Rechtbank Den Haag 19-02-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6100

Essentie (gemaakt door AI)

Kinderalimentatie. Vader verzoekt nihilstelling wegens toelating tot WSNP. Moeder voert verweer en doet zelfstandige verzoeken over rekeninghouden met alimentatie in het VTLB en preferentie van achterstand. Rechtbank acht toelating tot WSNP een relevante wijziging van omstandigheden, maar houdt beslissing aan. Vader krijgt gelegenheid de rechter-commissaris te verzoeken om alimentatie in het VTLB op te nemen (desnoods lager bedrag), mede gelet op Rapport Alimentatienormen en belang kind. Verdere beslissing pro forma aangehouden.

Datum publicatie01-04-2026
ZaaknummerC/09/683975 / FA RK 25-2985
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Schuldsanering
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kinderalimentatie

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-2985

Zaaknummer: C/09/683975

Datum beschikking: 19 februari 2026

Wijziging kinderalimentatie

Beschikking op het op 22 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.D. Radenovska te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;

  • het bericht van 29 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;

  • het F9-formulier van 5 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;

  • het F9-formulier van 13 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;

  • het aanvullend verweerschrift;

  • het F9-formulier van 20 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.

De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over de verzoeken.

Op 22 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

- [minderjarige] is door de man erkend. De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

- [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.

- Bij beschikking van 12 juni 2009 van deze rechtbank is bepaald dat de man een bijdrage dient te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 165,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de kinderalimentatie € 251,- per maand.

- Bij vonnis van 22 mei 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de man toegelaten tot de schuldsaneringsregeling met als ingangsdatum 22 mei 2025. Daarbij is de materiele looptijd vastgesteld op achttien maanden.

Verzoek en verweer

De man verzoekt te bepalen dat:

- met ingang van 6 februari 2025, althans de datum van indiening van dit verzoekschrift, de bijdrage, zoals bepaald in de beschikking van 12 juni 2009 van deze rechtbank ter zake de kinderalimentatie, wordt gewijzigd en de bijdrage op nihil wordt gesteld;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vrouw – na aanvulling – zelfstandig verzocht:

  • dat de man in de gelegenheid wordt gesteld om de rechter-commissaris in de WSNP te verzoeken het leefgeld van de man voor de duur van het schuldsaneringstraject te verhogen en dit bij beschikking vast te stellen met inachtneming van de op de man rustende verplichting tot het betalen van een bijdrage ter zake van kinderalimentatie voor [minderjarige] , zoals bepaald in de beschikking van 12 juni 2009 van deze rechtbank, per 1 januari 2025 geïndexeerd op € 240,43, alsmede de verschuldigde achterstand van de betaling van de kinderalimentatie van € 1.668,34 voor de periode vanaf december 2024 tot en met juni 2025;

  • op grond van de beschikking van de rechter-commissaris in de WSNP de draagkracht van de man voor de duur van het schuldsaneringstraject vast te stellen en de bijdrage in het levensonderhoud van [minderjarige] ongewijzigd te laten staan of deze bijdrage in goede justitie vast te stellen met ingang van 6 februari 2025 of met ingang van een ander in goede justitie te bepalen datum;

  • de opgebouwde achterstand van betaling van de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] vanaf 6 februari 2025 vast te stellen en te bepalen dat deze als preferente schuld van de man te beschouwen is en derhalve in de opsomming van de schulden van de man in de WSNP opgenomen dient te worden;

althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie verneemt te behoren, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Wijziging kinderalimentatie

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:401 eerste lid BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Op grond van artikel 1:401 vierde lid BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvraag af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegeven is uitgegaan.

Ontvankelijkheid

De rechtbank zal de man ontvankelijk verklaren in zijn verzoek en overweegt daartoe het volgende. Bij beschikking van 12 juni 2009 van deze rechtbank is bepaald dat de man een bijdrage dient te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 165,- per maand. Bij vonnis van 22 mei 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de man immers toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank is van oordeel dat voorgaande een wijziging van omstandigheden oplevert en zal hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling.

Inhoudelijke beoordeling

De man verzoekt de kinderalimentatie op nihil vast te stellen, omdat hij is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Daarbij voert hij aan dat de bewindvoerder hem heeft aangegeven dat er geen financiële ruimte is om de kinderalimentatie op te nemen in het vrij te laten bedrag.

De vrouw voert verweer. Zij stelt – kort gezegd – dat een financiële bijdrage van de man noodzakelijk is om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Zij verzoekt dan ook om de man de gelegenheid te geven de rechter-commissaris, dan wel de bewindvoerder, te verzoeken het leefgeld van de man te verhogen, zodat hij de (verschuldigde) kinderalimentatie aan haar kan voldoen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en op de zitting is het volgende gebleken. Ondanks dat de man sinds 10 november 2022 een minnelijk schuldhulpverleningstraject van de [gemeente] doorloopt, heeft hij tot 1 januari 2025 het eerder vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie betaald. Het is de rechtbank niet duidelijk of de [gemeente] een vrij te laten bedrag berekening (hierna: VTLB-berekening) heeft gemaakt, en of de kinderalimentatie daarin al dan niet is meegenomen. Vervolgens is het schuldhulp-verleningstraject van de [gemeente] op 6 februari 2025 overgenomen door de gemeente Breda. In dat kader heeft de betrokken hulpverlener een (nieuwe) VTLB-berekening gemaakt. Uit die berekening blijkt dat zij de kinderalimentatie niet heeft meegenomen in het vrij te laten bedrag. In een e-mail aan de man heeft zij dat als volgt toegelicht:

‘(…) Op advies van een collega heb ik zojuist het budgetplan gemaakt met als inkomen jouw

VTLB. (…)Je ziet dus dat je in je budget tekortkomt als je van het VTLB moet leven. Het bedrag van de huidige alimentatie past al niet. Laat staan een extra alimentatieregeling. Ook mede door je hoge kosten van OV (welke je ook voor je kids betaalt). (…)’

De hulpverlener ziet dus geen ruimte (meer) om de kinderalimentatie op te nemen in het vrij te laten bedrag. Zij heeft de man dan ook geadviseerd om een nihilstellingsprocedure te starten. Naar aanleiding hiervan heeft de man het onderhavige verzoek ingediend.

Bij vonnis van 22 mei 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de toepassing tot de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man uitgesproken. In dat kader heeft de bewindvoerder een verslag en een crediteurenlijst opgesteld.

In paragraaf 4.6.4. van het Rapport Alimentatienormen is de volgende aanbeveling opgenomen:

‘Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering. Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.’

Kennelijk ziet deze aanbeveling ook op de wettelijke schuldsanering, aangezien in paragraaf 4.6.1. van het Rapport Alimentatienormen staat: ‘In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.’

Daarnaast merkt de rechtbank op dat sinds 1 juli 2025 de Wet preferente status kinderalimentatieschuld in werking is getreden. In de Memorie van Toelichting 1 bij die wet is opgenomen:

‘(…)1. Inleiding
(…) Hoe groter de totale schuldenlast is, des te minder overblijft voor de betaling van de (achterstallige) kinderalimentatie. Hierdoor kunnen schrijnende situaties ontstaan voor kinderen, die een kwetsbare groep in onze samenleving vormen.
(…)
2. Aanleiding voor het wetsvoorstel

(…) Het toekennen van een preferentie zal leiden tot meer inbare kinderalimentatie en dus tot meer middelen voor de verzorging en opvoeding van kinderen. Hierdoor kunnen mogelijk problematische situaties voor het kind worden voorkomen. (…)’

De rechtbank merkt op dat de wetgever klaarblijkelijk het belang ziet van het (meer) voorrang geven aan de zorg voor het kind, boven het belang van de overige schuldeisers. Hoewel het in het onderhavige geval niet gaat om de preferente status van de vordering van achterstallige kinderalimentatie maar om de vraag of er binnen het vrij te laten bedrag rekening moet worden gehouden met kinderalimentatie – welke beslissing is voorbehouden aan de rechter-commissaris – hecht de rechtbank eraan om aandacht te vragen voor het belang van het kind in relatie tot het belang van de (overige) schuldeisers, zoals dat ook in voormelde MvT tot uitdrukking komt.

In het onderhavige geval is de situatie als volgt. Aan de zijde van de man is er kennelijk een groot tekort om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De vrouw werkt in loondienst en verdient € 1.577,- bruto per maand. Zij heeft dus ook zeer beperkte inkomsten en zij kan het tekort aan de zijde van de man niet opvangen. Daarnaast heeft de vrouw op de zitting aangegeven dat [minderjarige] kampt met fysieke en mentale klachten. Zij gaat niet naar school en kan niet werken vanwege haar gezondheidstoestand. Er zijn ernstige zorgen over haar (onder)gewicht. In dat kader krijgt zij voedingsadvies van een diëtiste. De vrouw wil graag de adviezen van de diëtiste opvolgen, maar de benodigde voeding(ssuplementen) brengt extra kosten met zich mee. Verder is gebleken dat [minderjarige] het moeilijk heeft met de situatie rondom haar vader. Zij hebben al langere tijd geen contact en [minderjarige] staat hier op dit moment ook niet voor open. De vrouw heeft aangegeven dat [minderjarige] erg van dansen houdt en dat dit haar helpt om haar hoofd leeg te maken. Echter, sinds de man geen kinderalimentatie meer betaalt, heeft de vrouw haar noodgedwongen van dansles moeten halen. Dit heeft een negatief effect op haar fysieke en mentale gesteldheid. Uit het voorgaande blijkt dat een bijdrage van de man noodzakelijk is om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.

Gelet op hiervoor omschreven financiële situatie van de moeder van [minderjarige] en de zorgelijke situatie van [minderjarige] zelf ziet de rechtbank, mede gelet op de voormelde aanbeveling uit het Rapport Alimentatienormen en de bedoeling van de wetgever, aanleiding om de man de gelegenheid te geven de rechter-commissaris expliciet te verzoeken om bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de reeds vastgestelde kinderalimentatie van [minderjarige] , dan wel een lager bedrag aan kinderalimentatie, zodanig dat er in ieder geval een bijdrage wordt geleverd aan de kosten van de diëtist en/of de dansles. Mocht er behoefte zijn aan nadere informatie over de hoogte van die kosten, dan wordt van de vrouw verwacht dat zij die op eerste aanvraag aanlevert. Daarbij verwacht de rechtbank van de man dat hij haar – binnen vier weken na de datum van deze beschikking – schriftelijk informeert over de stand van zaken, inclusief toelichting daarop. De vrouw krijgt vervolgens twee weken de gelegenheid om daarop schriftelijk te reageren.


De beslissing ten aanzien van het verzoek van de man, alsmede de overige verzoeken van de vrouw, zal de rechtbank dan ook pro forma aanhouden tot 15 april 2026. In beginsel zal de rechtbank de zaak daarna schriftelijk afdoen.

Beslissing

De rechtbank:

*

stelt dat de man in de gelegenheid om de rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant te verzoeken om bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de reeds vastgestelde kinderalimentatie van [minderjarige] , dan wel een lager bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige] ;

*
bepaalt dat de man tot 19 maart 2026 de gelegenheid krijgt om de rechtbank schriftelijk te informeren over de huidige stand van zaken met betrekking tot het verzoek aan de bewindvoerder, zoals in het lichaam van deze beschikking omgeschreven, en de vrouw de mogelijkheid krijgt tot 2 april 2026 om daarop schriftelijk te reageren;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek van de man, alsmede de verzoeken van de vrouw, aan tot 15 april 2026 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 februari 2026.

1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 36 433, nr. 2, pagina’s 1 en 2



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733