Rechtbank Amsterdam 16-03-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2971

Essentie (gemaakt door AI)

Zorgregeling na stellingen over intieme terreur; verwijzing naar Verdrag van Istanbul. Rechtbank wijkt gemotiveerd af van advies Raad om 6/8-regeling vast te stellen en bepaalt slechts beperkte uitbreiding: kind 1 weekend per 14 dagen (vr 9.00–zo 17.00) en in andere week do-do/vrij 17.00 bij vader; maandag(-overnachting) vervalt. Genoeg redenen om zorgen moeder over toekomstig handelen vader jegens moeder of kind serieus te nemen. Verv. toestemming voor wissel kinderdagverblijf; verzoek over school afgewezen; prematuur.

Datum publicatie03-04-2026
ZaaknummerC/13/759958 / FA RK 24-8015
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Provo (C/13/759967/ FA RK 24-8016) en bodem (C/13/759958 / FA RK 24-8015), kernwoorden: zorgregeling, intieme terreur, verdrag van Istanbul, afwijken van het advies van de Raad

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers / rekestnummers: C/13/759967 / FA RK 24-8016 (provo) en

C/13/759958/ FA RK 24-8015 (bodem)

Beschikking van 16 maart 2026 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna mede te noemen de moeder,

advocaat mr. T. Hoekx-Audiffred te Amsterdam,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna mede te noemen de vader,

advocaat mr. H.A. van Hapert te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie] ,
gevestigd te [plaats] , hierna te noemen: de Raad.

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Op 12 februari 2025 is in deze procedure voor het eerst beschikking gewezen. Deze beschikking dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

1.2.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van de navolgende stukken, te weten:

- verzoek om uitstel van de Raad, ingekomen 25 juni 2025;

- het raadsrapport van 2 december 2025, ingekomen 3 december 2025;

- de akte van de zijde van de moeder met producties 29 en 30, ingekomen 27 januari 2026.

1.3.

De rechtbank heeft het F9-formulier van 30 januari 2026 van de moeder met productie 31 na bezwaar van de vader buiten beschouwing gelaten omdat het stuk minder dan drie werkdagen voor de zitting ingediend was.

1.4.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren is voortgezet op 2 februari 2026. Verschenen zijn:

  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon] .

Van de zijde van de moeder zijn pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

2De feiten en de inleidende verzoeken en verweer

2.1.

Bij voornoemde beschikking van 12 februari 2025 heeft deze rechtbank als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat de vader [minderjarige], geboren [geboortedag] 2024 (hierna: [minderjarige] ), elke maandag van 17.30 tot dinsdag 9.00 uur en elke donderdag van 17.30 tot vrijdag 17.00 uur bij zich heeft. Verder heeft de rechtbank de Raad verzocht onderzoek te doen en de rechtbank van advies te voorzien.

2.2.

Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar voornoemde beschikking van 12 februari 2025.

2.3.

De inleidende verzoeken van partijen luiden als volgt:

In de procedure tot het treffen van provisionele voorzieningen

  • verzoekt de moeder te bepalen dat voor de duur van het geding een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] van iedere vrijdag van 9.00 tot 17.00 uur bij de vader is, waarbij de vader [minderjarige] , onder begeleiding van oma, 's ochtends bij de moeder komt ophalen en de moeder [minderjarige] om 17.00 uur bij de vader komt ophalen.

  • verzoekt de vader voor de duur van het geding een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] elke maandag van 17.30 uur tot dinsdag 9.00 uur bij hem is en elke donderdag van 17.30 uur tot vrijdag 17.00 uur alsmede eens in de twee weken een weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur.

In de bodemprocedure

De moeder verzoekt de rechtbank:

  • een zorgregeling vast te stellen, van iedere vrijdag van 9.00 tot 17.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] , onder begeleiding van oma (vaderszijde), ’s-ochtends bij de moeder komt ophalen en de moeder [minderjarige] om 17.00 uur bij de vader ophaalt, en tussendoor en nadien respectvolle communicatie en overdracht plaatsvindt over [minderjarige] ;

  • vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] bij kinderdagverblijf [kinderdagverblijf] aan de [adres] ;

  • tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] voor een bedrag van € 500,-, dan wel een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bijdrage;

2.4.

De vader verweert zich tegen de verzoeken van de moeder. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vader een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] elke maandag van 17.30 uur tot dinsdag 9.00 uur bij hem is en elke donderdag van 17.30 uur tot vrijdag 17.00 uur en eens in de twee weken een weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur.

3Het aanvullende verzoek van de moeder

3.1.

De moeder heeft als aanvullend verzoek de rechtbank verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] bij basisschool [school 1] of [school 2] , dan wel een andere basisschool bij de moeder in de buurt;

  • te bepalen dat het halen en brengen tussen partijen gelijk wordt verdeeld, ook in het geval er toestemming wordt verleend voor de inschrijving bij een kinderdagverblijf en/of basisschool in de buurt van de woning van de moeder.

3.2.

De vader heeft tegen de aanvullende verzoeken verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4Het advies van de Raad

4.1.

Het algemene uitgangspunt van de Raad is, dat voor een gezonde ontwikkeling van kinderen het van belang is dat zij na een (echt)scheiding van ouders een betekenisvolle relatie kunnen onderhouden met beide ouders, tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn waaruit blijkt dat dit niet in het belang van een kind is (bijv. veiligheid van een kind). In dit onderzoek zijn geen ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige] vastgesteld; wél is er een reëel risico op emotionele belasting door de aanhoudende spanningen tussen de ouders. Aanwijzingen voor onveiligheid komen in hoofdzaak voort uit de door de moeder beschreven en deels gedocumenteerde incidenten en uit de huidige conflictcontext. Vader erkent enkele incidenten en spreekt van spijt; hij betwist een structureel patroon.

De zorg die de moeder aangeeft dat zij vreest dat de vader (nog) kampt met emotieregulatie problematiek, waarvoor zij [minderjarige] niet kan beschermen, is in onderhavig onderzoek niet bevestigd, hetgeen het voor de Raad lastig maakt deze zorg op zichzelf als aanwijsbare belemmering aan te merken. De Raad begrijpt dat de trigger voor deze problematiek (spanningen tussen de ouders) nog wel aanwezig is en dat daarmee haar zorg wel begrijpelijk is.

4.2.

Vanuit [minderjarige] geredeneerd meent de Raad dat zij recht heeft om een band op te bouwen met beide ouders. De Raad adviseert een regeling die voorspelbaarheid biedt en blootstelling aan conflict minimaliseert. Dat vraagt om heldere, eenvoudige overdrachtsmomenten, zakelijke communicatie beperkt tot het noodzakelijke. Binnen dit kader kan de band met beide ouders verder vorm krijgen. De Raad begrijpt dat de door de moeder ervaren dreiging en spanning zwaar wegen. De Raad heeft begrip voor de zorgen die de moeder beschrijft en erkent dat deze voor haar reëel en belastend zijn geweest. Tegelijkertijd moet de Raad zich voor het advies baseren op informatie die op [minderjarige] en haar actuele situatie betrekking heeft. De GGD/consultatiebureau en kinderopvang melden geen bijzonderheden of zorgen over [minderjarige] , en afspraken worden nagekomen. Er zijn geen signalen vanuit andere betrokkenen dan de moeder naar voren gekomen die wijzen op een onveilige opvoedsituatie bij de vader thuis voor [minderjarige] . De vader heeft eerder hulp gehad voor emotieregulatie, betuigt spijt over incidenten en sindsdien zijn er geen nieuwe meldingen van politie/VT bekend. Tegen deze achtergrond ziet de Raad geen objectieve gronden om de zorgregeling te beperken. Het uitgangspunt van de Raad is dat kinderen evenredig veel tijd bij beide opvoeders zijn (mits in belang van de kinderen). De Raad ziet bij [minderjarige] reden om de huidige zorgregeling uit te breiden, passend (werkbaar) bij een jong kind. De Raad adviseert voor de jonge [minderjarige] een praktische en waar mogelijk een gelijkwaardige verdeling van de zorgregeling, waarbij de overdracht zo veel mogelijk rond de opvang kan plaatsvinden, zodat de ouders elkaar zo min mogelijk in persoon treffen. De keren dat de ouders elkaar moeten treffen, adviseert de Raad de ouders de overdracht kort te houden (zoals reeds op vrijdag het geval is) en adviseert de Raad volgens de afspraken van de module “parallelouderschap’ de communicatie in te richten of tot die tijd het reeds bestaande logboek hiervoor te gebruiken. De Raad heeft een concreet voorstel tot een gelijkwaardige verdeling opgesteld. Het staat de ouders vrij om tot een andere (wellicht praktisch uitvoerbaardere) regeling te komen, zo lang het verblijf van [minderjarige] bij hen evenredig verdeeld is en liefst waarbij zij niet te veel wisselingen ervaart in een week.

4.3.

De Raad stelt de volgende regeling voor:

In de oneven weken:

Maandag brengt de moeder [minderjarige] naar de opvang en haalt de vader [minderjarige] op (één nacht bij vader);

Dinsdag ochtend brengt de vader [minderjarige] naar de opvang en haalt de moeder [minderjarige] op;

Woensdag is [minderjarige] bij de moeder (twee nachten moeder);

Donderdag brengt de moeder [minderjarige] naar de opvang en haalt [minderjarige] de vader op;

Vrijdag is [minderjarige] bij de vader;

Zaterdag is [minderjarige] bij de vader;

Zondag is [minderjarige] bij de vader (vier nachten vader).

In de even weken:

Maandag brengt de vader [minderjarige] naar de opvang en haalt de moeder [minderjarige] op;

Dinsdag brengt de moeder [minderjarige] en haalt de moeder haar op;

Woensdag is [minderjarige] bij de moeder (3 nachten);

Donderdag brengt de moeder [minderjarige] naar de opvang en haalt de vader [minderjarige] op (één nacht bij de vader);

Vrijdag is [minderjarige] bij de vader en haalt de moeder [minderjarige] bij de vader op.

Zaterdag bij de moeder

Zondag bij de moeder (3 nachten moeder)

Dit houdt concreet in dat [minderjarige] in de ene week vijf nachten bij de vader verblijft en in de andere week één nacht. Over de tijdspanne van twee weken is de verdeling derhalve dat [minderjarige] zes nachten bij haar vader en acht nachten bij haar moeder verblijft. [minderjarige] is op de vrije dag van de moeder (woensdag) en de vrije dag van de vader (vrijdag) bij de betreffende ouder.

De vader stemt in met de voorgestelde regeling en heeft geen behoefte aan een opbouw. De Raad ziet echter– gelet op de zorgen die de moeder aangeeft en het belang dat het kind heeft bij een emotioneel beschikbare ouder – aanleiding om een geleidelijke opbouwperiode van drie maanden in de omgang aan te brengen.

5De (nadere) standpunten

5.1.

De moeder heeft, kort samengevat, gesteld dat de Raad zich er geen rekenschap van heeft gegeven dat er tussen partijen een relatie bestond waarin de moeder slachtoffer was van intieme terreur, zij daar nog steeds de gevolgen van ondervindt en dat [minderjarige] blootgesteld wordt aan de risico’s die hierbij komen kijken. De moeder kan zich absoluut niet vinden in de door de Raad voorgestelde zorgregeling. Deze wordt veel te aanzienlijk uitgebreid, bevat vele wisselingen en legt de last vooral bij de moeder neer, zeker waar dit het halen en brengen betreft. De incidenten die plaats hebben gevonden zijn niet van geringe aard, maar wijzen op een patroon van agressie, manipulatie en controle. De problematiek bij de vader hangt niet alleen samen met het uiteengaan van partijen en bestond ook in de jaren voor de geboorte van [minderjarige] .

De moeder is gediagnosticeerd met PTSS. Binnen twee weken zal de moeder starten met haar behandelingstraject bij een GZ-psycholoog en parallel daaraan zal een EMDR-traject lopen. Hoewel de moeder van het allerergste hersteld is, zit ze nog altijd in de overlevingsstand. Het advies voor een bijna 50/50-verdeling geeft de moeder een gevoel van machteloosheid. Ze had gedacht dat haar dochter beschermd zou worden. De door de Raad gehanteerde methodiek is waardevol voor acute veiligheidsinschattingen, maar is niet goed toegerust om manipulatie, intimidatie, bedreiging, psychisch geweld en het doelgericht verhullen van gedrag te herkennen. Daarom moet de indruk die tijdens de kortdurende observaties is ontstaan niet worden gezien als bewijs van herstel of afwezigheid van de risico’s die [minderjarige] loopt. De vader is zeer goed in staat om in aanwezigheid van anderen een positief beeld te schetsen. Waar het om gaat is wat achter de voordeur gebeurt. De moeder zegt de ernst van de situatie beter in te zien dan vorig jaar, dat maakt haar ook zo machteloos. Na contact van [minderjarige] met de vader merkt de moeder dat [minderjarige] apathisch is en zich de eerste 24 uur aan haar vastklampt en dat ze veel minder ondernemend is dan normaal. De communicatie en de dynamiek tussen de vader en de moeder voelt voor de moeder nog altijd als een mijnenveld en ervaart zij op dit moment nog steeds als onveilig. De moeder noemt twee voorbeelden waarbij haar bleek dat de vader geen rekening hield met afspraken met haar. De moeder had de vader verteld dat zij op de kinderopvang ging uitdelen met de verjaardag van [minderjarige] en had dat al ingekocht. Uiteindelijk ging de vader zelf uitdelen. De moeder stelt daarnaast dat in het logboek was afgesproken dat [minderjarige] de speen zou worden afgebouwd en zij alleen een speen zou krijgen voor het inslapen. Op de kinderopvang vertelde de vader echter dat [minderjarige] gewoon een speen mocht als ze daar naar zou vragen. Het gaat misschien niet over grote zaken maar hieruit blijkt wel dat de vader nog steeds bepalend wil zijn en geen rekening houdt met de moeder. De moeder laat hierdoor soms (kleine) kwesties over [minderjarige] zitten die ze eigenlijk, in het belang van [minderjarige] , met de vader zou willen bespreken.

Tot slot acht de moeder het van belang dat de kinderopvang wordt gewijzigd naar een die dichter in de buurt van de moeder is en wil ze graag vast toestemming voor een school bij haar in de buurt.

5.2.

De vader heeft, kort samengevat, aangevoerd dat hij het belangrijk vindt om gelijkwaardig ouderschap op te bouwen. De vader realiseert zich dat hij in de eerste fase van het ouderschap fouten begaan heeft en meermaals uit de bocht is gevlogen door de spanningen die het ouderschap met zich meebrachten. De vader heeft hier ook spijt over betuigd. De vader is van mening dat er van de subjectieve beleving van de moeder, waar begrip voor is, over moet worden gegaan naar een objectieve benadering van wat het beste voor [minderjarige] is; zij moet centraal gesteld worden. De zorgen die de moeder heeft worden niet bevestigd door de Raad. De vader heeft in de tweede fase aan zichzelf gewerkt middels therapie en geen gedrag laten zien dat in de eerste fase plaats heeft gevonden; zijn impulsbeheersing is nu goed. Op dit moment zit de vader in de derde fase: er is rust en inzicht waardoor er volgens hem toegewerkt kan worden naar gelijkwaardig ouderschap. Het is voor de vader dan ook moeilijk en kwetsend dat de moeder met zorgen komt die niet actueel en objectiveerbaar zijn. De vader heeft het gevoel op eieren te moeten lopen en kan zich niet verweren tegen de zorgen en het wantrouwen van de moeder die voortkomen uit zijn gedrag uit de eerste fase. Dit is voor de vader vechten tegen de bierkaai. In de huidige zorgregeling mist de vader met name een weekend(dag). Als het halen en brengen voor de moeder een probleem is, dan is de vader bereid om de moeder hierin tegemoet te komen en dienen er logistieke oplossingen gezocht te worden in plaats van het toedelen van minder zorgtaken aan de vader. Als de vader meer zorgtaken krijgt kan de moeder ook ontlast worden. De vader volgt het advies van de Raad waarin tegemoet wordt gekomen aan zijn wens om [minderjarige] in een weekend bij zich te hebben. Hij verzoekt de rechtbank deze regeling dan ook over te nemen, zonder de door de moeder gewenste opbouw, want die opbouw is er al geweest. De communicatie verloopt nu via een logboek, de vader heeft op dit moment niet het idee dat de moeder meer aankan in de samenwerking en heeft daar ook respect voor. De vader verweert zich tegen de vervangende toestemming om [minderjarige] alvast in te schrijven op een basisschool. Het is nog ver weg en de vader wil hier te zijner tijd graag over nadenken en overleggen met de moeder wat het beste voor [minderjarige] is. Ook tegen verandering van kinderdagverblijf verweert de vader zich, de vader is het niet eens met de moeder dat het bij het huidige kinderdagverblijf niet goed gaat. Daarnaast is het verwarrend voor [minderjarige] als zij daar weg zou moeten.

5.3.

De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het zijn advies uit het raadsrapport handhaaft. De Raad wil wel opmerken dat de fases die door de vader geschetst zijn, niet zomaar ophouden. Het kan niet zo zijn dat de moeder haar angst zomaar moet loslaten omdat een fase volgens de vader voorbij is, zo werkt het niet. Dit gaat stapje voor stapje. Er moet dus goed naar de draagkracht van de moeder gekeken worden. Zij moet overeind blijven. De Raad vindt het begrijpelijk dat de moeder zorgen heeft over de gedragsproblematiek van de vader. De behandeling die de vader heeft gehad voor zijn gedragsstoornis betekent niet dat de stoornis weg is, maar dat hij er beter mee om kan gaan.

6De beoordeling

Provisionele voorziening

6.1.

Op grond van artikel 223 eerste lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangige procedure vorderen dat de rechtbank een voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Zoals hierna wordt overwogen, zal de rechtbank in de bodemprocedure een (definitieve) beslissing nemen over de zorgregeling. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv afwijzen bij gebrek aan belang.

Bodemprocedure

Juridisch kader

6.2.

De rechtbank kan op voet van artikel 1:253a BW op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, een zogenoemde zorgregeling. De rechtbank stelt daarbij een zorgregeling vast die in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

6.3.

Op 1 maart 2016 is voor Nederland in werking getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit verdrag is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, zijn ook slachtoffer van huiselijk geweld. Zij lopen bij geweld tegen de ouder ook een groter risico dat geweld tegen henzelf wordt gebruikt.

Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag (artikel 31 van het Verdrag van Istanbul).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen.

De rechtbank benoemt hierbij dat niet in twijfel is dat situaties van intieme terreur onder de reikwijdte van het Verdrag van Istanbul vallen. Intieme terreur/dwingende controle wordt gekenmerkt door een patroon van controle en dwang. Dit kan zich in verschillende gradaties voordoen en bestaan uit het isoleren, vernederen en intimideren van de partner tot ernstig fysiek en seksueel geweld. Ook kan het gaan om controle over financiën en bedreigingen van de partner. Het is een proces waarbij afhankelijkheid wordt vergroot en veerkracht wordt ondermijnd. Bij intieme terreur is er sprake van een machtsverschil tussen de partners. Eén partner, meestal de man, oefent dwang en controle uit op de ander, veelal de vrouw, door haar vrijheid te beperken, haar te isoleren en door het gebruik van, vaak ernstig, geweld, ook seksueel. Intieme terreur kan uit het volgende blijken: het volgen van activiteiten van de ander, ook langs digitale weg, het beperken of zelfs ontzeggen van de autonomie van de ander, het vergroten van de afhankelijkheid van de ander, maar ook in: psychologische manipulatie (gaslighting), uitschelden, vernederen en bekritiseren, kinderen tegen de partner opzetten, jaloezie en chantage, seksuele dwang, misleiding, dreiging met suïcide of het bedreigen van kinderen of huisdieren en derden gebruiken of opzetten tegen de partner. De partner en de eventuele kinderen voelen zich als gevolg hiervan continu bedreigd en onveilig.

In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet vermeld dat geweld tegen vrouwen/mannen een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing. Het is niettemin vanzelfsprekend dat de Nederlandse rechter dat wel moet doen. De veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke zorg- of omgangsregeling in het belang van het kind is.

Inhoudelijke beoordeling

6.4.

De rechtbank stelt voorop dat het voor de ontwikkeling van kinderen, in het bijzonder voor hun identiteitsontwikkeling, van groot belang is dat zij onbelast contact hebben en houden met beide ouders. De Raad adviseert een zorgregeling waarbij de vader [minderjarige] gedurende zes nachten per twee weken bij zich heeft en de moeder acht nachten. De rechtbank zal een regeling bepalen waarbij [minderjarige] drie nachten en vier dagen per twee weken bij de vader zal doorbrengen. Ter toelichting dient het volgende.

6.5.

De rechtbank volgt de Raad niet in het standpunt dat een evenredige verdeling van tijd in deze zaak het uitgangspunt dient te zijn. De Raad stelt daarmee zelfs een uitgebreidere regeling voor dan de vader heeft verzocht. Doorslaggevend voor de Raad is dat het goed lijkt te gaan met [minderjarige] , er geen incidenten meer zijn geweest tussen de ouders en de vader zegt spijt te hebben en dat hij zijn agressie onder controle heeft. De zorgen van de moeder over de huidige opvoedsituatie bij de vader zouden niet objectiveerbaar zijn en niet door andere betrokkenen worden gedeeld. De vraag die de rechtbank zich heeft gesteld is of het ook goed zal gaan met [minderjarige] als de regeling zo fors wordt uitgebreid als de Raad voorstaat. De rechtbank acht het risico te groot dat dat niet zo is. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] , de voorgeschiedenis van de vader en de kwetsbaarheid van de moeder vindt de rechtbank het nog veel te vroeg om zulke grote stappen te zetten en voor het algemene format van bijna 50/50 te kiezen in het kader van ‘one size fits all’ Wel wordt aanleiding gezien om de bestaande regeling iets verder uit en om te bouwen.

6.6.

Vaststaat dat er binnen en na de relatie van de ouders incidenten van geweld, agressie en controle/stalking hebben plaatsgevonden, waarbij de vader de veroorzaker is geweest. [minderjarige] is van een aantal incidenten getuige geweest. Zoals in de vorige beschikking overwogen acht de rechtbank dat aangetoond en zorgelijk. De onderbouwing daarvan is niet alleen gebaseerd op verklaringen van de moeder, maar ook op ondersteunend bewijs. Ten aanzien van verschillende door de moeder aangevoerde incidenten overweegt de rechtbank als volgt, deels al naar voren gebracht in de vorige beschikking en niet uitputtend opgesomd.

Dat de vader bij het campingincident met [minderjarige] in de auto boos tegen een paaltje is aangereden staat vast. De tracker in de voorlamp van de fiets van de moeder is ontdekt doordat de nachtbeveiliger van de flat van de moeder de vader daar vier keer had gezien en ontdekte dat hij de tracker plaatste. De vader heeft dat eerst nog ontkend volgens de moeder. Over het incident bij het zwembad is een verklaring afgelegd door de receptioniste. Uit de WhatsApp correspondentie tussen partijen kan worden opgemaakt dat (in ieder geval in het verleden) sprake is geweest van zeer onaangename en ongepaste communicatie van de vader richting de moeder en ook van het ontbreken van verantwoordelijke communicatie van de vader naar de moeder over [minderjarige] . Bij het rapport van de Raad bevindt zich een verslag van de huisarts (bijlage 4). Daarin wordt een omschrijving gegeven van het patroon dat de moeder heeft ervaren met de vader. De vader heeft bij de Raad erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ‘silent treatment’. Daarnaast had de vader in het verleden te kampen met verslavingsproblematiek (cocaïne en amfetamine), waarvoor hij is behandeld en had hij last van depressiviteit, onder meer na de geboorte van [minderjarige] . De Raad vermeldt (pagina 9 van het rapport) dat de vader heeft verteld dat hij in eerdere periodes zowel in de relatiesfeer als rondom persoonlijke thema’s therapie heeft gehad. De Raad heeft inlichtingen ingewonnen bij de behandelaar van de vader die hij na de relatiebreuk heeft gehad. De vader heeft daar tien sessies gevolgd in verband met agressieregulatie en is niet meer bij het afrondingsgesprek verschenen. Volgens de vader is de therapie afgerond en heeft hij geleerd om te gaan met zijn impulsbeheersing. Uit de rapportage van de Raad blijkt dat de behandelaar van de vader na de intake als diagnose heeft gesteld: “DSM diagnose ‘312.89. – andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis’.

6.7.

Dit alles maakt dat de stellingen van de moeder over een aantal incidenten en problematiek met de vader vast staan. Dat betekent voor de rechtbank dat er een periode is geweest met een aantal serieuze rode vlaggen die wijzen op intieme terreur. Tegenover hetgeen de moeder heeft aangevoerd zijn er echter ook een aantal contra-indicaties voor een duidelijk patroon van intieme terreur. Een start van de relatie met ‘love bombing’ en het steeds verder verkleinen van haar wereld is niet gebleken. Van belang is daarbij dat de vader juist niet wilde samenwonen. Daarnaast werkte de moeder, maakte zij gebruik van haar auto en had zij een eigen sociaal leven en werd zij in zoverre niet geïsoleerd. Geconcludeerd kan worden dat in die zin wellicht niet alle vinkjes worden aangetikt die een belangrijke indicatie voor intieme terreur kunnen zijn. Ook als de problematiek met de vader echter niet onder de noemer intieme terreur zou vallen, dan wel slechts als een beginfase van intieme terreur kan worden gezien waarna er een positieve ontwikkeling is doorgemaakt bij de vader, is er nog steeds meer dan voldoende reden voor zorg over de stabiliteit van de vader, zijn agressieregulatie en zijn reflectievermogen daarop en de wijze waarop hij met de moeder omgaat. Het blijft derhalve van belang om zeer behoedzaam om te gaan met de zorgregeling met [minderjarige] die nog heel jong is.

Dat er bij de Raad nu voldoende vertrouwen bestaat in de vader om de zorgregeling uit te breiden heeft allereerst te maken met het feit dat er zich tussen de ouders geen incidenten meer hebben voorgedaan. Dat is op zich positief en de vader heeft daarin zeker goede stappen gezet. Dat maakt ook dat de rechtbank reden ziet voor een lichte uitbreiding van de bestaande tijdelijke zorgregeling en niet meegaat met het verzoek van de moeder tot een uiterst minimale zorgregeling. De ouders hebben echter ook veel minder contact dan ten tijde van (het verbreken van) hun relatie en de moeder stelt terecht dat de vader zich bewust is dat zijn handelen onder een vergrootglas ligt en zij niet achter de voordeur kan kijken hoe hij omgaat met [minderjarige] . Voor zover de Raad aanneemt dat het goed gaat met de vader is dat met name gebaseerd op zijn eigen verklaringen. Verder acht de Raad van belang dat de vader spijt heeft betuigd. Daar zijn echter kanttekeningen bij te plaatsen. De vader ontkent immers een wezenlijk deel van de door de moeder geuite zorgen. Zo bagatelliseert hij bijvoorbeeld tot op heden zijn gedrag bij het zwembadincident. Hij stelt zelfs dat hij nooit agressief is geweest en dat de voorvallen groter zijn gemaakt dan ze waren. Zoals in de vorige beschikking is overwogen heeft de receptioniste echter een schriftelijke verklaring opgesteld waarin zij stelt dat de vader zich zeer agressief en onbeschoft heeft gedragen en haar heeft uitgescholden. Toen de medewerkster hem verbood het zwembad in te gaan, bleef hij doorgaan met zijn agressieve gedrag. Uiteindelijk hebben de ouders het zwembad verlaten. Het was voor de receptioniste duidelijk zichtbaar dat de moeder, die had geprobeerd de zaak te sussen, erg bang was. Dit biedt steun voor de opvatting van de moeder dat de vader de zaken mooier voorstelt dan ze zijn. Al met al zijn er voldoende redenen om de zorgen van de moeder over toekomstig handelen van de vader jegens de moeder of [minderjarige] serieus te nemen. Dat geldt verder ook voor wat de moeder naar voren heeft gebracht over het apathisch gedrag bij [minderjarige] na de omgang. Alleen al op grond van dit alles wordt het van belang geacht om geen grote stappen te zetten met de omgangsregeling.

6.8.

Daar komt nog het volgende bij. De moeder heeft voldoende aangetoond dat hetgeen zij tijdens en na de relatie met de vader heeft meegemaakt bij haar nog altijd diepe sporen achterlaat en haar op dit moment in haar draagkracht belemmert. Dit wordt ook door de Raad onderkend, alleen acht de Raad een opbouwperiode van drie maanden voldoende voor de moeder. Dat ziet de rechtbank anders. De moeder is nog lang niet ver genoeg in haar verwerkings- en herstelproces en heeft nog niet genoeg draagkracht om een grote wijziging ten opzichte van de tijdelijke zorgregeling aan te kunnen en daarvoor haar emotionele toestemming te verlenen. Wanneer de moeder verminderd belastbaar is ondervindt [minderjarige] hier direct de consequenties van, temeer omdat zij nog zo jong en afhankelijk van haar moeder is. Het is van belang dat de moeder de rust en ruimte krijgt voor haar behandeling. Vooralsnog wordt aangenomen dat daarmee nog veel tijd is gemoeid. Bovendien heeft de moeder geen vertrouwen dat de vader structureel veranderd is. Ook dat kan mogelijkerwijze met de tijd wijzigen. Het is al heel positief dat de moeder haar volledige medewerking heeft verleend aan de voorlopige zorgregeling ondanks haar bedenkingen daarbij. Op vader rust de verantwoordelijkheid om in taal en handelen te laten zien dat de door hem gestelde veranderingen blijvend zijn en de door de rechtbank vast te stellen uitbreiding van de zorgregeling kunnen dragen. De rechtbank hoopt in het belang van [minderjarige] van harte dat dit bewaarheid wordt en de vader een goede rol van betekenis voor [minderjarige] kan vervullen.

6.9.

De rechtbank concludeert dat de hierna in het dictum vast te leggen zorgregeling recht doet aan het voorgaande. De bestaande regeling wordt aldus aangepast dat de omgang op donderdag/vrijdag (vanaf donderdag 17.30 uur tot vrijdag 17.00 uur) in de ene week blijft staan en er in de andere week wordt doorgeschoven naar vrijdagochtend 9:00 uur, met daar achteraan een weekend. De wekelijkse maandagmiddag en daaropvolgende overnachting komen te vervallen. Voor de moeder betekent dit dat de zorgregeling verder wordt uitgebreid, wat zij niet wenst, echter niet in de mate als door de Raad en de vader voorgesteld. Bovendien zijn er hiermee minder wissels en wordt het halen en brengen verdeeld en niet alleen aan de moeder gelaten. Deels vindt er overdracht plaats via de kinderopvang, wat in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Met het huidige schema van werkdagen van partijen en kinderopvang wordt geen mogelijkheid gezien om meer overdrachten via de route van de kinderopvang te doen verlopen. Verder wordt de vader tegemoet getreden in zijn wens om eens in de veertien dagen een weekend met [minderjarige] door te brengen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de regeling in voldoende mate aansluit bij het principe van gelijkwaardig ouderschap, waar het vooral gaat om een kwalitatief evenwichtige invulling van de ouderrol en niet om een gelijke verdeling in (klok)tijd.

Vervangende toestemming kinderdagverblijf

6.10.

De rechtbank zal de moeder vervangende toestemming verlenen voor het inschrijven van [minderjarige] op het kinderdagverblijf [kinderdagverblijf] aan de [adres] . De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige] dat zij drie dagen per week een aanzienlijke reistijd moet overbruggen om van/naar de kinderopvang te gaan. De vastgestelde zorgregeling zal het aantal reisbewegingen iets verminderen, maar de belasting blijft voor [minderjarige] nog altijd substantieel. Dat de vader ter zitting gesteld heeft dat hij bereid is om [minderjarige] vaker te brengen of te halen, verminderd de reistijd voor [minderjarige] niet. De rechtbank acht een kinderdagverblijf dat tussen de woningen van beide ouders in ligt een goed alternatief. Onbetwist is gesteld dat de ouders in een eerder keuzeproces een goed gevoel hadden bij de keten [kinderdagverblijf] . Door de vader zijn tegen deze keten ook geen bezwaren opgeworpen. De rechtbank vertrouwt erop dat de moeder zal zorgdragen voor een goede voorbereiding van [minderjarige] op deze wijziging van kinderdagverblijf.

Vervangende toestemming basisschool

6.11.

Het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven voor de door haar genoemde basisscholen wijst de rechtbank af. De rechtbank is van oordeel dat er nog veel tijd ligt tussen nu en het moment dat [minderjarige] vier wordt en de moeder heeft haar verzoek niet onderbouwd vanuit bijvoorbeeld een noodzaak voor vroege inschrijving vanwege wachtlijstproblematiek. Eerst zal er nog overleg dienen plaats te vinden tussen partijen. Daarbij dient als uitgangspunt te gelden dat nu de rechtbank het grootste deel van de zorgtaken aan de moeder toebedeelt, het is aangewezen dat wordt gekeken naar een school bij de moeder in de buurt. Dat is het meeste in het belang van [minderjarige] . Toewijzing van het meest subsidiaire verzoek van de moeder van een school bij haar in de buurt wordt echter als te onbepaald gezien om toewijsbaar te achten.

Onderkend wordt dat overleg voor de moeder nu nog belastend kan zijn. Wellicht dat de advocaten van partijen hierin nog een rol kunnen spelen. De rechtbank gaat er verder vanuit dat partijen op enig moment, eventueel met steun van onafhankelijke professionals, moeten gaan bezien hoe zij het ouderschap verder zullen vormgeven, mogelijk via een traject parallel solo ouderschap. Dit kan pas zodra de moeder daartoe in staat is en stappen heeft gemaakt in haar verwerking.

Kinderalimentatie

6.12.

Door tijdsgebrek is er tijdens de mondelinge behandeling geen gelegenheid geweest om het geschil tussen partijen over de kinderalimentatie inhoudelijk te bespreken. Daarom is met partijen afgesproken dat de behandeling daarover wordt aangehouden en op een nader te bepalen zitting plaats zal vinden. De rechtbank verzoekt partijen om uiterlijk 10 dagen voor deze zitting actuele financiële gegevens over te leggen en (eventueel) hun -nadere- standpunten aan de rechtbank kenbaar te maken en. Ook is het mogelijk dat partijen op grond van overeenstemming een verzoek indienen bij de rechtbank tot vastlegging daarvan in een beschikking.

6.13.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7De beslissing

De rechtbank:

in de provisionele voorziening met zaaknummer C/13/759967 / FA RK 24-8016:

7.1.

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

in de bodemzaak met zaaknummer C/13/759958/ FA RK 24-8015:

7.2.

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken dat als definitieve zorgregeling heeft te gelden dat [minderjarige] bij de vader is:

  • één keer in de veertien dagen een weekend vanaf vrijdag 9.00 uur waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt, tot zondag 17.00 uur waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt;

  • in de andere week van donderdag uit de kinderopvang waar de vader [minderjarige] aldaar ophaalt, tot vrijdag 17.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] bij de vader ophaalt;

7.3.

verleent de moeder vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op kinderdagverblijf [kinderdagverblijf] , locatie [adres] ;

7.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst af het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] bij basisschool [school 1] of [school 2] , dan wel een andere basisschool bij de moeder in de buurt;

7.6.

bepaalt dat de behandeling ten aanzien van de kinderalimentatie wordt aangehouden en plaats zal vinden op een nader te bepalen zitting;

7.7.

draagt de griffier op om partijen tijdig te berichten over de datum en het tijdstip van deze zitting;

7.8.

wijst het meer of anders verzochte af ten aanzien van de zorgregeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. Terwee, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N. Nauta, griffier, op 16 maart 2026. 1

1

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733