Rechtbank Midden-Nederland 20-02-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1097

Essentie (gemaakt door AI)

GI verzoekt op grond van art. 1:262b BW te beslissen over een geschil met het college en te bepalen dat financiering voor inzet van Praktijk Verbindend voor [minderjarige] wordt toegezegd. Kinderrechter oordeelt dat de geschillenregeling niet ziet op de rechtsverhouding tussen GI en college; Boek 1 BW regelt deze verhouding niet en het gaat niet om gesloten jeugdzorg. Bestuursrecht of overeenkomstenrecht is aangewezen. GI is niet-ontvankelijk. Het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad blijft onbesproken.

Datum publicatie07-04-2026
ZaaknummerC/16/605925 / JE RK 26-113
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsUtrecht
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; 1:262b BW Geschillenregeling OTS
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

De GI verzoekt ogv art. 1:262b BW te beslissen over een geschil en verzoekt te bepalen dat het college van B&W financiering toezegt voor specialistische hulpverlening. Beslissing: niet ontvankelijk , omdat boek 1 deze rechtsverhouding niet regelt.

Volledige uitspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/16/605925 / JE RK 26-113

Datum uitspraak: 20 februari 2026

Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling

in de zaak van

De gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd in Utrecht,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bunschoten-Spakenburg,

hierna te noemen: het college,
advocaat: mr. A.C. Beijering-Beck.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

MetMaya, gevestigd in Amersfoort,

hierna te noemen: MetMaya,

Praktijk Verbindend, gevestigd in Oosterdijk,
hierna te noemen: Praktijk Verbindend,

Het Regionaal Expertise Team, gevestigd in Amersfoort,
hierna te noemen: het RET.

De Raad voor de Kinderbescherming was aanwezig in haar adviserende rol.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;

  • het bericht van de GI met bijlagen van 13 februari 2026;

  • het bericht van het college van 16 februari 2026;

  • het bericht van MetMaya van 16 februari 2026.

In de oproepen voor de zitting staat vermeld dat op de zitting in ieder geval aandacht besteed zal worden aan de vraag of dit verzoek in de geschillenregeling kan worden gedaan.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • [A] , [B] , [C] en [D] als vertegenwoordigers van de GI;

  • [E] als vertegenwoordiger van het college, met advocaat mr. E.E. Schmitt-Hoogeterp, waarnemend voor mr. A.C. Beijering-Beck;

  • [F] als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad;

  • [G] en [H] als vertegenwoordigers van MetMaya.

Bijzondere toegang tot de zitting is verleend aan mr. F. Wildekamp, een kantoorgenoot van de advocaat. De moeder en het RET zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.

1.3.

De advocaat van het college heeft op zitting pleitaantekeningen overgelegd en die gedeeltelijk voorgelezen. Na de zitting heeft de advocaat de pleitaantekeningen digitaal ingediend.

2De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft in een vakantiechalet in Doorn.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 oktober 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI. De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 januari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot 1 juli 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 oktober 2025 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen. Bij beschikking van 2 januari 2026 is de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor een verblijf in een gehuurde woonlocatie (vakantiechalet) met 24/7 hulpverlening tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot 1 juli 2026.

3Het verzoek

3.1.

De GI heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zij vraagt de kinderrechter op grond van artikel 1:262b BW te beslissen dat de financiering voor de inzet van Praktijk Verbindend voor [minderjarige] wordt toegezegd. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Bij [minderjarige] is er sprake van complexe psychiatrie, waarbij zij suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag laat zien. Eerder is [minderjarige] (zowel vrijwillig als middels een zorgmachtiging) meermaals klinisch opgenomen geweest. De beoordeling van artsen en de betrokken psychiater was en is dat klinische opnames de situatie van [minderjarige] erger maken. MetMaya is bij aanvang van de voorlopige ondertoezichtstelling al betrokken bij [minderjarige] voor de benodigde inzet van de jeugdhulp en het verblijf. Al snel is gebleken dat er geen jeugdzorgorganisatie is die [minderjarige] kan opnemen. De contra-indicaties zijn de psychiatrische problematiek, de suïcidaliteit en het zelfbeschadigend gedrag dat [minderjarige] laat zien.

3.3.

Sinds aanvang van de voorlopige ondertoezichtstelling verblijft [minderjarige] met een machtiging tot uithuisplaatsing in een vakantiewoning (chalet), onder toezicht van twee zorgbeveiligers. De vakantiewoning wordt telkens met korte periodes verlengd en [minderjarige] heeft al vele keren van huisje en/of vakantiepark moeten wisselen omdat een passende plek, waarbij zowel verblijf als behandeling aanwezig is, tot op heden ontbreekt in het aanbod van de gespecialiseerde hulp. Deze onduidelijkheid en onzekerheid verhoogt de spanning bij [minderjarige] . De psychiater is van oordeel dat behandeling onder deze omstandigheden voor [minderjarige] niet mogelijk is, omdat er onvoldoende zekerheid en perspectief is. Hierdoor stagneert [minderjarige] blijvend in haar ontwikkeling. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] is deze situatie zeer zorgelijk. De afgelopen periode heeft MetMaya hard gezocht naar een alternatief voor de huidige omstandigheden. Er zijn uiteindelijk drie opties overgebleven: De Schakels, Praktijk Verbindend of het voortzetten van het verblijf van [minderjarige] in vakantiewoningen. De eerste optie is komen te vervallen en het voortzetting van het verblijf in vakantiewoningen is niet passend.

3.4.

De GI acht het noodzakelijk dat er een toezegging komt om te starten met het aanbod van Praktijk Verbindend. Er hebben verschillende overleggen plaatsgevonden tussen de GI, MetMaya en de gemeente Bunschoten. De zorg vanuit de gemeente met betrekking tot de inzet van Praktijk Verbindend ziet met name op financiën. Daarnaast heeft MetMaya op 21 januari 2026 aan de GI laten weten dat zij, in tegenstelling tot daarvoor, toch met een behandelaanbod voor [minderjarige] kunnen komen: de gemeente kan een woonruimte huren in Eemdijk voor maximaal zes maanden en MetMaya kan hulp inzetten. De GI vindt het aanbod van Praktijk Verbindend echter passender bij de complexe problematiek van [minderjarige] dan het voorstel vanuit MetMaya. De problematiek van [minderjarige] vraagt namelijk om een maatwerkaanbod dat binnen de huidige specialistische zorg van MetMaya niet te realiseren is. Het aanbod van Praktijk Verbindend zorgt ervoor dat er met [minderjarige] gewerkt kan worden aan stabilisatie, dat er behandeling kan plaatsvinden en dat er door de (hopelijk) hervonden stabiliteit mogelijkheden ontstaan voor het doorstromen naar een WMO-voorziening, gezien de leeftijd van [minderjarige] . De verwachting is dat de contra-indicaties zoals suïcidaliteit en automutilatie dan niet langer op de voorgrond staan.

3.5.

De GI is van mening dat dit geschil onder de geschillenregeling valt omdat het de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft. De gemeente is gehouden betaling toe te zeggen van door de GI nodig geachte zorg

4Het standpunt van het college

4.1.

Het college verzoekt de kinderrechter om de GI primair niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek en subsidiair het verzoek af te wijzen De geschillenregeling van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek is namelijk niet bedoeld voor geschillen over een passende jeugdhulpaanbieder en de financiering daarvan tussen de Gl enerzijds en de gemeente anderzijds. De kinderrechter kan om die reden niet toewijzen wat is gevorderd, namelijk een aanwijzing van de gemeente (het college) tot betaling van de zorg door een bepaalde zorgaanbieder. Verder heeft de advocaat tijdens de zitting naar voren gebracht dat het huidige voorstel van hulpverlening het beste is voor [minderjarige] . Het is onjuist dat financiële overwegingen een rol hebben gespeeld bij deze keuze. Daarnaast zou het college de zitting graag willen gebruiken om in gesprek te gaan met de GI en MetMaya, hopende dat zij samen alsnog tot een oplossing kunnen komen. Het doel is om een passend plan voor [minderjarige] overeen te komen waarin de zorgverlening aan [minderjarige] zo spoedig mogelijk voor de langere termijn wordt ingericht, binnen een voor haar fijne woning, gericht op continuïteit van de zorg door de voor haar bekende zorgverleners, zodat zij voelt dat zij door het systeem gedragen wordt: in de komende vijf maanden tot haar achttiende, maar ook daarna.

5De beoordeling


Geen overeenstemming mogelijk

5.1.

Ter zitting is gebleken dat alle aanwezigen van mening zijn dat het meest in het belang van [minderjarige] is om op de zitting tot overeenstemming te komen. De kinderrechter heeft daarom, nog voordat een beslissing over de ontvankelijkheid genomen was, partijen in de gelegenheid gesteld in onderling overleg, overeenstemming te bereiken over een plan voor [minderjarige] . Dat is niet gelukt. De kinderrechter stelt dan ook vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is.
Niet ontvankelijk

5.2.

De kinderrechter zal de GI niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek. Hierna zal de kinderrechter deze beslissing uitleggen.

5.3.

Op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter worden voorgelegd, de zogenoemde geschillenregeling. De kinderrechter is – anders dan de GI en de Raad – van oordeel dat het verzoek van de GI niet valt onder de reikwijdte van de geschillenregeling. In Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek staan de rechtsverhoudingen tussen de GI enerzijds en ouders, kinderen, pleegouders en ingezette jeugdhulpaanbieders anderzijds centraal. In deze bepaling wordt het college niet genoemd. De kinderrechter kan enkel een verzoek ten aanzien van het college beoordelen dat ziet op een gesloten jeugdzorg maatregel over een individuele jongere, omdat de jeugdwet daarvoor expliciet de kinderrechter aanwijst. Het onderhavige geschil gaat niet over een vraag in de context van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of gesloten jeugdzorg, maar over een meningsverschil tussen de GI en het college (de gemeente) als verantwoordelijke over de betaling van een jeugdzorginterventie. Op deze verhouding tussen de GI en het college is hetzij het bestuursrecht, hetzij het overeenkomstenrecht van toepassing en dus niet artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek. Voorgaande betekent dat de kinderrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de GI.

Overweging ten overvloede

5.4.

De kinderrechter constateert dat de hulp- en zorgverlening helaas de afgelopen jaren niet in staat is gebleken passende zorg te leveren voor [minderjarige] . De kinderrechter heeft gehoord dat alle aanwezigen zich met passie inzetten voor [minderjarige] en het beste voor haar willen. De kinderrechter hoopt dat betrokkenen nader met elkaar in overleg zullen treden om de toekomst voor [minderjarige] ook na haar meerderjarigheid zo goed mogelijk vorm te geven. Er is in elk geval overeenstemming over de wenselijkheid over het voortzetten van de betrokkenheid van Fornhese-GGZ Centraal voor [minderjarige] . De kinderrechter overweegt dat het daarnaast helpend kan zijn om de mogelijkheden van mentorschap, bewindvoering, en eventueel een ambulante zorgmachtiging voor [minderjarige] te onderzoeken.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verklaart de GI niet ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026 door
mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.R. Stoffels als griffier, en op schrift gesteld op 11 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. 1



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733