendheid is op zijn plaats en niet alles wat een persoon onaangenaam raakt, kan worden aangemerkt als persoonsaantasting. Wat in ieder geval wel een zodanige aantasting oplevert is wanneer een benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, maar dan moeten voldoende concrete gegevens worden aangevoerd waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (zie onder meer ECLI:NL:HR:2019:376). Hiervan is in principe pas sprake bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (zie onder meer ECLI:NL:HR:2002:AD5356). Geestelijk letsel is niet altijd een vereiste, bijvoorbeeld als de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de in dat verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2004:AO7721), waarvoor niet voldoende is de enkele inbreuk op een fundamenteel recht (zie onder meer ECLI:NL:HR:2019:376).
In dit geval draait het om een ervaren onprettige bejegening en het (onregelmatig) uitkeren van een zeer beperkt bedrag aan leefgeld. Hiervan kan niet worden gezegd dat psychische schade zodanig voor de hand ligt dat geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven hoeft te worden aangetoond met concrete gegevens. Ook kan niet zonder meer worden geoordeeld dat fundamentele rechten zijn geschonden. Het verzoek om [naam] te veroordelen tot betaling van immateriële schade zal daarom, vanwege onvoldoende onderbouwing, worden afgewezen.
Wie moet de proceskosten betalen?
Aangezien [naam] is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van betrokkene begroot op (2 punten x € 288,- =) € 576,- aan salaris gemachtigde. Deze veroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu hierom niet is verzocht.
beslissing
De kantonrechter:
-
verklaart voor recht dat [naam] toerekenbaar is tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder in de zin van artikel 1:444 BW,
-
bepaalt dat betrokkene zich voor de vaststelling van een bedrag aan materiële schadevergoeding zal moeten richten tot de civiele rechter,
-
wijst het verzoek om [naam] te veroordelen tot betaling van de immateriële schade af,
-
veroordeelt [naam] in de proceskosten, tot vandaag aan de zijde van betrokkene begroot op € 576,-.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
