Rechtbank Amsterdam 20-03-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3005

Essentie (gemaakt door AI)

Kinderalimentatie. Verzoek van man om bijdrage van vrouw voor zorgkosten wordt afgewezen. Toegewezen wordt het verzoek van de vrouw: de man betaalt € 50 per kind per maand vanaf 16 juli 2025, geïndexeerd tot € 52,30 per kind per maand per 1 januari 2026. De rechtbank acht aannemelijk dat de man inkomsten kan verwerven (verdiencapaciteit, verhuur) dan wel dient in te teren op zijn aanzienlijke overwaarde; daarom geen draagkrachtberekening. Geen rekening met gestelde onderhoudsplicht jegens jongmeerderjarige zoon wegens onvoldoende onderbouwing.

Datum publicatie07-04-2026
ZaaknummerC/13/769172 / FA RK 25-3569
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Interen op vermogen bij netto besteedbaar inkomen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kinderalimentatie. Afwijzing verzoek tot kinderalimentatie aan niet-verzorgende ouder. De rechtbank bepaalt dat de man aan de vrouw € 50,- per kind per maand dient te voldoen (geïndexeerd € 52,30 per kind per maand) nu de man wordt geacht om over voldoende vermogen/inkomsten te kunnen beschikken dan wel redelijkerwijze kan worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen. De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om een draagkrachtberekening te maken.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/769172 / FA RK 25-3569

Beschikking van 20 maart 2026 betreffende vaststelling kinderbijdrage

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.M. Uittenhout, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.F. Kevenaar, gevestigd te Almere.

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 24 juni 2025 is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met de kinderen naar Madagaskar af te reizen in de periode van 17 juli 2025 tot en met 12 augustus 2025. Iedere verdere beslissing, met betrekking tot de verzoeken over de hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie, is aangehouden.

1.2.

Bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 8 juli 2025 is bepaald dat:

- de kinderen iedere week van maandag uit school tot woensdag naar school bij de man verblijven alsmede eenmaal per vier weken van vrijdag uit school tot woensdag naar school;

- indien de man voor een periode naar het buitenland is geweest de regeling wordt hervat alsof de man niet is weggeweest;

- de man de woning niet zal verhuren in de weekenden dat de kinderen bij hem verblijven;

- de verdere behandeling van het alimentatieverzoek pro forma wordt aangehouden in afwachting van het verweerschrift van de vrouw;

- het meer of anders verzochte ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de inschrijving in het BRP en de zorgregeling wordt afgewezen.

1.3.

Bij de beoordeling van de kinderalimentatie gaat de rechtbank uit van de volgende stukken:

- het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingekomen op 19 juni 2026;

- het verweerschrift van de vrouw, tevens houdende een zelfstandig verzoek kinderalimentatie, ingekomen op 16 juli 2025;

- het verweerschrift van de man op het zelfstandige verzoek van de vrouw, ingekomen op 10 september 2025;

- het F9-formulier van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 21 november 2025;

- het F9-formulier van de man met bijlagen, ingekomen op 16 februari 2026.

1.4.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren is voortgezet op 25 februari 2026. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.5.

Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

2De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd begin 2025. Partijen hebben tot eind 2024 samengewoond.

2.2.

Uit deze relatie zijn geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019.

2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de man en partijen oefenen gezamenlijk het gezag over hen uit.

2.4.

De man heeft nog vijf (meerderjarige) kinderen uit een eerdere relatie:

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 1999 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2000 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedag 5] 2003 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 6] , geboren op [geboortedag 6] 2005 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 7] , geboren op [geboortedag 7] 2008 te [geboorteplaats] .

3Het verzoek en het verweer

3.1.

Ter beoordeling en beslissing liggen nog de navolgende verzoeken voor.

3.2.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw aan hem een bedrag van € 283,50 per kind per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, dan wel een bedrag zoals de rechtbank juist acht, met ingang van 19 juni 2025, zijnde de datum van het (zelfstandig) verzoek, dan wel met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.3.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de man. Zelfstandig verzoekt de vrouw te bepalen dat de man een bedrag van € 50,- per kind per maand dient te betalen aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van 8 juli 2025, dan wel met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4De beoordeling

Bijzondere omstandigheden

4.1.

De rechtbank gaat niet mee in het verweer van de vrouw dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen nu hij geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan de vrouw een bijdrage aan de man dient te betalen voor de kosten van de kinderen wanneer zij bij hem verblijven. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

Doorgaans wordt kinderalimentatie betaald aan de ouder bij wie een kind zijn/haar hoofdverblijfplaats heeft. Daarbij is het uitgangspunt dat de ouder waar het kind in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven, alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt en dat de andere ouder (de zogenoemde niet-verzorgende ouder) de kosten die samenhangen met het verblijf bij hem/haar (de zogenoemde zorgkosten) voor zijn/haar rekening neemt. Onder omstandigheden kan de niet-verzorgende ouder in aanmerking komen voor een bijdrage in de zorgkosten door de verzorgende ouder. Zo’n situatie doet zich bijvoorbeeld voor als de niet-verzorgende ouder onvoldoende draagkracht heeft om de zorgkosten van het kind te voldoen. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de niet-verzorgende ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, tegenover de verzorgende ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met de verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte (artikel 1:397 leden 1 en 2 BW en artikel 1:404 lid 1 BW) . Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden (zie ECLI:NL:HR:2022:1924).

4.3.

Aldus gaat de rechtbank voorbij aan dit verweer van de vrouw en zal zij hierna beoordelen in welke mate partijen kunnen voorzien in de behoefte van de kinderen en in hoeverre de man in aanmerking komt voor een bijdrage in zijn zorgkosten.

De conclusie

4.4.

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 50,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 16 juli 2025. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

De ingangsdatum

4.5.

De rechtbank dient allereerst te beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging daarvan (artikel 1:402 BW) . Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.

4.6.

De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum waarop de vrouw haar zelfstandige verzoek tot vaststelling kinderalimentatie heeft ingediend, zijnde 16 juli 2025. Naar het oordeel van de rechtbank kon en moest de man er vanaf dit moment in redelijkheid rekening mee houden dat door de rechtbank een kinderalimentatie zou worden vastgesteld. De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van de stelling van de man ten aanzien van de ingangsdatum aangezien de rechtbank zal bepalen dat de man een kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen.

De behoefte van de kinderen

4.7.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen vast op een bedrag van € 1.318,- per maand, zijnde € 659,- per kind per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.

4.8.

De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2024, omdat partijen in dat jaar uit elkaar zijn gegaan.

4.9.

Voor het inkomen van de man in 2024 gaat de rechtbank uit van de aangifte Inkomstenbelasting over 2024, waarop een belastbaar inkomen uit werk en woning staat vermeld van € 13.593,- bruto per jaar. Verder wordt er rekening gehouden met de algemene heffingskorting. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedroeg dan in 2024 € 754,- per maand.

4.10.

Voor het inkomen van de vrouw in 2024 gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst vóór ondernemersaftrek over 2023 en 2024 van € 68.049,- (€ 72.976,- (bestaande uit € 10.118,- + € 62.858,-) + € 63.122,- (bestaande uit € 53.369 + € 9.573) / 2). Verder wordt er rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het NBI van de vrouw bedroeg dan in 2024 € 4.124,- per maand.

4.11.

Naast hun eigen inkomsten ontvingen partijen in 2024 een kindgebonden budget van € 263,- per maand.

4.12.

Uit het hiervoor vermelde volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2024
€ 5.141,- per maand bedroeg.

4.13.

Nu de rechtbank weet wat partijen te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat partijen bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.141,-, gemiddeld € 1.238,- per maand uitgaven voor hun kinderen in 2024, dus per kind € 619,-. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 1.318,- per maand, zijnde € 659,- per kind per maand.

Samenloop van onderhoudsverplichtingen

4.14.

De man stelt dat hij ook onderhoudsplichtig is voor een jongmeerderjarige zoon uit een eerdere relatie (hierna [minderjarige 7] ) en dat zijn draagkracht dient te worden verdeeld over drie kinderen. De behoefte van [minderjarige 7] moet worden vastgesteld op € 60,- per maand. De man stelt verder dat de moeder van [minderjarige 7] geen alimentatie aan de man betaalt.

4.15.

De vrouw voert aan dat er geen rekening gehouden moet worden met de behoefte van [minderjarige 7] nu de man geen stukken ter onderbouwing van zijn stelling heeft ingediend.

4.16.

De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de man ook voor [minderjarige 7] onderhoudsplichtig is ondanks dat [minderjarige 7] inmiddels jongmeerderjarig is tenzij hij (gedeeltelijk) in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank zal echter de samenloop van de onderhoudsverplichtingen buiten beschouwing laten. De rechtbank komt tot deze beslissing nu de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft gesteld en (met verificatoire bescheiden heeft) onderbouwd dat en op welke wijze zijn onderhoudsplicht ten opzichte van [minderjarige 7] van invloed is op de draagkracht die hij beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zo heeft de man niet de benodigde inkomensgegevens van [minderjarige 7] en zijn moeder overgelegd dan wel een berekening gemaakt waaruit het door hem gestelde bedrag volgt. Evenmin is de rechtbank gebleken in hoeverre daarin door [minderjarige 7] zelf wordt voorzien dan wel welke bijdrage de moeder van [minderjarige 7] hierin kan voldoen. Gelet op haar onderhoudsverplichting dient ook zij een bijdrage te leveren in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 7] , temeer nu de man heeft gesteld dat zij een (geschat) inkomen heeft van ongeveer € 2.000,- bruto per maand. De rechtbank is aldus, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er geen rekening dient te worden gehouden met de behoefte van [minderjarige 7] .

De draagkracht van de ouders

4.17.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien (artikel 1:397 lid 2 BW) . Bij de bepaling van de draagkracht van de ouders komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij of zij verwerft (het feitelijke inkomen), maar gaat het ook om het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven (een fictief inkomen). Bovendien kan in bijzondere omstandigheden van een alimentatieplichtige worden verlangd dat hij inteert op zijn aanwezige vermogen (HR 27 maart 1992, NJ 1992, 395). Het antwoord op de vraag, of in een concreet geval kan worden gevergd dat de alimentatieplichtige inteert op zijn vermogen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat een onderhoudsplichtige, gelet op diens dringende onderhoudsverplichting, de belangen van de kinderen in acht dient te nemen, indien hij/zij keuzes maakt die zijn/haar draagkracht negatief kunnen beïnvloeden (zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5790).

De draagkracht van de man

4.18.

Tussen partijen is de draagkracht van de man in geschil. De vrouw stelt dat er rekening moet worden gehouden met de verdiencapaciteit van de man. Hij is namelijk in staat om voldoende draagkracht te genereren om in de verblijfskosten van de kinderen te voorzien. Zo heeft de man meer huurinkomsten dan uit zijn jaarstukken blijkt. Volgens de vrouw moet er rekening worden gehouden met € 884,- huurinkomsten netto per maand. Daarnaast dient er uitgegaan te worden van een fictief inkomen omdat de man wel kan werken maar hij ervoor kiest dit niet te doen. De man zou, inclusief inkomsten uit verhuur, per jaar € 46.500,- aan inkomen kunnen generen dan wel naast de huurinkomsten € 2.800,- bruto per maand te verhogen met vakantiegeld. Een andere mogelijkheid voor de man om de verblijfskosten te voldoen, is door zijn hypotheekkrediet te benutten of te verhogen. In plaats van zijn krediet te besteden aan reizen, zoals de man nu doet, kan hij dit ook gebruiken om aan zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen te voldoen. De man gaat namelijk gedurende vier maanden per jaar op vakantie, onder meer naar Madagaskar, waar hij in hotels verblijft en veel geld uitgeeft aan vliegtickets. Op die momenten draagt de vrouw de volledige zorg voor de kinderen. De woning van de man heeft per 1 januari 2025 een WOZ-waarde van € 1.558.000,-. Daar staat een relatief zeer geringe hypotheeklast tegenover. In de gegeven omstandigheden vindt de vrouw het schokkend dat de man zelfs voor een gezin van vier personen bij de Voedselbank staat ingeschreven en dat hij op toevoeging procedeert, terwijl de vrouw alle advocaatkosten zelf moet dragen.

4.19.

De man voert aan dat er moet worden uitgegaan van zijn feitelijke inkomenssituatie. Hij heeft de afgelopen veertien jaar niet heeft gewerkt, mede vanwege de zorg die hij had voor zijn drie ongeneselijk zieke kinderen. De man zag uiteindelijk de mogelijkheid om zijn woning via Airbnb te verhuren, hetgeen hem doorgaans een inkomen opleverde ter hoogte van het minimumloon. De man heeft verder een gebrek aan recente werkervaring, hij heeft geen opleiding afgemaakt en is inmiddels negenenvijftig jaar oud. Dit brengt met zich mee dat hij geen verdiencapaciteit heeft. De man staat gelet op zijn inkomenspositie ook ingeschreven bij de Voedselbank. Daar wordt immers geen rekening gehouden met de eventuele overwaarde van een eigen woning. Daarbij komt de intensieve zorg die de man nog steeds voor [minderjarige 7] draagt. Het is voor de man geen mogelijkheid om zijn Keuzeplushypotheek te verhogen door het doen van opnames (krediet) nu de man daarmee zijn schuld en woonlasten verhoogt, hetgeen zal leiden tot financiële problemen. Mocht de rechtbank met een fictieve verdiencapaciteit rekening houden, dan dient dit bedrag volgens de man te worden gemaximeerd op een maandelijks inkomen van € 1.994,55 (minimumloon). Ook zal de man dan stoppen met de verhuur van zijn woning nu dit een ernstige inbreuk op zijn privacy vormt en slechts als ultimum remedium is ingezet.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat, op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, de man de door de vrouw verzochte bijdrage van € 100,- per maand, zijnde € 50,- per kind per maand, in redelijkheid kan en dient te voldoen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.21.

Op de man rust, vanwege een onderhoudsverplichting jegens de kinderen, een inspanningsverplichting. Daarmee wordt er van de man verwacht dat hij zijn uiterste best doet om inkomsten te genereren zodat hij (gedeeltelijk) in de behoefte van de kinderen kan voorzien. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank hier ook ruim voldoende mogelijkheden toe. Zo kan er van de man, gelet op zijn onderhoudsverplichting, worden verlangd dat hij gaat werken om de kinderen te kunnen onderhouden – net zoals de vrouw dat doet. Dat de man geen recente werkervaring heeft en dat hij – naast het voortgezet wettenschappelijk onderwijs – geen opleiding heeft afgemaakt en inmiddels op leeftijd is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De man heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat hij niet in staat is om te werken. De man heeft de stelling van de vrouw, dat hij in de IT zou kunnen werken omdat hij daar heel handig mee is, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. Verder heeft de man tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij in het verre verleden een eigen marketingbureau heeft gehad en heeft hij benadrukt dat hij erg intelligent is. Naar het oordeel van de rechtbank is onder deze gegeven omstandigheden voldoende aannemelijk dat de man passend werk kan vinden indien hij daarvoor enige moeite had gedaan en zou gaan doen. Voor zover de man dit nalaat, komt dat voor zijn eigen rekening en risico en is dit een keuze van de man die niet op de kinderen mag worden afgewenteld en ten koste mag gaan van de voor hen benodigde kinderalimentatie. Overigens heeft de man ook tijdens de mondelinge behandeling zelf geopperd dat hij als fietskoerier aan de slag zou kunnen gaan. Nadien merkte de man op dat hij dit werk op dit moment niet kan doen omdat hij last heeft van zijn rug. De rechtbank acht dit, mede gelet op zijn leeftijd ook een minder realistische optie. Het is de rechtbank verder niet gebleken op welke wijze [minderjarige 7] nog afhankelijk is van de verzorging van de man en of/hoe dit de man zou beperken indien hij in loondienst werkzaam is.

Daarnaast heeft de man de mogelijkheid om zijn woning vaker te verhuren waardoor extra gelden beschikbaar komen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat hij zestien weken per jaar in het buitenland verblijft – waaronder op Madagaskar – en dat hij gedurende die periode zijn woning verhuurt via Airbnb. Uit de door de man overgelegde productie 10 is de rechtbank gebleken dat de man over de afgelopen maanden zijn woning – tegen een gemiddelde prijs van € 978,- per nacht – slechts vier nachten heeft verhuurd. Aldus kan de man ook op dit punt zijn inkomsten vergroten.

Tot slot heeft de man naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid om in te teren op zijn vermogen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2025 € 1.558.000,- bedraagt. Uit productie 7 van de man (aangifte Inkomstenbelasting 2024) leidt de rechtbank af dat de man op 31 december 2024 drie hypothecaire geldleningen had ter hoogte van in totaal € 446.535,-. Daarmee bedroeg de overwaarde van de woning van de man op 1 januari 2025 € 1.111.465,-. Gelet op de huidige woningmarkt zal de waarde van de woning in 2025 opnieuw zijn gestegen, zodat het vermogen van de man opnieuw is toegenomen. Voor de man is het aldus niet problematisch om extra op te nemen uit de hypotheek en in de praktijk maakt de man ook gebruik van die mogelijkheid. Het vermogen wordt immers momenteel ook door de man aangewend om zestien weken per jaar te reizen en in hotels te verblijven. Daarbij maakt de man de keuze om zijn vermogen wel te verhypothekeren om dit aan reizen/vakanties te besteden, maar niet aan de kinderen. Daar staat tegenover dat de vrouw slechts een zeer geringe bijdrage (7,5% van de totale behoefte van de kinderen) verzoekt. De slotsom is dan ook dat de man wordt geacht om over voldoende vermogen/inkomsten te kunnen beschikken dan wel dat van hem redelijkerwijze kan worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen teneinde de verzochte bescheiden kinderbijdrage te voldoen. In de gegeven omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om nog een draagkrachtberekening te maken.

4.22.

Met inachtneming van het voorgaande moet de man aldus in staat worden geacht om de verblijfskosten van de kinderen te voldoen alsmede de door de vrouw verzochte bijdrage van € 50,- per kind per maand. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.

4.23.

Gelet op bovenstaande beoordeling ten aanzien van de draagkracht van de man komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de draagkracht van de vrouw, de verdeling van de kosten van de kinderen en de zorgkorting.

Indexering

4.24.

De rechtbank verhoogt de kinderalimentatie per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering. De kinderalimentatie bedraagt dan per 1 januari 2026 € 52,30 per kind per maand.

Alimentatie vooruitbetalen

4.25.

De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.26.

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht.

Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

beslist dat de man vanaf 16 juli 2025 een bedrag van € 50,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en dat de man vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 52,30 per kind per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen;

5.2.

beslist dat de man vanaf heden deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

5.3.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. Terwee, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 20 maart 2026. 1

1

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733