Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-04-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2555

Essentie (gemaakt door AI)

Strafvonnis waarin belaging van ex-partner gedurende 1 oktober 2024 tot en met 15 juli 2025 bewezen is verklaard op basis van bekentenis en aangifte. Vrijspraak voor onderdelen verschijnen bij werk en contact familie/vrienden, en voor bedreiging wegens gebrek aan toerekenbare gerichtheid. Bij strafoplegging weegt rechtbank persoonlijke omstandigheden en reclasseringsadvies mee. Oplegging taakstraf 200 uur, waarvan 100 uur voorwaardelijk, met proeftijd 3 jaar, meldplicht, contactverbod en locatieverbod. TUL van eerdere voorwaardelijke taakstraf toegewezen.

Datum publicatie03-04-2026
Zaaknummer02-216730-25
ProcedureOp tegenspraak
ZittingsplaatsMiddelburg
RechtsgebiedenStrafrecht
TrefwoordenOverig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verdachte heeft zijn ex-partner belaagd door gedurende een periode van tien maanden obsessief veelvuldig berichten te sturen. Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft niet gehandeld vanuit een pro-criminele houding, maar eerder vanuit onmacht. De straf moet met name een een stevige stok achter de deur bieden om herhaling te voorkomen. De rechtbank acht een taakstraf van 200 uur te vervangen door 100 dagen hechtenis waarvan 100 uur te vervangen door 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en aftrek van het voorarrest passend en geboden. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de taakstraf worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering met daarbij een locatieverbod.

Volledige uitspraak


Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-216730-25

Parketnummer TUL: 02-283035-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1989,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [woonadres] ,

raadsman mr. S.M. van der Want, advocaat te Middelburg.

1Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. In ‘t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging en bedreiging van [aangeefster] .

3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft belaagd in de periode vanaf 1 oktober 2024 tot en met 15 juli 2025. Niet bewezen kan worden dat de belaging heeft bestaan uit het verschijnen bij het werk en het opnemen van contact met vrienden. Hiervan dient verdachte partieel te worden vrijgesproken. Daarnaast acht de officier van justitie de onder 2 ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

Feit 1 – Belaging

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

  • De bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 23 maart 2026;

  • Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] van 26 juni 2025.

Ten aanzien van de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat de door aangeefster aangeleverde berichten dateren van oktober 2024. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om vast te stellen dat de belaging daarvoor al was gestart. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de belaging in de periode vanaf 1 oktober 2024 tot en met 15 juli 2025 heeft plaatsgevonden.

Verdachte zal, vanwege het ontbreken van bewijs, worden vrijgesproken van het verschijnen bij het werk van aangeefster en het contact opnemen met haar familie en vrienden.

Feit 2 – Bedreiging

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 26 mei 2025 in [plaats 1] een gesprek heeft gehad met de casemanager van aangeefster. In dit gesprek heeft hij bedreigende uitlatingen gedaan. Uit de geuite bedreiging kan echter niet ondubbelzinnig de conclusie worden getrokken dat deze aan aangeefster zelf is gericht. Te meer nu verdachte niet eerder gewelddadig richting haar is geweest. De rechtbank zal verdachte om die reden vrijspreken van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
hij in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 15 juli 2025 te
[plaats 2] , gemeente Terneuzen, wederrechtelijk
stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] ,
door die [aangeefster] veelvuldig te bellen en berichten te sturen via whatsapp en
sms en facebook messenger en bij die [aangeefster] aan de deur te komen en
door de straat waar die [aangeefster] woonachtig is te rijden en kaarten te
brengen met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden
en/of vrees aan te jagen;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 188 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 200 uur te vervangen door 100 dagen hechtenis. Naast het contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden acht de officier van justitie noodzakelijk deze verboden ook als vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht. Het verzoek is deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de gevangenisstraf te matigen, gelet op de persoon van verdachte. Er dient rekening te worden gehouden met de licht verstandelijke beperking van verdachte en zijn belastbaarheid. Ten aanzien van de taakstraf verzoekt de verdediging deze primair geheel voorwaardelijk op te leggen vanwege de reeds opgestarte hulpverlening en het werk dat verdachte heeft. Subsidiair verzoekt de verdediging de taakstraf te matigen. Verdachte is bereid zich aan de bijzondere voorwaarden te houden. De verdediging acht het niet noodzakelijk het contact- en locatieverbod ook als vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, te meer nu dit niet door de reclassering is geadviseerd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich gedurende een periode van tien maanden schuldig gemaakt aan de belaging van zijn ex-partner [aangeefster] . Verdachte heeft gedurende deze periode veelvuldig en obsessief berichten aan haar gezonden en is langs haar woning gegaan. Uit de inhoud van de berichten blijkt dat verdachte het einde van de relatie niet goed kon verwerken en het niet kon verkroppen als aangeefster een nieuwe partner zou krijgen. Hierin is verdachte veel te ver gegaan. Met zijn handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid en levenssfeer van aangeefster en bij haar gevoelens van angst en onrust veroorzaakt.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het strafblad van verdachte van 9 februari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor belaging, maar zich wel al eens schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 5 maart 2026. De reclassering constateert dat bij verdachte sprake is van ADHD en een licht verstandelijke beperking, hetgeen maakt dat hij snel handelt uit impulsiviteit en emotie, wanneer hij zaken niet begrijpt. Verdachte heeft samen met aangeefster een zoon waarover hij geen gezag uitoefent. Verdachte wenst een goede band met zijn zoon op te bouwen. De reclassering ziet bij verdachte geen pro-criminele houding, maar eerder onmacht. Het risico op recidive schat de reclassering in als gemiddeld op de langere termijn, wanneer verdachte niet ingebed raakt in de zorg. Wanneer verdachte onvoldoende perspectief wordt geboden en er te veel partijen betrokken zijn zonder dat betrokkene (steeds opnieuw) uitgelegd wordt wie waarvoor verantwoordelijk is, zal de stress bij verdachte oplopen. Opbouwende stress zorgt ervoor, aldus de reclassering, dat verdachte vanuit emotie kan reageren zonder dat hij hiermee verkeerde intenties heeft.

Sinds verdachte vanaf juli 2025 in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis onder toezicht van de reclassering staat, heeft hij zich meewerkend getoond, ook ten aanzien van gedragsverandering. Hij is weer aan het werk, is aangemeld voor begeleiding bij praktische zaken en wil graag het toezicht voortzetten.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod met aangeefster.

De straf

De rechtbank komt tot een lichtere straf dan geëist door de officier van justitie, gelet op de persoon van verdachte, zoals is gebleken ter zitting en naar voren komt in het advies van de reclassering. Tevens speelt mee dat de rechtbank uitgaat van een meer beperkte bewezenverklaring en dat niet is gebleken van meldingen of incidenten bij de politie in de schorsingsperiode. De rechtbank wil voorkomen verdachte met de op te leggen straf te overvragen . De straf moet een stevige stok achter de deur bieden om te borgen dat verdachte niet opnieuw contact opneemt met aangeefster. De rechtbank acht een taakstraf van 200 uur te vervangen door 100 dagen hechtenis waarvan 100 uur te vervangen door 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en aftrek van het voorarrest passend en geboden. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de taakstraf worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering met daarbij een locatieverbod voor de straat waar aangeefster woont.

Nu door middel van de bijzondere voorwaarden aan verdachte een contact- en een locatieverbod worden opgelegd, ziet de rechtbank onvoldoende meerwaarde in aanvullende vrijheidsbeperkende maatregelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Nu er geen sprake is geweest van een onmiddellijke dreiging en er tijdens het schorsingstoezicht geen nieuwe incidenten zijn geweest, is niet aan de wettelijke vereisten voor dadelijke uitvoerbaarheid voldaan.

7De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke taakstraf van 30 uur die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg van 22 januari 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

belaging

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, waarvan 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* Meldplicht bij reclassering

Dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;

* Contactverbod

Dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 1996, tenzij de reclassering en/of Veilig Thuis toestemming heeft gegeven voor het contact;

* Locatieverbod

Dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de [straat] te [plaats 2] ;

van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 22 januari 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-283035-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een taakstraf van 30 uur te vervangen door 15 dagen hechtenis;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, en mr. G.H. Nomes en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.

Mr. Nomes en mr. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 15 juli 2025 te
[plaats 2] , gemeente Terneuzen, althans in Nederland, wederrechtelijk
stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] ,
door die [aangeefster] veelvuldig te bellen en/of berichten te sturen via whatsapp en/of
sms en/of facebookmessanger en/of bij die [aangeefster] aan de deur te komen en/of
door de straat waar die [aangeefster] woonachtig is te rijden en/of kaarten te
sturen/brengen en/of bij het werk van die [aangeefster] te verschijnen en/of contact op
te nemen met familie/vrienden van die [aangeefster]
met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden
en/of vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te [plaats 2] , gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "ik heb geen wapen maar
mocht ik er een hebben dan weet ik wel op wie ik die leegschiet, ik moet haar niet
met een ander tegenkomen want die sla ik dan total loss", althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733