Essentie (gemaakt door AI)
Moeder stelt hoger beroep in tegen afwijzing van verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen en verzoekt toewijzing voor de resterende duur en een rechtmatigheidstoets op grond van art. 8 EVRM. Het hof oordeelt dat de verzochte periode al is verstreken, zodat moeder geen belang heeft bij toewijzing. Afwijzing OTS vormt geen inmenging in gezag of gezinsleven; verslechterd contact is niet rechtstreeks gevolg van de beslissing. Hoger beroep wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.| Datum publicatie | 08-04-2026 |
| Zaaknummer | 200.362.661/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
OTS afgewezen; geen belang bij een rechtmatigheidstoetsVolledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.661/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 328572)
beschikking van 31 maart 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.M. Verhaar te Zwolle,
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI),
die is gevestigd in Zwolle,
en
[belanghebbende] (de vader),
die woont in [woonplaats] .
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 21 februari 2025, van 30 mei 2025 en van 12 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ontvangen op 11 december 2025;
- de overige stukken van de moeder, ontvangen op 4 februari 2026;
- het verweerschrift van de GI;
- de overige stukken van de moeder, ontvangen op 25 februari 2026.
De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de vader.
3De feiten
De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
[de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2012 geboren.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
Bij beschikking van 30 april 2024 is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de vader bepaald en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de moeder.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven op dit moment grotendeels bij de vader. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank bij beschikking van 7 april 2025 de voorlopig vastgestelde zorg- en contactregeling (week op, week af) gewijzigd en inzake het recht van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders als regeling vastgesteld dat zij een weekend per veertien dagen bij hun moeder verblijven en dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld. De moeder is in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 7 april 2025. Het hoger beroep van de moeder, dat betrekking heeft op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, staat bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.356.683/01. In die zaak heeft het hof vandaag in een afzonderlijke beschikking beslist.
De kinderen stonden sinds 22 november 2024 (voorlopig) onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling duurde tot 21 september 2025.
4De omvang van het geschil
De raad heeft op 5 februari 2025 verzocht om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen van de GI voor de periode van een jaar.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 februari 2025 het verzoek van de raad gedeeltelijk toegewezen en de kinderen onder toezicht gesteld met ingang van 21 februari 2025 tot 21 augustus 2025 en de beslissing voor het overige aangehouden tot de behandeling van het verzoek tijdens de zitting van 1 augustus 2025. De op 1 augustus 2025 bepaalde mondelinge behandeling heeft geen doorgang kunnen vinden. In overleg met de advocaten en met instemming van de ouders heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling bij beschikking van 30 mei 2025 verleend tot 21 september 2025 en de beslissing voor het overige aangehouden tot de nieuw vastgestelde behandeling van het verzoek tijdens de zitting van 5 september 2025.
Bij de bestreden beschikking van 12 september 2025 heeft de kinderrechter het aangehouden verzoek van de raad voor de resterende duur van de termijn afgewezen.
De moeder is met negen grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grieven wil de moeder dat het hof opnieuw naar de zaak kijkt. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen dat het verzoek om ondertoezichtstelling van de kinderen -naar het hof begrijpt- alsnog voor het restant van de verzochte duur van een jaar wordt toegewezen.
5De motivering van de beslissing
Het hof acht de moeder ontvankelijk in haar verzoek, maar stelt vast dat de moeder geen belang heeft bij toewijzing van het verzoek.
Het hof stelt in de eerste plaats vast dat de termijn van een eventuele verlening van de ondertoezichtstelling voor de resterende duur, te weten van 21 september 2025 tot 21 februari 2026, op 20 februari 2026 is verlopen. Hierdoor heeft het alsnog toewijzen van het verzoek tot ondertoezichtstelling voor de resterende duur geen praktisch gevolg en heeft de moeder daarbij geen belang.
Namens de moeder is verzocht om een rechtmatigheidstoets met verwijzing naar artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) , waarin het recht op eerbiediging van het gezinsleven is vastgelegd. Ter toelichting heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling op 3 maart 2026 te kennen gegeven dat zij belang heeft bij deze rechtmatigheidstoets omdat zij het niet eens is met de overweging van de kinderrechter dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen meer is. Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling door de kinderrechter is afgewezen, is het contact tussen de moeder en de kinderen steeds slechter geworden, hetgeen volgens de moeder een inmenging betekent in het gezinsleven van de moeder en de kinderen.
Het hof volgt de moeder hierin niet. De afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen betekent, anders dan een toewijzing van een dergelijk verzoek, geen inmenging in het gezag van de moeder of het gezinsleven van de moeder en de kinderen. De omstandigheid dat het contact tussen de moeder en de kinderen wellicht slechter is geworden na de bestreden beslissing is geen rechtstreeks aan die beslissing toe te schrijven gevolg en rechtvaardigt niet een rechtmatigheidstoets.
Uit het bovenstaande volgt dat de moeder geen belang heeft bij het hoger beroep. Het hof zal het hoger beroep daarom afwijzen wegens gebrek aan belang.
6De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. L. van Dijk en mr. H. Mollema - de Jong, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
